Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3717

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
C/16/483964 / FA RK 19-3940
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Provisionele voorziening ex 223 Rv. Begrijpelijke taal. Onvoldoende onderbouwd waarom uitspraak in de bodem niet kan worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/483964 / FA RK 19-3940

Provisionele voorziening

Beschikking van 13 augustus 2019

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente Utrecht,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.P. van Stralen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.M. Maliepaard.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft ontvangen en gelezen:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 9 juli 2019;

  • -

    het verweerschrift van de man, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 26 juli 2019.

1.2.

De rechtbank heeft op basis van de hiervoor genoemde stukken een beslissing genomen op het verzoek.

2
2. De beoordeling

Waar gaat het om?

2.1.

De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij hebben samen twee kinderen, namelijk:

  • -

    [kind 1] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2006;

  • -

    [kind 2] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1999.

[voornaam van kind 2] is inmiddels meerderjarig en [voornaam van kind 1] is nog minderjarig.

2.2.

Ten tijde van de echtscheiding hebben partijen afgesproken dat de man een bedrag aan kinderalimentatie zou betalen van € 300,- per kind per maand. De vrouw wil dat die kinderalimentatie wordt verhoogd, omdat inmiddels de omstandigheden zijn gewijzigd. Toen de eerdere kinderalimentatie werd afgesproken, verbleven de kinderen namelijk nog ongeveer de helft van de tijd bij de man. Volgens de vrouw is dat inmiddels niet meer zo en heeft zij daardoor nu hogere kosten voor [voornaam van kind 1] , terwijl de man juist minder kosten heeft. Zij vindt daarom dat de man in staat is om meer alimentatie te betalen. Om die reden heeft zij in een zogenoemde ‘bodemprocedure’ een verzoekschrift ingediend, waarin zij een hogere kinderalimentatie vraagt. Die procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/16/483970 / FA RK 19-3942. De rechtbank heeft daarbij aan de man een termijn gegeven om verweer te voeren tegen dit verzoek. De vrouw vraagt nu om – voor zolang nog geen beslissing is genomen in die bodemprocedure – als spoedmaatregel te bepalen dat de man een kinderalimentatie van € 567,36 per maand zal moeten betalen. Zij zegt namelijk dat zij nu niet de middelen heeft om alle kosten van [voornaam van kind 1] te betalen en daarom belang heeft bij een spoedmaatregel.

2.3.

De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Hij vindt dat er geen noodzaak is om een spoedmaatregel te nemen. Volgens hem wordt er via hulpverlening geprobeerd om het contact tussen hem en [voornaam van kind 1] te herstellen. Ook zegt hij dat hij nog extra kosten voor zijn rekening heeft genomen voor [voornaam van kind 1] . Verder zegt hij dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, omdat zij (onder meer) niet duidelijk heeft gemaakt wat haar huidige inkomen is.

Wat vindt de rechtbank?

2.4.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om een spoedmaatregel te treffen afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

2.4.1.

De vrouw vraagt hier om een spoedmaatregel voor de duur van de procedure, ook wel een ‘provisionele voorziening’ genoemd. De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen, als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten.1 Eén van die vereisten is dat er voldoende spoed is bij de te nemen voorziening. Er moet zoveel spoed zijn dat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.

2.4.2.

De rechtbank vindt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat die situatie zich hier voordoet. Zij zegt alleen dat zij over onvoldoende middelen beschikt om alle kosten van [voornaam van kind 1] te voldoen. Zij geeft echter niet aan hoe hoog deze kosten van [voornaam van kind 1] zijn en wat haar eigen inkomsten op dit moment zijn. Daardoor kan de rechtbank niet beoordelen of de vrouw inderdaad middelen te kort komt om de kosten van [voornaam van kind 1] te kunnen betalen en of er dus een spoedmaatregel nodig is. Aangezien de vrouw degene is die om een spoedmaatregel vraagt, is zij degene die dit had moeten onderbouwen. De rechtbank wijst daarom het verzoek om een spoedmaatregel te treffen af.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.M.H. de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.

..

1 Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).