Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:383

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
16/707146-16(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met het handelen in grote hoeveelheden hasj. De twee hoofdverdachten, een 56-jarige man uit Doorn en een 55-jarige man uit Utrecht zijn veroordeeld tot celstraffen van respectievelijk 7 en 5 jaar. Een 43-jarige man uit Utrecht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar.

Naar aanleiding van een anonieme tip en informatie van het Team Criminele Inlichtingen is in 2016 een onderzoek gestart naar de 55-jarige man uit Utrecht. In maart 2017 werd in een loods in Odijk 3.387 kilo hasj aangetroffen. De 56-jarige man uit Doorn had een leidinggevende en uitvoerende rol. Hij delegeerde opdrachten die binnenkwamen vanuit een onbekend gebleven Marokkaanse man. Ook communiceerde hij over de overdachten en transporten van de hasj. Bij de communicatie onderling werd deels gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik en codewoorden. De 55-jarige man uit Utrecht had voornamelijk een uitvoerende rol bij de overdrachten en transporten. Beide mannen hebben zich ook schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. De derde man heeft ook uitvoerende taken verricht, maar hij had een kleinere rol dan de andere twee verdachten.

Hoewel er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het op grote schaal handelen in softdrugs nadrukkelijk niet wordt gedoogd, en strafbaar is. Achter deze grootschalige handel gaat een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Tekenend hiervoor is dat een onbekend gebleven persoon geprobeerd heeft de 43-jarige man uit Utrecht te liquideren, maar het wapen weigerde. Daarnaast is op het woonadres van de 56-jarige man uit Doorn een granaat aan het hek opgehangen en is zijn woning beschoten. Ook zijn er bij een doorzoeking meerdere vuurwapens gevonden.

De mannen runden samen langere tijd een criminele organisatie. De professionaliteit van de organisatie blijkt ook uit de inbeslaggenomen stukken, waaronder een boekhouding en administratie, en het versluierd taalgebruik. Voor alle verdachten geldt dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere gekeken naar straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/707146-16(P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1963] te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd te PI Flevoland – Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 juni 2018, 28 augustus 2018, 13 november 2018, 8 januari 2019 en 22 januari 2019.

Op 8 januari 2019 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij de strafzaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd is behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16/705061-17) en [medeverdachte 2] (16/659346-17). Op 22 januari 2019 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. B.E.M. van de Ven en van hetgeen verdachte en mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 6 juni 2018 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 15 maart 2017 te Odijk samen met (een) ander(en) 4,9 kg MDMA, opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: samen met (een) ander(en)

- op 15 maart 2017 te Odijk 3387 kilogram hasj en/of

- op 15 mei 2017 te Utrecht 252,24 gram hasj, opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 3: in de periode van 9 maart 2017 tot en met 15 maart 2017 te Odijk en/of Zaltbommel samen met (een) ander(en) meerdere malen hoeveelheden hasj, heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt en/of vervoerd;

feit 4: in de periode van 14 februari 2017 tot en met 25 april 2017 te Zeist en/of Utrecht en/of Amsterdam samen met (een) ander(en) meerdere malen een hoeveelheid geld, te weten

- op 14 februari 2017 een bedrag van 39.000 euro

- op 9 maart 2017 een bedrag van 100.000 euro

- op 25 april 2017 een bedrag van 83.000 euro

heeft witgewassen;

feit 5: in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 mei 2017 te Utrecht, Zeist, Odijk, Zaltbommel en Amsterdam heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op de handel in hasj en/of het witwassen van geld;

feit 6: op 15 mei 2017 te Bilthoven een gas-/alarmpistool, merk Blow, en/of munitie voorhanden heeft gehad;

feit 7: op 15 mei 2017 te Utrecht een ploertendoder voorhanden heeft gehad;

feit 8: op 15 maart 2017 te Odijk samen met (een) ander(en) een pistool, merk Arrow, en/of munitie voorhanden heeft gehad;

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2, 3, 4, 5 en 7 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daartoe heeft zij – kortgezegd – voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde onder andere verwezen naar de aangetroffen drugs, het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), de (vertalingen van de) diverse tapgesprekken gevoerd tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en de bevindingen van het observatieteam. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde witwassen heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar de diverse tapgesprekken waaruit blijkt dat verdachten telkens dezelfde (versluierde) bewoordingen voor de verschillende overdrachten gebruiken. Voor de bespreking van de onder 5 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie heeft zij, onder verwijzing naar het dossier, het juridisch kader uiteengezet en toegepast.

Ten aanzien van de feiten ten laste gelegd onder 1, 6 en 8 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zich hiervoor onvoldoende bewijs in het dossier bevindt en heeft zij gevorderd verdachte van deze feiten vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de volgende ten laste gelegde feiten en/of onderdelen daarvan:

  • -

    feit 1;

  • -

    feit 2, partiële vrijspraak van de 3387 kg hasj aangetroffen te Odijk;

  • -

    feit 3;

  • -

    feit 4, partiële vrijspraak van gedachtestreepjes 1 en 2, de geldoverdrachten op 14 februari 2017 en 9 maart 2017;

  • -

    feit 5;

  • -

    feit 6;

  • -

    feit 8.

De door de verdediging gevoerde standpunten en verweren ten aanzien van voornoemde feiten worden hierna besproken.

Voor het onder 7 ten laste gelegde kan volgens de raadsman een bewezenverklaring volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak feit 1, 6 en 8

De rechtbank is van oordeel, met de officier van justitie en de raadsman, dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen de onder 1, 6 en 8 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank zal verdachte dan ook van die feiten vrijspreken.

4.3.2.

Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

4.3.3.

Inleiding 1

Naar aanleiding van een anonieme tip2 en informatie van het Team Criminele Inlichtingen3 (hierna: TCI) over criminele activiteiten van verdachte (hierna ook aangeduid als: [verdachte] ) heeft de politie eenheid Midden-Nederland op 13 september 2016 een onderzoek naar hem ingesteld.4 Gedurende het vervolgonderzoek is nieuwe TCI-informatie aangeleverd waaruit (onder andere) volgt dat [verdachte] geld zou verdienen met handel in hasj.5 De politie heeft de telefoon van [verdachte] afgetapt en op basis van de bevindingen uit de gesprekken die [verdachte] met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gevoerd, is ook de telefoon van [medeverdachte 1] afgetapt. Bij observaties werden [verdachte] en [medeverdachte 1] regelmatig in een Renault Clio met kenteken [kenteken] (hierna: de Renault Clio) gesignaleerd en daarom heeft de politie de gesprekken die in de Renault Clio zijn gevoerd, opgenomen door middel van OVC-apparatuur (Opname Vertrouwelijke Communicatie).6

Uit de OVC- en tapgesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en een onbekend gebleven man met Marokkaans telefoonnummer eindigend op 0878 (hierna: NNman0878) met elkaar communiceren door middel van versluierd taalgebruik.7 Voor de deelnemers aan de gesprekken is het immers duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet het geval. Zo blijkt uit het procesdossier bijvoorbeeld dat onderling wordt gesproken over het verkopen van ‘gras’ en het sturen van ‘15 kilo brood’8, een levering van ‘5 meter natuur’9, en over de markt in ‘Euro’, ‘Philip Plein’, ‘Gardala’, en ‘Kritik’10. Daarnaast wordt de zinsnede ‘de jongens liggen te slapen’ meermaals gebruikt in relatie tot een levering of ontmoeting.11 Verder is meermaals een code afgestemd die bij een ontmoeting zou moeten worden uitgesproken.12 Voor de bewezenverklaring moet de rechtbank in weerwil van de letterlijk gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van de zich in het procesdossier bevindende gesprekken duiden. Om dat te doen, heeft de rechtbank de hierna weergegeven bewijsmiddelen ter zake van de verschillende zaaksdossiers in onderlinge samenhang beschouwd.

Bij het benoemen van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de volgorde van de zich in het dossier bevindende zaaksdossiers.

4.3.4.

Bewijsmiddelen witwassen (feit 4)

4.3.4.1. Zaaksdossier 2, geldoverdracht 14 februari 2017 te Amsterdam

Op 13 februari 2017 belt NNman0878 (N) om 18:01 uur naar [medeverdachte 1] (M):

N: Luister eens? Hij gaat jou 60 geven (…).

(…)

N: Ja, maar jij moet nooit dichtbij hem komen, je moet alleen hem zeggen, geef onze goederen en hier heb je geld.

[medeverdachte 1] : Er is iemand die naartoe kan, hoeveel moet hij ons geven. Hoeveel moet hij ons geven?

N: Hij gaat jullie 35 geven van "Krikie" en hij gaat jullie 25 van G.

[medeverdachte 1] : Is goed en ik ga hem 39 geven.

(…)

[medeverdachte 1] : Maar ik moet hem 39 geven.

N: Ja, je moet hem 39 geven. 13

Op 13 februari 2017 om 18:54 uur belt NNman5819 naar [verdachte] :

(…) [verdachte] vraagt hem hoe laat en NNman vraagt hem of het mogelijk is dat hij naar Amsterdam komt. [verdachte] vraagt hem waar hij in Amsterdam moet.

NNman zegt dat hij naar de Rijnstraat moet en of hij die Utrechtsebrug kent. [verdachte] kent die brug.

(…) [verdachte] gaat richting Amsterdam. Amsterdam [de rechtbank begrijpt: [verdachte] ] denkt over 1 a 1.5 uur in Amsterdam te zijn.14

Op 13 februari 2017 om 20:54 uur belt [verdachte] naar NNman5819, waarbij uit de locatiegegevens van de telefoon van [verdachte] blijkt dat hij zich in Amsterdam bevindt:

NNman neemt op en zegt dat hij in die bar aan de overkant is.

[verdachte] vraagt hem naar buiten te komen en NNman zegt dat hij naar binnen kan en dat er niemand is, behalve zei [de rechtbank begrijpt: zij]. [verdachte] komt eraan.15

Op 14 februari 2017 om 12:08 uur voeren [medeverdachte 1] en [verdachte] in de Renault Clio een gesprek:

[verdachte] begint: ik heb wat gekocht van de man. (…)

[verdachte] zegt dat hij 39 heeft gezegd. [verdachte] zegt dat hij op het punt stond de man geen geld te geven. [verdachte] zegt dat hij een vaste afspraak heeft gemaakt. (…) [verdachte] zegt dat hij gebonden is aan wat er tegen hem is gezegd en dat hij niet kan afwijken van de gemaakte afspraak. Voor andere afspraken moet de man met [medeverdachte 1] praten. 16

Ter terechtzitting van 8 januari 2019 heeft [verdachte] verklaard dat hij destijds in Amsterdam is geweest en dat hij daar iemand heeft ontmoet.17

4.3.4.2. Zaaksdossier 3, geldoverdracht 9 maart 2017 te Zeist

Op 8 maart 2017 om 13:19 uur belt [medeverdachte 1] naar NNman7832:

NNman vraagt of het over de bewaargoed van [A] gaat.

[medeverdachte 1] zegt dat het klopt.

NNman zegt dat hij nu in Antwerpen is en vraagt waar zij gaan afspreken. 18

Op 8 maart 2017 om 17:18 uur belt [medeverdachte 1] met NNman0878:

NNman: Kun je 29 geven en 1 meter.

[medeverdachte 1] : Nee, 29, ik heb nu totaal 1 meter.

NNman: Dat is geen probleem stuur die meter.

[medeverdachte 1] : Ja.

NNman: Stuur die meter en reken gewoon met hem gelijk af.

[medeverdachte 1] : Oke.

NNman: Geef die meter nu af zodat ik de weg van die andere kan betalen en onderling regelen we het wel.

[medeverdachte 1] : Dat is geen probleem ik sta altijd paraat. 19

Op 9 maart 2017 om 12:19 uur belt [medeverdachte 1] (M) naar NNman0878 (N):

[medeverdachte 1] : Luister eens? Die persoon van [A] die is onderweg naar mij toe?

Moet ik hem die ene meter geven.

N: Oke, geen probleem.

[medeverdachte 1] : Oke, is goed, dat wil ik bevestigd hebben alleen. (…)

N: Is goed, is goed, geen probleem.

[medeverdachte 1] : Die andere opdracht heb ik al uitgevoerd en ben klaar mee. 20

Op 9 maart 2017 om 12:24 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] :

[medeverdachte 1] vraagt hem aan die jongen door te geven dat hij mag komen.

(…) [verdachte] vraagt hem waar hij moet komen. [medeverdachte 1] zegt dat hij naar [adres] de rechtbank begrijpt: [adres] ] moet komen. [verdachte] zegt dat het goed is.21

Op 9 maart om 12:24 uur belt [verdachte] naar NNman7832:

Na begroeting zegt [verdachte] dat hij eindelijk die persoon heeft gesproken en dat hij naar [adres] in [woonplaats] moet komen. 22

Op 9 maart 2017 om 13:07 uur voeren [verdachte] en [medeverdachte 1] in de Renault Clio een gesprek:

[medeverdachte 1] zegt dat hij in totaal 97.500 heeft en gaat geven.

[verdachte] vindt dat het voldoende is en anders krijgt hij straks de rest. 23

Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Door ons, verbalisanten, werd op donderdag 9 maart 2017 in Zeist het volgende geconstateerd:

(…)

13.21

uur, [verbalisant 1]

Ik zag dat [verdachte] op de [adres] liep en ter hoogte van de kledingzaak Jac Hensen stond te bellen.

13.38

uur, [verbalisant 3]

Ik zag dat er een witte personenauto, merk Seat, voorzien van een Belgisch kenteken, aan kwam rijden en parkeerde op de [adres] ter hoogte van kledingzaak Jac Hensen.

(…)

13.40, [verbalisant 3]

Ik zag dat [verdachte] naar de witte Seat Leon toeliep en dat hij contact maakte met een NNman die uit de Seat was gestapt. (…) 24

Op 9 maart 2017 om 15:19 uur belt NNman0844 naar [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 1] wordt gebeld door [C] (sh).

[C] zegt tegen [medeverdachte 1] hij komt 2500 te kort. 25

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij op 9 maart 2017 een ontmoeting heeft gehad met iemand in Zeist. Deze man reed in een auto met een Belgisch kenteken. 26

4.3.4.3 Zaaksdossier 6: geldoverdracht 25 april 2017 te Utrecht

Op 24 april 2017 om 13:45 uur belt [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) naar [verdachte] ([verdachte]):

(…)

[medeverdachte 1] : Oke, mooi. Ik wilde je doorgeven dat ik je het nummer zal doorgeven en geef ze die spullen. Ik ga je dat nu doorsturen.

[verdachte] : Oke, is goed, oke, geef hem dat door en het komt allemaal goed.

[medeverdachte 1] : Oke is goed.

[verdachte] : Het is euhh.....83 (…) 27

Op 24 april 2017 om 17:21 uur belt [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) opnieuw naar [verdachte] :

(…)

[medeverdachte 1] : Hai, luister eens code POLO. 28

Op 24 april 2017 om 18:07 belt NNman0065 naar [verdachte] ([verdachte]):

(…)

NN: (…) Hoe groot is het nummer?? Het nummer dat je hebt?

[verdachte] : Nummer 83!

NN: Nummer 83?

(…)

NN: Is goed. Ik bel je morgen nog om het adres te krijgen in Utrecht.

[verdachte] : Oke, is goed.

NN: Stuur mij dat per sms. 29

Op 25 april 2017 om 10:38 uur stuurt [verdachte] een sms naar NNman0065:

“Kanaalstraat utrecht”. 30

Verbalisanten E151, E102, E135, E145 en E149 hebben verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Wij hebben op dinsdag 25 april 2017 tussen 10.26 uur en 12.30 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan (…):

11.23

uur, E135

Ik zag dat de Clio [kenteken] werd geparkeerd op de Sumatrastraat te Utrecht.

11.44

uur, E151

(…) Ik zag dat subject [verdachte] de kofferbak van de Clio [kenteken] opende, hier een blauwe Albert Heijn tas uit pakte en terug liep naar de Scenic [kenteken] . Ik zag dat subject [verdachte] in de Scenic (…) stapte en kort hierna weer uitstapte.

11:45 uur: Ik zag dat subject [verdachte] richting de Kanaalstraat liep (…) en hierbij geen blauwe Albert Heijn tas meer bij zich had. 31

Op 25 april 2017 om 11:44 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] :

Na uitgebreide begroeting zegt [verdachte] dat die ene persoon inmiddels vertrokken is. [medeverdachte 1] zegt dat het goed is en bedankt hem. [verdachte] zegt dat de geboortedatum 83 is. 32

Op 25 april 2017 om 15:22 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] :

[verdachte] zegt dat (…) hij pas zaken met die ene ging doen nadat er 'Polo' is tegen hem ( [verdachte] ) gezegd. 33

Op 25 april 2017 is de bestuurder van de Renault Scenic met kenteken [kenteken] door de politie staande gehouden. Bij doorzoeking van zijn auto is een geldbedrag van € 83.000,00 aangetroffen.34

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij op 25 april 2017 een ontmoeting heeft gehad met een man. Aan deze man heeft hij een tas met ongeveer € 83.000,00 gegeven.35

4.3.4.4. Bewijsoverwegingen witwassen (feit 4)

Versluierd taalgebruik/ codetaal

Bij de uitleg van versluierd taalgebruik of codetaal komt het vooral aan op de betekenis die voor het bewijs moet worden toegekend aan de inhoud van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, de kring van personen met wie die gesprekken zijn gevoerd, alsmede de continuïteit waarin zij voorkomen en overige gedragingen dan wel gebeurtenissen, waarvan is vastgesteld dat deze respectievelijk zijn verricht en zich hebben voorgedaan, zoals reisbewegingen en ontmoetingen. Voorts kan een rol spelen dat bepaalde goederen/verdovende middelen op een voor de bewijslevering relevante plaats en/of tijdstip zijn aangetroffen.36

Uit de voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en NNman0878 met enige continuïteit dezelfde versluierde termen gebruiken om over specifieke onderwerpen te spreken. Uit de weergegeven bewijsmiddelen blijkt bijvoorbeeld dat met enige regelmaat wordt gesproken over ‘meter(s)’ in relatie tot geldbedragen of goederen. Uit de weergegeven bewijsmiddelen die betrekking hebben op zaaksdossier 3 (de geldoverdracht van 9 maart 2017) – bezien in onderlinge samenhang met de bewijsmiddelen van de overige geldoverdrachten – kan de rechtbank afleiden wat met één meter in de context van een geldbedrag wordt bedoeld. [medeverdachte 1] krijgt op 8 maart 2017 immers de opdracht van NNman0878 om ‘één meter’ aan een derde te geven. NNman0878 zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij die meter kan gebruiken om te “betalen”. Daaruit leidt de rechtbank af dat met deze meter een geldbedrag wordt bedoeld. Vervolgens zegt [medeverdachte 1] op 9 maart 2018 tegen [verdachte] dat hij 97.500 zal geven en [verdachte] zegt dat ‘de rest’ eventueel later kan worden gegeven. Nadat de desbetreffende ontmoeting heeft plaatsgevonden, wordt [medeverdachte 1] gebeld met de mededeling dat 2.500 ontbreekt. Uit deze gesprekken in onderlinge samenhang beschouwd leidt de rechtbank af dat wanneer uit de context van een gesprek blijkt dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en/of NNman0878 met ‘een meter’ een geldbedrag aanduiden, zij daarmee doelen op (97.500 + 2.500 =) € 100.000,00.

Verder blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en NNman0878 met enige regelmaat spreken over het overdragen van getallen, waarbij niet wordt gespecifieerd wat met die getallen wordt bedoeld. Zo volgt uit de bewijsmiddelen van zaaksdossier 6 dat [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 1] met iemand had afgesproken om op 25 april 2017 bij de Kanaalstraat te Utrecht het getal ‘83’ over te dragen. Die afspraak heeft ook plaatsgevonden, zo blijkt uit de observaties van de politie. Bij deze observaties is geconstateerd dat [verdachte] met een tas in een Renault Scenic gaat zitten en zonder de tas uitstapt. In de desbetreffende Renault Scenic is korte tijd na deze ontmoeting door de politie een geldbedrag van € 83.000,00 aangetroffen. Verder heeft [verdachte] zelf verklaard dat hij die dag aan iemand € 83.000,00 heeft overgedragen. Uit de omstandigheid dat vooraf is gesproken over de overdracht van ‘83’ en naderhand op een voor bewijslevering relevante plaats (de Renault Scenic) een geldbedrag van € 83.000,00 is aangetroffen, leidt de rechtbank af dat wanneer uit de context van een gesprek afgeleid moet worden dat met een getal een geldbedrag wordt bedoeld, dat getal moet worden vermenigvuldigd met € 1.000,00.

Geldoverdracht 14 februari 2017

Uit de tapgesprekken van 13 februari 2017 leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] van NNman0878 de opdracht krijgt om ‘39’ aan een derde te geven. [medeverdachte 1] krijgt daarbij de boodschap dat hij “de goederen” moet krijgen en “het geld moet geven. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] voor € 39.000,00 een hoeveelheid goederen (‘Krikie en G’) moet kopen. Uit de tapgesprekken volgt dat [medeverdachte 1] deze opdracht vervolgens ‘delegeert’ aan [verdachte] . [verdachte] heeft daarna een afspraak gemaakt met een onbekende man om elkaar in Amsterdam te ontmoeten en uit de locatiegegevens van zijn telefoon blijkt dat hij enkele uren later zich in Amsterdam bevindt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de ontmoeting die eerder telefonisch was afgestemd, ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en ook ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij destijds in Amsterdam iemand heeft ontmoet. Uit het OVC-gesprek van 14 februari 2017 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat tijdens de ontmoeting een dag eerder ook een transactie heeft plaatsgevonden. [verdachte] vertelt immers aan [medeverdachte 1] dat hij ‘op het punt’ stond om geen geld te geven, kennelijk omdat de man de prijs aanvankelijk ter discussie stelde, maar uit de zinsnede “ik heb wat gekocht” leidt de rechtbank af dat de transactie wel is doorgegaan. De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] op 13 februari 2017 – dus omstreeks 14 februari 2017 zoals ten laste is gelegd – te Amsterdam een contant geldbedrag van € 39.000,00 heeft overgedragen aan een derde.

Geldoverdracht 9 maart 2017

Uit de OVC- en tapgesprekken van 8 en 9 maart 2017 leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] van NNman0878 de opdracht heeft gekregen om ‘één meter’, dus € 100.000,00, aan een derde over te dragen. Dat met één meter ook in dit geval een geldbedrag wordt bedoeld, wordt bevestigd door de opmerking van NNman0878 dat hij met deze meter ‘de weg’ van die andere “kan betalen”. [medeverdachte 1] wordt dan gebeld door een man die informeert naar ‘het bewaargoed’ en deze man vertelt [medeverdachte 1] dat hij zich in Antwerpen bevindt. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan [verdachte] de opdracht om de overdracht te regelen. Uit de opgenomen gesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] niet over de volledige € 100.000,00 beschikken, maar dat zij ‘slechts’ € 97.500,00 zullen geven. [medeverdachte 1] en [verdachte] wisten dus dat zij een tekort hadden van € 2.500,00. Dat [verdachte] daadwerkelijk de man heeft ontmoet waarmee [medeverdachte 1] eerder had gesproken, op de plek waarover hij vooraf een sms-bericht heeft gestuurd ( [adres] te [woonplaats] ), wordt bevestigd door de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting dat hij iemand in Zeist heeft ontmoet die in een auto met Belgisch kenteken reed. Dat bij de ontmoeting ook geld is overgedragen, wordt bevestigd door de omstandigheid dat [medeverdachte 1] nog geen twee uur na de ontmoeting werd gebeld over het (door [medeverdachte 1] en [verdachte] ingecalculeerde) ‘tekort’ van ‘2.500’. De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] op 9 maart 2017 te Zeist een contant geldbedrag van € 97.500,00 heeft overgedragen aan een derde.

Geldoverdracht 25 april 2017

De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] op 25 april 2017 te Utrecht een contant geldbedrag van € 83.000,00 heeft overgedragen aan een derde.

Vermoedens van witwassen

[verdachte] heeft in opdracht van [medeverdachte 1] bedragen variërend tussen € 39.000,00 en € 97.500,00 aan contant geld aan derden overgedragen op openbare ontmoetingsplaatsen, waarbij in één geval gebruik werd gemaakt van een codewoord om te kunnen controleren of het geld wel aan de juiste persoon zou worden gegeven. Van zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] is geen legale bron van inkomsten bekend en verder hebben zij zich binnen een crimineel samenwerkingsverband bezig gehouden met de handel in hasj – zoals onder 5 bewezen is verklaard – en het is de rechtbank ambtshalve bekend dat daarmee doorgaans grote hoeveelheden contant geld wordt verdiend. De rechtbank overweegt dat de feiten en omstandigheden ter zake van de drie genoemde geldoverdrachten van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.

Indien een vermoeden van witwassen wordt aangenomen, mag van een verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.37 Geen van de verdachten heeft een dergelijke verklaring gegeven. De verdediging heeft ook niet het verweer gevoerd dat de geldbedragen uit legale bron afkomstig zijn geweest. Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat de geldbedragen die op 13 februari 2017 (€ 39.000,00), 9 maart 2017 (€ 97.500,00) en 25 april 2017 (€ 83.000,00) zijn overgedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] daarvan wisten. Ten aanzien van die bedragen is vast komen te staan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] deze contante gelden niet slechts voorhanden hebben gehad, maar ook hebben overgedragen en daarmee de criminele herkomst hebben verhuld. Het ten laste gelegde kan dan ook op de na te melden wijze wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.5

Bewijsmiddelen en overwegingen drugshandel (feit 3)

4.3.5.1. Zaaksdossier 4, overdracht verdovende middelen 9 maart (Zaltbommel)

Bewijsmiddelen

Op 8 maart 2017 om 18:06 uur belt NNman0844 naar [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 1] wordt gebeld door NNman0844.

NNman zegt tegen [medeverdachte 1] ik heb die jongen die de euro komt halen jou nummer gegeven.

(…)

NNman zegt hij gaat tegen je zeggen ik kom voor die 500 euro.38

Op 8 maart 2017 om 18:07 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] :

[medeverdachte 1] vraagt [verdachte] die telefoon bij hem te laten, dat iemand hem zo gaat bellen, dat [verdachte] '500 euro' moet zeggen en dat de beller wel zal begrijpen hoe en wat. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] morgen met deze persoon moet afspreken. 39

Op 8 maart 2017 om 19:47 uur belt NNman1001 naar [verdachte] :

NNMan moet ff een afspraak maken voor morgen en vraagt of [verdachte] zijn kant op komt. 40

Op 8 maart 2017 om 20:11 uur belt [verdachte] naar NNman1001:

[verdachte] zegt: 11 uur is goed [B] .

(…)

[B] zegt dat het goed is (…)

[B] zegt: In Zaltbommel.

[verdachte] zegt van ja, ja, ja, (…)

[B] zegt van is goed , zie ik je daar bij volks wagen ja.

[verdachte] zegt: Volks wagen is goed. 41

Op 8 maart 2017 om 20:19 uur belt [medeverdachte 1] naar NNman0844:

[medeverdachte 1] : Oke morgen zelfde plaats toch waar ik altijd naar toe ga.

NNman: Ja neem je auto mee en je krijgt 5 meter Euro. 42

Op 9 maart 2017 om 10:56 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] :

[medeverdachte 1] : bel hem en zeg tegen hem dat hij al daar is, bij die plek, bij de parkeerplaats, een carpoolplaats 43

Verbalisanten E134, E108 en E117 hebben verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Wij hebben op donderdag 9 maart 2017 tussen 10.30 uur en 12.15 uur geobserveerd en daarbij

hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan (…):

11.10

uur, E117

Ik zag dat op de carpool, gelegen aan de Middelsteeg te Zaltbommel, een bedrijfswagen reed van het merk Volkswagen, type Transporter, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken] (laatste combinatie onbekend). Ik zag dat de Transporter op deze carpool werd geparkeerd en dat de bestuurder hiervan uitstapte en kennelijk binnenging bij de shop van het Esso tankstation, gelegen aan de Steenweg 92A te Zaltbommel. Deze bestuurder was onder andere gekleed in een grijze joggingbroek, een zwarte jas en zwarte schoenen. (hierna: NN1).

(…)

11.14, E117

(…)Ik zag dat NN1 plaatsnam in de Transporter. (…) Ik zag dat de bestuurder van de Mercedes-Benz wenkte naar NN1. Ik zag dat de Mercedes-Benz hierna wegreed. Ik zag vervolgens dat NN1 met de Transporter vertrok. 44

11.20

uur, E117

Ik zag dat de Transporter de carpool gelegen aan de Middelsteeg te Zaltbommel weer opreed. Ik zag vervolgens dat NN1 uit de shop van het Esso tankstation kwam. Ik zag dat er een man als bestuurder uit de Transporter stapte welke gekleed was in onder andere een groene jas en een zwarte broek. 45 Deze man zal verder (…) NN2 worden genoemd.

Op 9 maart 2017 om 13:14 uur belt [medeverdachte 1] naar NNman0844:

[medeverdachte 1] = [medeverdachte 1]

N = NNman*0844

[medeverdachte 1] : Alles verloopt goed. Die jongens liggen op hun eigen plek te slapen.

Er is daar precies 5 meter en 9.

(…)

N: Ja, dat is het, ja, klopt.

(…)

[medeverdachte 1] : Oke, mooi, die jongens liggen dus op hun eigen locatie te slapen. 46

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard:

(…) De tenaamgestelde van de zwarte VW Transporter is: [medeverdachte 2] . (…) Aan de hand van de verkregen pasfoto en de camerabeelden van het ESSO tankstation, kon worden vastgesteld dat de bestuurder van de zwarte VW Transporter (…) is genaamd: [medeverdachte 2] . 47

Bewijsoverweging

Op woensdag 8 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] een gesprek met NNman0844. Hierin wordt het codewoord voor de overdracht gegeven, zijnde ‘500 euro’. [medeverdachte 1] neemt direct hierna telefonisch contact op met [verdachte] . In dit gesprek koppelt [medeverdachte 1] de opdracht die hij van NNman0844 heeft gekregen terug aan [verdachte] , zegt hij dat [verdachte] zo gebeld gaat worden en instrueert hij hem om het codewoord ‘500 euro’ te gebruiken zodra hij gebeld wordt. [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] dat [verdachte] morgen met deze persoon moet afspreken. [verdachte] heeft vervolgens een aantal gesprekken met NNman1001, door [verdachte] ‘ [B] ’ genoemd, en zij spreken voor de volgende dag af, 9 maart 2017 om 11.00 uur in Zaltbommel bij de ‘Volkswagen’. Dit wordt ook telefonisch teruggekoppeld op 8 maart 2017 door [medeverdachte 1] aan de eerdergenoemde Marokkaanse NNman, deze zegt dat [medeverdachte 1] ‘5 meter euro’ zal krijgen.

Op 9 maart 2017 belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en zegt hem dat eerdergenoemde [B] bij de carpoolplaats staat te wachten. Even later, om 12.19 uur belt [medeverdachte 1] naar de Marokkaanse NNman en bevestigt dat de opdracht is uitgevoerd. Om 13.14 uur belt [medeverdachte 1] nogmaals naar de Marokkaanse NNman en geeft de terugkoppeling ‘alles verloopt goed, de jongens liggen op hun eigen plek te slapen. Er is daar precies 5 meter 9’.

De verbalisanten van het observatieteam hebben de afspraak op de carpoolplaats te Zaltbommel waargenomen en beschreven. De verbalisanten hebben waargenomen dat de Volkswagen Transporter aan komt rijden, en later wordt vastgesteld dat de bestuurder van deze auto [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) is. De Volkswagen wordt korte tijd meegenomen door een NNman terwijl [medeverdachte 2] bij het tankstation achterblijft. Vervolgens wordt de Volkswagen weer teruggebracht en hierna rijdt [medeverdachte 2] weg zonder de NNman.

Uit de voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat met enige regelmaat wordt gesproken over ‘meter(s)’ in relatie tot goederen. Voorafgaand aan de levering van 9 maart 2017 is gesproken over ‘5 meter euro’. De rechtbank leidt uit de gesprekken af dat een levering plaatsvindt en dat “de jongen” “de euro” komt ophalen. Tijdens de doorzoeking van de loods te Odijk (zie onder 4.3.7.) zijn pakken hasj aangetroffen met de opdruk van het woord ‘EURO’. De rechtbank leidt daaruit af dat wanneer gesproken wordt over een ‘meter’ in relatie tot Euro, daarmee de hoeveelheid/het gewicht van de desbetreffende soort hasj wordt bedoeld.

De rechtbank overweegt dat bij deze overdracht een codewoord wordt gebruikt (500 Euro), een hoeveelheid wordt genoemd (5 meter 9) en een terugkoppeling wordt gegeven (‘de jongens liggen te slapen’). De rechtbank overweegt dat dit versluierd taalgebruik, in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder de ontmoeting plaats heeft gevonden leidt tot de conclusie dat dit een overdracht van verdovende middelen betreft. De rechtbank acht dus op grond van de genoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien met de hierna te noemen bewijsmiddelen ten aanzien van zaaksdossier 5 en de doorzoeking van de loods in Odijk wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen met zijn medeverdachten, op 9 maart 2017 te Zaltbommel betrokken was bij een overdacht van hasj.

4.3.5.2. Zaaksdossier 5, overdracht verdovende middelen 15 maart 2017 (Aalsmeer/Odijk)

Bewijsmiddelen

Op 14 maart 2017 om 13:46 uur belt [medeverdachte 1] naar NNman9095:

[medeverdachte 1] : Nog niemand heeft mij gebeld???

NN: Nog niet?? Hai..

[medeverdachte 1] : Ja, maar ik kan dan, even die schema maken!!! 48

Op 14 maart 2017 om 16:15 uur belt NNman2295 naar [medeverdachte 1] :

NNman zegt dat hij [medeverdachte 1] zijn nummer heeft gekregen en dat hij [medeverdachte 1] even moest bellen.

NNman zegt: morgen even afspreken toch. 49

Op 15 maart 2017 om 7:41 uur stuurt NNman2295 een sms naar [medeverdachte 1] :

Raadhuisplein Aalsmeer(…) 50

Op 15 maart 2017 om 7:44 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms naar NNman2295:

Ok 11 30 is ie er een zwarte bus, is hollander. 51

Op 15 maart 2017 om 7:44 uur stuurt NNman2295 een sms naar [medeverdachte 1] :

Ok Zeg Code Is Zwart 52

Verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 hebben verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Wij hebben op woensdag 15 maart 2017, tussen 11.00 uur en 14.20 uur geobserveerd en daarbij

hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan (…):

11.31, E152

Ik zag dat een man op het Raadhuisplein te Aalsmeer liep. Ik kan deze man als volgt omschrijven: Man, blank, ongeveer 40 jaar oud, ongeveer 1.70 meter lang en kort zwart haar. (hierna: NN1)

(…)

Ik zag dat er een zwarte bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Transporter, kleur zwart en kenteken onbekend het Raadhuisplein te Aalsmeer opreed.

(…)

Ik zag dat NN1 als passagier in de Volkswagen [kenteken] stapte.

11.32, E152

Ik zag dat een onbekende man (hierna: NN2) van de bestuurdersstoel van de Volkswagen [kenteken] uit de Volkswagen [kenteken] stapte. Ik zag dat NN1 achter het stuur ging zitten en de Volkswagen [kenteken] vervolgens vertrok.53

11.42, E145

Ik zag dat de Volkswagen [kenteken] geparkeerd stond op het terrein van het perceel [adres] te [woonplaats] . Ik zag dat NN1 nog in de Volkswagen [kenteken] zat.

11.52, E157

Ik zag dat NN1 met de Vespa wegreed in de richting van de [adres] te [woonplaats] . 54

11.52, E141

Ik zag dat NN2 in de Volkswagen [kenteken] stapte en vertrok.

12.40, E154

Ik zag dat de Volkswagen [kenteken] het terrein, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , opreed. 55

Op 15 maart 2017 om 13:21 uur belt [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) naar NNman9095:

[medeverdachte 1] : (…) ALLES IS KLAAR.

(…)

[medeverdachte 1] : (…) het is (…) 599,4.

(…)

[medeverdachte 1] : Die jongens zijn thuis en ze liggen nu allemaal te slapen, klaar. 56

Bewijsoverweging

Op dinsdag 14 maart 2017 om 13.46 uur heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact met NNman9095. In dit gesprek geeft [medeverdachte 1] aan dat hij nog niet gebeld is en zijn schema niet kan maken.

Op 14 maart 2017 om 16.15 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NNman2295 die aangeeft dat hij het nummer van [medeverdachte 1] heeft gekregen en vraagt of ze morgen kunnen afspreken.

Op 15 maart 2017 om 7:41 en 7:44 uur hebben [medeverdachte 1] en NNman2295 contact en spreken ze af om elkaar om 11.30 uur op het Raadhuisplein te Aalsmeer te ontmoeten. [medeverdachte 1] geeft in een sms-bericht aan NNman2295 aan dat hij niet zelf zal komen, maar dat hij een Hollander met een zwarte bus stuurt. De NNman gaat akkoord en stuurt in een bericht aan [medeverdachte 1] dat hij het codewoord ‘zwart’ moet doorgeven.

De verbalisanten van het observatieteam hebben de afspraak op het Raadhuisplein te Aalsmeer waargenomen en beschreven. De verbalisanten hebben waargenomen dat de chauffeur van de zwarte Volkswagen bus een NNman ontmoet. De NNman neemt het stuur over en de chauffeur blijft achter. De NNman rijdt weg met de bus naar een andere locatie in Aalsmeer en is ongeveer een kwartier later terug op het Raadhuisplein. Hierna rijdt de chauffeur van de Volkswagen bus weer zonder bijrijder weg richting de loods gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Om 13.17 uur en 13.21 uur neemt [medeverdachte 1] telefonisch contact op met NNman9095. [medeverdachte 1] zegt dat alles klaar was en het 599,4 was. In het gesprek zegt [medeverdachte 1] ‘de jongens thuis waren en dat ze allemaal lagen te slapen’. De rechtbank overweegt dat ook bij deze overdracht een codewoord wordt gebruikt (zwart), een hoeveelheid wordt genoemd (599,4) en een terugkoppeling wordt gegeven (‘de jongens liggen te slapen’). De rechtbank constateert dat in zaaksdossier 4 een soortgelijke afspraak is gemaakt om dezelfde Volkswagen-bus ‘uit te lenen’ aan een derde, waarbij de bestuurder uitstapt, een derde de auto meeneemt en de auto vervolgens na korte tijd teruggeeft aan de bestuurder.

Op 15 maart 2017 is de Volkswagen bus direct na de ontmoeting tussen de ‘Hollander met de zwarte bus’ en de NNman naar de loods in Odijk gereden. De politie is deze loods binnengevallen en heeft daar een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen gevonden (zie ook 4.3.7.). De rechtbank acht op grond van al deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien met de bewijsmiddelen ten aanzien van zaaksdossier 4 en de doorzoeking van de loods in Odijk wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen met zijn medeverdachten, op 15 maart 2017 te Aalsmeer en/of Odijk betrokken was bij een overdacht van hasj.

4.3.6.

Tussenconclusie overdrachten verdovende middelen

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 maart 2017 en 15 maart 2017 tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten een hoeveelheid hasj heeft ontvangen zoals hieronder bewezenverklaard onder 5.

4.3.7.

Doorzoeking loods Odijk 15 maart 2017

Bewijsmiddelen

Verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 hebben verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Wij hebben op woensdag 15 maart 2017, tussen 11.00 uur en 14.20 uur geobserveerd en daarbij

hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan (…): 57

(…)

12.40, E154

Ik zag dat de Volkswagen [kenteken] het terrein, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , opreed.

13.43, E145

Ik zag dat de Volkswagen [kenteken] vanaf de achterzijde van een aldaar gelegen loods aan kwam rijden. Ik zag dat NN2 als bestuurder in de Volkswagen [kenteken] zat. Ik weet dat de Volkswagen [kenteken] niet aan de achterzijde van deze loods geparkeerd stond. De Volkswagen [kenteken] moet uit de loods zijn gereden. 58

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op woensdag 15 maart 2017 tussen 14:30 uur en 18:15 uur vond er een doorzoeking plaats op grond van de Opiumwet in de loods aan de [adres] te [woonplaats] . (…) Tijdens de doorzoeking werden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:

(…)

- Ingepakte vermoedelijke verdovende middelen. 59

Verbalisant [verbalisant 5] heeft verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Het onderzoek is verricht in een (…) (bedrijfspand) te [adres] , [woonplaats] (…).

Door mij zijn in totaal 24 verpakkingen geopend. Ik zag dat (…) de inhoud bestond uit zogenaamde broodjes. Door mijn ervaring en opleiding herkende ik de inhoud als hashjisch. (…) De monsters werden door mij indicatief getest(…). Deze testen gaven een positieve uitslag op THC bestanddeel van hasjisch. 60

Verbalisant [verbalisant 6] heeft verklaard – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op 16 maart 2017 heb ik (…) de inhoud op een geijkte weegschaal gewogen.

Ik zag toen dat het totaalgewicht van de hash 3387 kilogram was. 61

Verbalisant [verbalisant 7] heeft foto’s gemaakt van de pakketten drugs die op 15 maart 2017 op de [adres] te [woonplaats] in beslag zijn genomen. Op één van de foto’s van deze pakketten is de opdruk ‘EURO’ te zien.62

OVC-gesprekken

Op 16 maart 2017 om 9:44 uur zitten [medeverdachte 1] en [verdachte] samen in de Renault Clio:

10:16:10 [medeverdachte 1] stapt de auto in. [medeverdachte 1] zegt dat alles weg is van ‘die plaats’ echt alles alles is weg benadrukt hij. (…)

[medeverdachte 1] zegt dat hij heeft gehoord dat het de Justitie is (…)

[verdachte] vraagt of de politie met 1,2,3 of 4 auto’s is gekomen. (…)

[medeverdachte 1] zegt dat die Philip Plein weg is, alles weg is en dat de justitie vaker dit soort dingen doet (…)

[medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] dat wat er ook gebeurd, zij van niks weten.

[verdachte] zegt ‘wat denk jij, ik weet helemaal niks en dat we ook niet naar die plek gaan’. 63

Op 16 maart 2017 om 11:35 uur zitten [medeverdachte 1] en [verdachte] samen in de Renault Clio:

[verdachte] : Die PGP kunnen ze niet bekijken?

[medeverdachte 1] : Nee nee.

[verdachte] : Je moet alles wissen en verwijderen. 64

Bewijsoverweging

Verweer raadsman ten aanzien van het OVC-gesprek TA004/333

Op verzoek van de raadsman is het OVC-gesprek met kenmerk TA004/333 door een andere vertaler beluisterd en opnieuw vertaald. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van de beide vertalingen van het OVC-gesprek TA004/333 moet worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de twee vertalingen op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen en beide dus als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de strekking van beide vertalingen van het desbetreffende OVC-gesprek dezelfde is, en dat deze op de essentiële punten overeenkomen. Daarenboven blijkt niet uit de door de raadsman aangevoerde verschillen, dat de eerste dan wel tweede vertaling onjuist is. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Conclusie

De rechtbank acht, op grond van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met zijn medeverdachten op 15 maart 2017 te Odijk 3.387 kilogram hasj voorhanden heeft gehad zoals onder 2 ten laste gelegd. De rechtbank weegt hierbij de omstandigheden mee dat verdachte bij de twee overdrachten van verdovende middelen voorafgaande aan de doorzoeking van de loods te Odijk betrokken is geweest, en dat de bij de overdracht van 15 maart 2017 gebruikte Volkswagen bus van medeverdachte [medeverdachte 2] na de overdracht naar de loods in Odijk is gereden en dat zeer kort daarna de loods is doorzocht en de grote hoeveelheid hasj is aangetroffen. Daarbij komt dat uit de OVC-gesprekken van [medeverdachte 1] en [verdachte] direct na de doorzoeking afgeleid kan worden dat zij degenen waren die kennis hadden van en beschikking hadden over de hoeveelheid hasj die in de loods is aangetroffen.

4.3.8

Actiedag 15 mei 2017, zaak B en F

Bewijsmiddelen, zaak F

Ten aanzien van het onder 2, tweede gedachtestreepje, en onder 7 ten laste gelegde zal de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent en alsmede rekening houdend met het feit dat de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:

- proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] van 15 mei 2017;65

- proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 9] van 15 augustus 2017;66

- proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 10] van 24 mei 2017;67

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2019.68

Conclusie

Met de officier van justitie en gelet op de bekennende verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 15 mei 2017 te Utrecht een hoeveelheid van 252,24 gram hasj, zoals onder 2 ten laste gelegd, voorhanden heeft gehad. Ook het feit dat onder 7 ten laste is gelegd, te weten het voorhanden hebben van een ploertendoder op 15 mei 2017 te Utrecht, heeft verdachte bekend en acht de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Criminele organisatie 69

Van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Daarnaast moet verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, ondersteunen. Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat verdachte opzet had op het deelnemen van de organisatie. Voldoende daarvoor is dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt van een onderling afstemmen van activiteiten tussen (onder meer) [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Ook blijkt van een onderlinge verdeling van de werkzaamheden.

4.4.1.

Onderlinge verdeling van de werkzaamheden

De rechtbank ziet de volgende onderlinge verdeling in het dossier. Hoog in de organisatie staat de Marokkaanse NNman (ook wel NNman0878 genoemd) die verschillende namen en diverse Marokkaanse telefoonnummers gebruikt. Hij geeft opdrachten aan [medeverdachte 1] die deze weer verder delegeert en een terugkoppeling geeft aan de NNman als de opdracht is uitgevoerd. [medeverdachte 1] lijkt deels leiding te geven aan de Nederlandse afdeling van de organisatie, maar vooral een uitvoerende rol te hebben. Hij geeft hiervoor opdrachten aan en werkt hiervoor nauw samen met [verdachte] , die vooral een uitvoerende rol heeft. [medeverdachte 2] lijkt ook een uitvoerende rol te hebben en zorgt (voor middelen) voor het vervoer van de verdovende middelen naar de opslagplaats, de loods in Odijk. Ieder heeft zijn eigen taak binnen de organisatie.

4.4.2.

Samenwerkingsverband twee of meer personen

Uit de opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat in de ten laste gelegde periode veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen een Marokkaanse NNman, [medeverdachte 1] en [verdachte] . Daarnaast blijkt ook van een samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die elkaar in ieder geval sinds 2009 kennen en [verdachte] en [medeverdachte 2] die elkaar al langere tijd kennen.

Op grond van de inhoud van de telefoongesprekken, OVC-gesprekken en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld worden dat tot de taken van het samenwerkingsverband behoorden – naast plannen van de overdrachten – ook het communiceren van de bedragen, bijhouden van de administratie, contact houden met verschillende NNmannen voor de overdrachten en het verder delegeren van de opdrachten gegeven door de Marokkaanse NNman. Na een (geslaagde) overdracht wordt dit teruggekoppeld door [medeverdachte 1] aan de Marokkaanse NNman. In de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] wordt meermalen afgestemd wie de overdracht uitvoert en op welke wijze deze wordt afgehandeld. Ook de soorten hasj worden besproken, waarbij de namen ‘Cordoba’ en ‘Euro’ worden genoemd, merknamen die ook zijn teruggevonden bij de partij verdovende middelen in beslag genomen bij de doorzoeking van de loods in Odijk op 15 maart 2017. De professionaliteit van de organisatie blijkt ook uit de inbeslaggenomen stukken en OVC-gesprekken tussen verdachten, hieruit blijkt onder andere dat er een boekhouding en administratie werd bijgehouden en dat gebruik gemaakt werd van PGP-telefoons.

4.4.3.

Duurzaamheid

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de nauwe samenwerking in ieder geval voor de tenlastegelegde periode kan worden vastgesteld. Uit de tapgesprekken (ordner 4, pagina 1436 en verder) blijkt dat [verdachte] op 20 december 2016 immers al spreekt over dat hij met vrienden een transport heeft gepland en over prijzen van goederen. De rechtbank is van oordeel dat de periode waarover hun samenwerking zich heeft uitgestrekt voldoende duurzaam is om te kunnen spreken van een criminele organisatie. Uit het dossier volgen ook aanwijzingen dat voorafgaand aan de onderzoeksperiode er al sprake was van dit samenwerkingsverband, onder andere door de huurovereenkomst tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedateerd uit 2010, hetgeen de rechtbank sterkt in haar oordeel dat sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband.

4.4.4.

Versluierd taalgebruik

Uit de telefoongesprekken, OVC-gesprekken en sms-berichten volgt voorts dat (deels) in versluierde taal werd gesproken, zoals eerder uiteengezet.70 De rechtbank is van oordeel dat deze contacten gaan over het voorbereiden van overdrachten van geld dan wel verdovende middelen, het bepalen van de prijs van de goederen dan wel de hoogte van het over te dragen bedrag en de bevestiging dat de overdracht geslaagd is. De rechtbank overweegt dat het gebruik van versluierd taalgebruik en codewoorden – en de voorafgaande afstemming van dit taalgebruik – ook wijst op een georganiseerde samenwerking. Deze contacten, bezien in samenhang met de bewezenverklaarde overdrachten, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dan ook de conclusie dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere organisatiegraad tussen meerdere personen, die de handel van hasj en het witwassen van grote bedragen tot oogmerk had. De (aanzienlijke) contante transacties, waarbij grote bedragen contant geld werden uitgewisseld voor kilo’s hasj laten de enorme omvang van de door de verdachten opgezette handel zien.

4.4.5.

Deelname aan de organisatie

Het is niet vereist dat de deelnemers aan die organisatie rechtstreeks betrokken zijn bij álle activiteiten van die organisatie. De planmatige werkwijze, zoals deze uit de bewijsmiddelen blijkt, getuigt van een hechte en intensieve samenwerking van de leden van het samenwerkingsverband, waarbij in wisselende samenstellingen veelal volgens een vast patroon werd gehandeld. Uit de genoemde bewijsmiddelen volgt voorts dat verdachte, meer dan in algemene zin, weet had van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven. Ten slotte is gebleken van de intentie om dit structureel te blijven doen, welke slechts tot stilstand is gebracht door de aanhouding van verdachten.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande aan alle elementen is voldaan en wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 mei 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie tussen meerdere personen. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

- op 15 maart 2017 te Odijk, een hoeveelheid van in totaal 3387 kilogram hasjiesj tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad, en

- op 15 mei 2017 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal 252,24 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

in de periode van 9 maart 2017 tot en met 15 maart 2017 te Odijk en Zaltbommel en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (meermalen) opzettelijk heeft vervoerd en verkocht en afgeleverd meerdere hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

in de periode van 14 februari 2017 tot en met 25 april 2017, te Zeist, Utrecht en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderenmeerdere hoeveelheden geld, te weten:

- omstreeks 14 februari 2017 een hoeveelheid geld met een waarde van ongeveer 39.000 euro en

- op 9 maart 2017 een hoeveelheid geld met een waarde van ongeveer 97.500 euro en

- op 25 april 2017 een hoeveelheid geld met een waarde van ongeveer 83.000 euro, heeft voorhanden gehad en overgedragen,

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat deze hoeveelheden geld geheel – middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

5.

in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 mei 2017 te Utrecht en Zeist en Odijk en Zaltbommel en Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of een of meer andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoelt in artikel 11 derde en vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet, namelijk:

- het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (grote) hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en

- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (grote) hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of

- het voorhanden hebben van vervoermiddelen, ruimten, en gelden, waarvan hij, verdachte en een of meer andere personen wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

en

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Opiumwet, namelijk het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en als bedoeld in 420bis wetboek van strafrecht, namelijk het plegen van witwassen van (grote hoeveelheden) geld;

7.

op 15 mei 2017 te Utrecht, een wapen van categorie I onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in art. 11 lid 3 tot en met 5 van de Opiumwet.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf, onder verwijzing naar zijn pleidooi tot vrijspraak van de meerderheid van de feiten, te hoog is. De raadsman heeft, in het geval de rechtbank afwijkend van zijn standpunt zal oordelen, verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de thans lopende voorlopige hechtenis. In het geval de rechtbank de raadsman hierin niet zou volgen, heeft hij de rechtbank ter overweging gegeven een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van 2 jaren.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het buiten de gedoogvoorwaarden om op grote schaal opzettelijk verkopen en afleveren van hasj. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van zeer grote hoeveelheden hasj, het witwassen van grote geldbedragen en het voorhanden hebben van een ploertendoder.

Weliswaar kent Nederland ten aanzien van softdrugs een gedoogbeleid, maar ook dit beleid kent zijn grenzen. Hoewel er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het op grote schaal handelen in softdrugs, zoals in de onderhavige zaak het geval is geweest, nadrukkelijk niet wordt gedoogd en strafbaar is. Achter de grootschalige handel in softdrugs, zoals de handel waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt, gaat een wereld van georganiseerde criminaliteit schuil die wordt gekenmerkt door intimidatie en geweld. Tekenend in dit kader is dat op het woonadres van de medeverdachte [medeverdachte 1] ernstige bedreigingen zijn geuit doordat een granaat aan een hek is opgehangen en de woning met een vuurwapen is beschoten en, voorts, gepoogd is om de medeverdachte [medeverdachte 2] te liquideren. Het verontrust de rechtbank ook zeer dat bij de doorzoekingen op 15 mei 2017 verschillende (vuur)wapens zijn gevonden.

Daar komt bovendien bij dat verdachte zich als deelnemer aan de criminele organisatie schuldig heeft gemaakt aan het buiten beeld houden van de enorme geldstromen van deze handel.

Verdachte heeft in de criminele organisatie een betekenisvolle rol vervuld. Hij had weliswaar een voornamelijk uitvoerende rol, maar was ook nauw betrokken bij de werkzaamheden van [medeverdachte 1] en alle beschreven overdrachten en transporten. Verdachte heeft met zijn aandeel in de organisatie willens en wetens onderdeel uitgemaakt van een grensoverschrijdende ondermijnende organisatie.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het de verdachte betreffende strafblad van 27 november 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat van recidive geen sprake is.

Strafoplegging

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op al hetgeen hiervoor is afgewogen, in dit geval niet worden volstaan met een andere straf dan oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur. Bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen in vergelijkbare gevallen is opgelegd. De rechtbank ziet in deze vergelijkbare gevallen aanleiding om in strafmatigende zin in enige mate af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Alles afwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

9 BESLAG

De in deze rubriek gebruikte nummers verwijzen naar de door de officier van justitie overgelegde lijst van in beslag genomen voorwerpen, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting een beslaglijst overgelegd met daarin opgenomen een voorstel voor de afdoening van het beslag. Zij heeft gevorderd ten aanzien van de goederen genummerd onder 42, 43 en 44 dat deze zullen worden onttrokken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich zonder onderbouwing op het standpunt gesteld dat de aan zijn cliënt toebehorende inbeslaggenomen goederen moeten worden geretourneerd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen ploertendoder, het gas-/alarmpistool en het vuurwapen (goednrs. 42, 43 en 44) van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en zal deze goederen onttrekken aan het verkeer.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen:

  • -

    33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

  • -

    3, 11, 11a en 11b van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1, 6 en 8 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2, 3, 4, 5 en 7 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 2, 3, 4, 5 en 7 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

- gelast de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst met de nummers: 42, 43 en 44.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, mrs. K.J. Veenstra en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Kappel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 maart 2017 te Odijk, gemeente Bunnik, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 4,9 kilogram tabletten bevattende MDMA, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1

ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 maart 2017 tot en met 15 mei 2017 te Odijk, gemeente Bunnik, en/of Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- op 15 maart 2017 te Odijk, gemeente Bunnik, een hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 3387 kilogram hasjiesj en/of

- op 15 mei 2017 te Utrecht, een hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 252,24 gram hasjiesj,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 maart 2017 tot en met 15 maart 2017 te Odijk, gemeente Bunnik en/of Zaltbommel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd een of meerdere hoeveelheid/hoeveelheden hasjiesj, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 februari 2017 tot en met 25 april 2017, te Zeist en/of Utrecht en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meerdere hoeveelheden geld, te weten:

- op of omstreeks 14 februari 2017 een hoeveelheid geld mei een waarde van ongeveer 39.000 euro en/of

- op of omstreeks 9 maart 2017 een hoeveelheid geld met een waarde van ongeveer 100.000 euro en/of

- op of omstreeks 25 april 2017 een hoeveelheid geld met een waarde van ongeveer 83.000 euro,

althans (telkens) een (grote) hoeveelheid (chartaal) geld, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat deze hoeveelheden geld geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 15 mei 2017 te Utrecht en/of Zeist en/of Odijk en/of Zaltbommel en/of Amsterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoelt in artikel 11 derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of artikel 11a van de Opiumwet, namelijk:

- het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden hasjiesj in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of

- het voorhanden hebben van vervoermiddelen, ruimten, gelden en/of andere betaalmiddelen en/of gegevens, waarvan hij, verdachte en/of een of meer andere perso(o)n(en) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze bestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

Art. 11b lid 1 Opiumwet

En/of

Welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Opiumwet, namelijk het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hasjiesj, in elk geval een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of als bedoeld in 420bis wetboek van strafrecht, namelijk het plegen van witwassen van (grote hoeveelheden) (chartaal) geld;

140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 11b lid 1 Opiumwet

6.

hij op of omstreeks 15 mei 2017 te Bilthoven, gemeente De Bilt, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen, gas-/alarmpistool (merk Blow), en/of munitie van categorie III, te weten 1 scherpe knalpatroon (kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1Wet wapens en munitie

7.

Hij op of omstreeks 15 mei 2017 te Utrecht, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

art 13 lid 1Wet wapens en munitie

8.

hij op of omstreeks 15 maart 2017 te Odijk, gemeente Bunnik, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk PS97 S Arrow), en/of munitie van categorie III, te weten 8 scherpe patronen (merk GFL), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegevens geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

47 lid 1 ahf/ond 1Wetboek van Strafrecht

art 26 lid 1Wet wapens en munitie

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van processen-verbaal die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2016310953A, opgemaakt door politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, doorgenummerd 1 tot en met 1938. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] d.d.19 april 2017, ordner 1, pagina 27-28.

3 Een TCI proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 12] d.d. 8 september 2016, ordner 1, pagina 29.

4 Een proces-verbaal van relaas van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 29 april 2018, ordner 1, pagina 13-14.

5 Een TCI proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 13] d.d. 17 november 2016, ordner 1, pagina 32 en een TCI proces-verbaal van [verbalisant 13] d.d. 17 november 2016, ordner I, pagina 33 en een TCI proces verbaal van [verbalisant 13] d.d. 13 december 2016, ordner 1, pagina 34.

6 Een proces-verbaal van gebruikte TAP en OVC gesprekken van verbalisant [verbalisant 3] , d.d. 14 juli 2017, ordner 4, pagina 1418-1424.

7 De weergegeven tap- en OVC-gesprekken zijn door de verbalisant samengevat weergegeven in het dossier, en op dezelfde manier als bewijsmiddel weergegeven. Waar in de bewijsmiddelen de naam [medeverdachte 1] wordt gebruikt begrijp de rechtbank [medeverdachte 1] . Waar in de bewijsmiddelen [verdachte] wordt gebruikt begrijpt de rechtbank [verdachte] .

8 Een OVC-gesprek, kenmerk TA003/318, ordner 3, pagina 1214.

9 Een tapgesprek, kenmerk TB002/113, ordner 3, pagina 1016.

10 Een tapgesprek, kenmerk TB008/6, ordner 3, pagina 1047-1048.

11 Bijvoorbeeld een tapgesprek, kenmerk TB008/45, ordner 3, pagina 1064 en een tapgesprek, kenmerk TB005/129, ordner 3, pagina 1112.

12 Zie bijvoorbeeld de code ‘Zwart’: sms-bericht, kenmerk TB005/118, ordner 3, pagina 1108, code ‘Glas Maiami’: tapgesprek, kenmerk TB002/66, ordner 3, pagina 1000 en code ‘Euro 500’: tapgesprek, kenmerk TB001/40972, ordner 3, pagina 1079.

13 Een tapgesprek, kenmerk TB002/114, ordner 3, pagina 1018.

14 Een tapgesprek, kenmerk TA002/355, ordner 3, pagina 1019.

15 Een tapgesprek, kenmerk TA002/361, ordner 3, pagina 1022.

16 Een OVC-gesprek, kenmerk TA004/6, ordner 3, pagina 1023.

17 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 januari 2019.

18 Een tapgesprek, kenmerk TA002/411, ordner 3, pagina 1032.

19 Een tapgesprek, kenmerk TB008/4, ordner 3, pagina 1044.

20 Een tapgesprek, kenmerk TB008/43, ordner 3, pagina 1058.

21 Een tapgesprek, kenmerk TB001/41549, ordner 3, pagina 1060.

22 Een tapgesprek, kenmerk TA002/439, ordner 3, pagina 1061.

23 Een OVC-gesprek, kenmerk TA004/215, ordner 3, pagina 1062.

24 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (observatie 9 maart 2017) d.d. 10 maart 2017, ordner 1, pagina 113.

25 Een tapgesprek, kenmerk TB008/49, ordner 3, pagina 1070.

26 Proces-verbaal van de terechtzitting van 8 januari 2019.

27 Een tapgesprek, kenmerk TA007/60, ordner 3, pagina 1131.

28 Een tapgesprek, kenmerk TA007/65, ordner 3, pagina 1134.

29 Een tapgesprek, kenmerk TA007/75, ordner 3, pagina 1136.

30 Een sms-bericht, kenmerk TA007/85, ordner 3, pagina 1141.

31 Een proces-verbaal van bevindingen E151, E102, E135, E145 en E149 (observatie 25 april 2017) d.d. 25 april 2017, ordner I, pagina 186.

32 Een tapgesprek, kenmerk TA007/92, ordner 3, pagina 1146.

33 Een tapgesprek, kenmerk TA007/108, ordner 3, pagina 1158.

34 Het proces-verbaal van relaas van verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 4 mei 2017, ordner 1, pagina 184.

35 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 januari 2019.

36 Hof Amsterdam 14-12-2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303.

37 Hoge Raad 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1500.

38 Een tapgesprek, kenmerk TB008/9, ordner 4, pagina 1519.

39 Een tapgesprek, kenmerk TB001/40972, ordner 4, pagina 1522.

40 Een tapgesprek, kenmerk TA002/427, ordner 4, pagina 1532.

41 Een tapgesprek, kenmerk TA002/428, ordner 4, pagina 1535.

42 Een tapgesprek, kenmerk TB008/15, ordner 4, pagina 1537.

43 Een tapgesprek, kenmerk TB001/41431, ordner 4, pagina 1540.

44 Een proces-verbaal van bevindingen E134, El08 en E117 (observatie 9 maart 2017) d.d. 20 maart 2017, ordner 1, pagina 136.

45 Idem, p. 137.

46 Een tapgesprek, kenmerk TB008/45, ordner 4, p. 1551.

47 Een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 4 mei 2017, ordner 1, pagina 133.

48 Een tapgesprek, kenmerk TB005/112, ordner 4, pagina 1565.

49 Een tapgesprek, kenmerk TB005/113, ordner 4, pagina 1566.

50 Een (sms)gesprek, kenmerk TB005/116, ordner 4, pagina 1568.

51 Een (sms)gesprek, kenmerk TB005/117, ordner 4, pagina 1569.

52 Een (sms)gesprek, kenmerk TB005/118, ordner 4, pagina 1570.

53 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 (observatie 15 maart 2017) d.d. 17 maart 2017, ordner 1, pagina 167.

54 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 (observatie 15 maart 2017) d.d. 17 maart 2017, ordner 1, pagina 168.

55 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 (observatie 15 maart 2017) d.d. 17 maart 2017, ordner 1, pagina 169.

56 Een tapgesprek, kenmerk TB005/129, ordner 4, pagina 1575.

57 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 (observatie 15 maart 2017) d.d. 17 maart 2017, ordner 1, pagina 167.

58 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten E132, E141, E145, E152, E154 en E157 (observatie 15 maart 2017) d.d. 17 maart 2017, ordner 1, pagina 169.

59 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] , d.d. 16 maart 2017, ordner 5, (zonder paginanummer).

60 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 5] , d.d. 7 april 2017, ter terechtzitting overgelegd ongenummerd stuk.

61 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] , d.d. 11 mei 2017, ordner 5, pagina 1886.

62 Een schriftelijk bescheid behorende bij het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 7] d.d. 29 maart 2017, pagina 2.

63 Een OVC-gesprek, kenmerk TA004/333, ordner 4, pagina 1764.

64 Een OVC-gesprek, kenmerk TA004/334, ordner 4, pagina 1767.

65 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] (doorzoeking ter inbeslagneming), d.d. 17 mei 2017, ordner 2, pagina 787-790, incl. bijlagen.

66 Een proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 9] , d.d. 17 mei 2017, ordner 2, pagina 801-802, pagina 801.

67 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 10] (categorisering wapen), d.d. 24 mei 2017, ordner 2, pagina 798-799.

68 De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 8 januari 2019.

69 Voor de in dit hoofdstuk gebruikte bewijsmiddelen wordt verwezen naar de hierboven opgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.

70 Zie hoofdstuk 4.3.3. en 4.3.4.4.