Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3875

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
C/16/484223 / KG ZA 19-468
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG over nakomen zorgregeling. Dochter wil niet meer naar de vader en heeft een zorgwekkende brief geschreven naar de rechtbank (heeft geen vertrouwen meer in de rechtspraak). Ondanks dat de man in beginsel gelijk heeft, vorderingen toch afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/484223 / KG ZA 19-468

Vonnis in kort geding van 26 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.H. van den Berg te Zeist,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.T. Bakker te Driebergen-Rijsenburg.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken van partijen ontvangen:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de brief van 15 juli 2019 van de man met productie 11;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de brief van 19 juli 2019 van de man met producties 12 en 13.

1.2.

De rechtbank heeft ook een brief van [voornaam van minderjarige 1] , de dochter van partijen, ontvangen.

1.3.

De zaak is behandeld op de zitting van 19 juli 2019. Daar waren partijen met hun advocaten aanwezig. De advocaat van de man heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overhandigd.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. De rechtbank heeft met de beschikking van [echtscheidingsdatum] 2017 de echtscheiding tussen hen uitgesproken.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ;

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats] .

2.3.

Partijen hebben, om de gevolgen van hun echtscheiding te regelen, een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opgesteld. Het convenant en ouderschapsplan zijn beiden aangehecht aan de beschikking van [.] 2017.

2.4.

Partijen hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. Ook hebben partijen afgesproken dat [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] van woensdag 19.00 uur tot zaterdag 10.00 uur bij de man zijn en in de oneven weken ook van zaterdag 10.00 uur tot maandag 10.00 uur. Daarnaast zorgt de vrouw elke tweede even week vanaf vrijdagavond na het avondeten voor de kinderen. In de praktijk zijn de kinderen niet vanaf woensdagavond, maar vanaf donderdag uit school bij de man.

2.5.

De voorzieningenrechter heeft in het kort geding vonnis van 12 december 2018 – onder andere – de vrouw veroordeeld tot nakoming van artikel 4.2. van het ouderschapsplan, waarin partijen hebben afgesproken dat zij minstens één keer per kwartaal met elkaar in gesprek gaan over de kinderen.

2.6.

De vrouw heeft daarna een verzoek gedaan bij de rechtbank om de zorgregeling (zie hiervoor onder 2.4) te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek in de beschikking van

1 mei 2019 afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te veroordelen de zorgregeling zoals tussen ouders overeen gekomen in het ouderschapsplan met de tijdelijk overeen gekomen correctie dat de kinderen niet vanaf woensdagavond, maar vanaf donderdagochtend bij de man zijn, wordt nagekomen op straffe van een dwangsom van € 1000,- per dag en per kind dat de vrouw er niet voor zorgt dat de kinderen conform de zorgregeling bij de man zijn;

II. de vrouw te veroordelen medewerking te verlenen aan de ouderschapsbemiddeling, waarbij een eerste gesprek dient plaats te vinden voor aanvang van de zomervakantie en vervolgens in een frequentie als de ouderschapsbemiddelaar geïndiceerd acht, op straffe van een dwangsom van € 1000,- per keer dat de vrouw hieraan geen medewerking verleent;

III. de vrouw te veroordelen hetgeen is overeengekomen in artikel 4.2. van het ouderschapsplan, te weten dat de ouders minimaal eenmaal per kwartaal met elkaar in gesprek gaan over de kinderen, als ook de veroordeling terzake bij kort geding vonnis van 12 december 2018 na te komen, waarbij de eerste keer moet plaatsvinden binnen drie weken na het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere keer dat de vrouw niet de (minimale) frequentie van eenmaal per drie maanden in acht neemt;

IV. primair: de vrouw te veroordelen binnen vijf dagen na het vonnis medewerking te verlenen aan begeleiding van de kinderen door een kinderpsycholoog in die zin dat de vrouw toestemming geeft voor elke vorm van onderzoek dan wel behandeling als de kinderpsycholoog geïndiceerd acht, en indien de vrouw die toestemming niet geeft, daarvoor vervangende toestemming wordt verleend;

subsidiair: de vrouw te veroordelen medewerking te verlenen aan het traject via het […] in die zin dat de vrouw toestemming geeft voor elke vorm van onderzoek dan wel behandeling als het […] geïndiceerd acht, waarbij de vrouw binnen vijf dagen nadat […] heeft geadviseerd toestemming geeft, en indien de vrouw die toestemming niet geeft daarvoor vervangende toestemming wordt verleend;

V. de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man afwijzen en uitleggen waarom. Partijen moeten in principe de zorgregeling nakomen die zij in het ouderschapsplan hebben afgesproken. Dit zijn namelijk bindende afspraken. [voornaam van minderjarige 1] gaat echter sinds 5 juli niet meer naar de man en heeft aangegeven dat ook niet meer te willen.

4.2.

De voorzieningenrechter vindt dit een erg zorgelijke situatie, ook gelet op de brief die [voornaam van minderjarige 1] naar de rechtbank heeft gestuurd. Daaruit volgt dat [voornaam van minderjarige 1] erg boos is, maar het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waar die boosheid precies vandaan komt. Uit de brief en ook uit de verdere stukken en wat op zitting is besproken, blijkt niet wat vader nu precies niet goed zou doen wat zo erg is dat het deze reactie oproept bij [voornaam van minderjarige 1] . Ook de moeder heeft dat ter zitting niet duidelijk kunnen maken, terwijl zij wel aanvoert dat het probleem voor een (belangrijk) gedeelte tussen vader en [voornaam van minderjarige 1] zit. Wat de rechtbank ziet, is een conflict op ouderniveau.

Het is mogelijk dat [voornaam van minderjarige 1] zich gedwongen voelt om een keuze te maken tussen de ouders, om uit dit conflict te blijven. Het is ook mogelijk dat de reactie van [voornaam van minderjarige 1] (mede) is dat zij de ruimte inneemt die ouders laten door hun gebrek aan onderlinge samenwerking. In de brief van [voornaam van minderjarige 1] valt haar toon op die af en toe cynisch overkomt en haar uitgangspunt dat zij het is die beslist. Er blijkt geen acceptatie van de kinderrechter als autoriteit in haar leven. Dat roept vragen op in hoeverre de ouders die autoriteit nog hebben.
De vader kan zijn autoriteit niet uitoefenen als kinderen niet meer komen of dat ter discussie staat. De moeder steunt hem daarin ook niet. Zo blijft zij haar invloed uitoefenen als de kinderen bij de vader zijn. Zij geeft [voornaam van minderjarige 1] bijvoorbeeld advies over wat ze aan zal doen, in plaats van naar de vader te verwijzen omdat zij dan bij de vader is.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij [voornaam van minderjarige 1] niet kan motiveren of dwingen. Zij geeft ook aan dat [voornaam van minderjarige 1] haar standpunt heel goed kan verwoorden en dat het lastig is om daar tegenin te gaan.

4.3.

Onder deze omstandigheden is het erg positief dat de ouders ter zitting afspraken hebben gemaakt over een te volgen traject om hun communicatie en samenwerking te verbeteren. Zij hebben afgesproken dat zij in de week van 29 juli 2019 een afspraak zullen maken met [A] om bij haar een traject van ouderschapsbemiddeling te starten. Indien het niet mogelijk is om in die week met haar een afspraak te maken, zullen partijen gebruik maken van de eerstvolgende mogelijkheid om een afspraak met haar te maken. Daarbij hebben partijen toestemming gegeven dat [A] alle informatie mag opvragen die zij noodzakelijk acht voor het traject. De man zal contact opnemen met het […] om door te geven dat partijen bij [voornaam van A] een traject zullen volgen, zodat ook de financiën daaromtrent door de gemeente kunnen worden geregeld. De man zal ook het […] toestemming geven om informatie op te vragen.

4.4.

Dat [voornaam van minderjarige 1] niet maar naar de man gaat, is zorgelijk en in strijd met de afspraken die afspraken over de zorgregeling. De oplossing voor dit probleem is echter niet om [voornaam van minderjarige 1] nu te dwingen om naar de man te gaan. Naar verwachting van de voorzieningenrechter zal dit averechts werken. Dit zal er namelijk toe kunnen leiden dat [voornaam van minderjarige 1] nog meer weerstand zal krijgen. Dat vindt de voorzieningenrechter niet in het belang van [voornaam van minderjarige 1] . De rechtbank zal daarom de vordering onder I. van de man om de vrouw te veroordelen de zorgregeling na te komen, afwijzen. De vordering van de man onder II. zal de voorzieningenrechter ook afwijzen. Met de afspraken op zitting heeft de man daar geen belang meer bij. Met betrekking tot de vordering van de man onder III. overweegt de voorzieningenrechter dat het nu voor partijen niet mogelijk is om zonder begeleiding met elkaar in gesprek te gaan. Het is belangrijk dat zij eerst een traject volgen bij [A] om te werken aan hun samenwerking en communicatie. De voorzieningenrechter zal daarom deze vordering afwijzen. Partijen hebben verder afgesproken dat ook [voornaam van minderjarige 1] in gesprek zal gaan met [A] , omdat [voornaam van minderjarige 1] heeft gezegd dat graag te willen. Daarmee vervalt volgens de voorzieningenrechter ook het belang van de man bij zijn vorderingen onder IV.

4.5.

Tot slot zal de voorzieningenrechter de proceskosten tussen partijen compenseren. In familierechtelijke zaken, zoals deze, is dat namelijk gebruikelijk en de voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om daarvan af te wijken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.