Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3705

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-08-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
UTR 18/2477 en UTR 18/3577
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het afwijzen van een verzoek om verlenging van de begunstigingsterrmijn en tegen het besluit om over te gaan tot het invorderen van verbeurde dwangsommen. De rechtbank vindt het onredelijk dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen het verzoek van eisers om de begunstigingstermijn te verlengen heeft afgewezen en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank neemt zelf een besluit in deze zaak en verlengt de begunstigingstermijn. Dat heeft tot gevolg dat eisers geen dwangsommen hebben verbeurd. De rechtbank vernietigt daarom ook het invorderingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2744 en 18/3577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser/eiseres 2], te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. T.F. Quaars),

en

het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder

(gemachtigden: mr. K. van den Burg en [A] ).

1 Inleiding en procesverloop

1.1

Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] in [vestigingsplaats] . Zij hebben daar een pluimveebedrijf. In maart 2017 hebben toezichthouders van verweerder verschillende controles uitgevoerd op het perceel van eisers. Zij hebben in totaal drie overtredingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geconstateerd. De eerste overtreding houdt in dat eisers de bedrijfswoning op het perceel niet in overeenstemming met de regels van de toepasselijke bestemmingsplannen gebruiken en daar geen omgevingsvergunning voor hebben. De tweede overtreding houdt in dat er op het perceel een woning is gebouwd zonder omgevingsvergunning. De derde overtreding houdt in dat eisers de gronden van het perceel in strijd met het bestemmingsplan gebruiken en daar geen omgevingsvergunning voor hebben.

1.2

Op 31 augustus 2017 heeft verweerder aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. In die last staat dat eisers de overtredingen binnen een bepaalde periode (de begunstigingstermijn) ongedaan moeten maken. De eerste en de derde overtreding moeten eisers uiterlijk op 26 oktober 2017 hebben beëindigd, en de tweede overtreding uiterlijk op 9 november 2017. Als eisers dat niet doen, verbeuren zij een last onder dwangsom. Voor de eerste overtreding is dat € 10.000,- per week met een maximum van € 20.000,-, voor de tweede overtreding € 50.000,- per week met een maximum van € 100.000,- en voor de derde overtreding € 5.000,- per week met een maximum van € 10.000,-. Eisers hebben tegen het besluit van 31 augustus 2017 geen bezwaar gemaakt. Dat besluit is dus onherroepelijk. Dat betekent dat over de inhoud van dat besluit geen discussie meer kan worden gevoerd.

1.3

In juli 2017 was er een fipronilbesmetting op het pluimveebedrijf van eisers. Op
25 oktober 2017 hebben eisers aan verweerder geschreven dat zij door de problemen met de fipronilbesmetting niet op tijd konden reageren op de last onder dwangsom van
31 augustus 2017. Daarom verzoeken zij in die brief aan verweerder om de begunstigingstermijn met drie maanden te verlengen, zodat zij meer tijd hebben om de overtredingen te beëindigen.

1.4

In het besluit van 26 oktober 2017 heeft verweerder dat verzoek afgewezen (hierna: ‘het primaire besluit'). Volgens verweerder komt het voor risico van eisers dat zij de last onder dwangsom van 31 augustus 2017 uit het oog waren verloren. Verweerder vindt dat eisers niet overtuigend hebben gemotiveerd waarom het niet mogelijk was de overtredingen tijdig te beëindigen en zij hebben ook niet op basis van een concreet, realistisch en acceptabel voorstel gemotiveerd hoeveel extra tijd zij nodig hebben om de overtredingen alsnog te beëindigen.

1.5

Eisers hebben bij verweerder bezwaar ingediend tegen het primaire besluit. In het besluit van 7 juni 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard (hierna: ‘het bestreden besluit’). Tegen dit besluit zijn eisers in beroep gegaan bij de rechtbank.

1.6

Op 31 oktober 2017 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat er een controle is geweest en dat is geconstateerd dat zij de eerste en derde overtreding niet voor het einde van de begunstigingstermijn hebben beëindigd. De begunstigingstermijn voor de tweede overtreding liep toen nog. Uiteindelijk waren alle overtredingen op 6 november 2017 beëindigd. De tweede overtreding is dus wel binnen de begunstigingstermijn beëindigd.

1.7

Bij besluit van 18 juni 2018 heeft verweerder besloten om de dwangsommen die eisers voor de eerste en derde overtreding hebben verbeurd in te vorderen. Het gaat in totaal om een bedrag van € 15.000,- (hierna: ‘het invorderingsbesluit’).

1.8

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit. Daarbij hebben zij verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat is mogelijk op grond van artikel 7:1a, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft op 17 september 2018 besloten om daarmee in te stemmen.

1.9

Er liggen dus twee beroepen van eisers aan de rechtbank voor: één tegen het bestreden besluit en één tegen het invorderingsbesluit. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft als zaaknummer 18/2744 en het beroep tegen het invorderingsbesluit 18/3577. Beide beroepen zijn behandeld op de zitting van 15 maart 2019. Meneer [eiser 1] was daarbij aanwezig en hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren mevrouw Van den Burg en mevrouw [A] als gemachtigden aanwezig.

Deze uitspraak gaat ook over beide beroepen. De rechtbank zal eerst het beroep tegen het bestreden besluit bespreken en daarna het beroep tegen het invorderingsbesluit.

2 Het beroep tegen het bestreden besluit (18/2744)

2.1

Totstandkoming van het bestreden besluit en standpunten van partijen

2.1.1

Voordat verweerder het bestreden besluit nam, heeft hij advies gevraagd aan de Commissie bezwaarschriften gemeente Rhenen (hierna: ‘de commissie bezwaarschriften’). De commissie bezwaarschriften heeft op 19 maart 2018 geadviseerd om de begunstigingstermijn voor de eerste en derde overtreding met twee weken te verlengen. De commissie bezwaarschriften vindt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waarin eisers zijn komen te verkeren door de fipronilbesmetting en dat verweerder het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn in redelijkheid niet kon weigeren.

2.1.2

Verweerder heeft het advies van de commissie bezwaarschriften niet opgevolgd. Volgens verweerder hadden eisers voldoende tijd om de overtredingen te beëindigen.

2.1.2

Volgens eisers is het onredelijk dat verweerder de begunstigingstermijn niet wil verlengen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de grote impact die de fipronilbesmetting heeft gehad op eisers, zakelijk en privé. Hierdoor hebben eisers niet op tijd aan de last onder dwangsom kunnen voldoen. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld en geen evenredige belangenafweging heeft gemaakt. De gevolgen van het bestreden besluit zijn onevenredig zwaar in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Ook vinden eisers dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het advies van de commissie bezwaarschriften niet opvolgt.

2.2

Het oordeel van de rechtbank

2.2.1

De rechtbank is het niet met eisers eens dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het advies van de commissie bezwaarschriften niet opvolgt. Verweerder vindt dat de commissie bezwaarschriften ten onrechte voorbij gaat aan een aantal zwaarwegende omstandigheden. Volgens verweerder hebben eisers voldoende tijd gehad om de overtredingen te beëindigen. Zij zijn er tijdens gesprekken steeds op gewezen dat de termijn verloopt. Volgens verweerder had de fipronilbesmetting grote consequenties voor eisers, maar maakte dat niet dat zij niet in staat waren om de overtredingen op tijd te beëindigen. Van een professionele partij kan, vindt verweerder, ook in een crisissituatie worden verwacht dat hij zorgt dat de overtreding op tijd beëindigd is. Verweerder kent dus een minder zwaar gewicht toe aan de fipronilbesmetting en de gevolgen daarvan voor eisers dan de commissie bezwaarschriften heeft gedaan. De rechtbank vindt dat verweerder hiermee voldoende duidelijk heeft uitgelegd waarom hij heeft afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften en de begunstigingstermijn niet heeft verlengd.

2.2.2

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of het ook redelijk is dat verweerder de begunstigingstermijn niet heeft verlengd. Daarbij moet de rechtbank de volgende vragen beantwoorden:

  • -

    Heeft verweerder alle betrokken belangen afgewogen?

  • -

    Is het, gelet op alle betrokken belangen, redelijk dat verweerder de begunstigingstermijn niet heeft verlengd?

Zijn alle betrokken belangen afgewogen?

2.2.3

De rechtbank vindt dat verweerder de betrokken belangen goed heeft meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank heeft niet kunnen constateren dat verweerder belangen heeft gemist die wel in de belangenafweging betrokken hadden moeten worden. In het bestreden besluit betrekt verweerder ook de omstandigheden die eisers van belang vinden, namelijk de fipronilbesmetting en de gevolgen die eisers daarvan zeggen te hebben gehad.

2.2.4

De discussie tussen partijen gaat dan ook vooral over de vraag hoeveel gewicht moet worden toegekend aan de fipronilbesmetting en of het onder die omstandigheden redelijk is dat de begunstigingstermijn niet is verlengd. Die vraag zal de rechtbank nu beantwoorden.

Is het redelijk dat verweerder de begunstigingstermijn niet heeft verlengd?

2.2.5

Bij de belangenafweging moeten de belangen van eisers en die van verweerder tegen elkaar worden afgewogen. Het belang dat eisers hebben bij verlenging van de begunstigingstermijn is dat de overtredingen dan op tijd beëindigd zijn en zij geen dwangsommen verschuldigd zijn. Daar tegenover staat het belang van verweerder bij een snelle beëindiging van geconstateerde overtredingen. Dat is een zwaarwegend belang en vaak mag verweerder dat belang ook doorslaggevend vinden. Maar de rechtbank moet ook kijken naar de redenen waarom eisers om verlenging van de begunstigingstermijn hebben gevraagd.

2.2.6

Volgens eisers zou het onder normale omstandigheden heel goed mogelijk zijn geweest om de overtredingen op tijd te beëindigen, maar de fipronilbesmetting op het pluimveebedrijf heeft hen zo in beslag genomen, dat het niet is gelukt. Zij dreigden hun bedrijf en daarmee hun bron van inkomsten kwijt te raken. Zij zijn van augustus tot december 2017 bezig geweest om de besmetting te bestrijden. De stallen en de inventaris zijn zo’n dertig keer schoongemaakt en pas in december 2017 konden er weer kippen worden gehouden. Half oktober 2017 kwamen zij er achter dat de deadline voor het beëindigen van de overtredingen 26 oktober 2017 was. Zij hebben toen contact gezocht met verweerder. Er zijn gesprekken geweest en uiteindelijk hebben zij het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn gedaan. Zij hebben in die periode ook geprobeerd de overtredingen zo snel mogelijk te beëindigen, maar door de financiële gevolgen van de fipronilbesmetting hadden zij geen geld meer om hulp in te schakelen en hebben ze dit zelf moeten doen.

2.2.7

De rechtbank vindt het aannemelijk dat eisers door de fipronilbesmetting zo erg in beslag werden genomen dat zij niet in staat waren om de overtredingen op tijd te beëindigen. Zoals eisers ook hebben gesteld is er in de media veel aandacht geweest voor de fipronilcrisis en de ernstige gevolgen die fipronilbesmettingen hebben gehad voor pluimveebedrijven. Het ligt voor de hand dat de fipronilbesmetting ook op eisers veel impact heeft gehad en dat zij daardoor uit het oog zijn verloren dat de overtredingen uiterlijk 26 oktober 2017 beëindigd moesten zijn.

Onder die omstandigheden had verweerder, in dit specifieke geval, meer gewicht moeten toekennen aan het belang van eisers dan aan zijn eigen belang en had hij het verzoek om de begunstigingstermijn te verlengen moeten toewijzen. Daarbij speelt ook een rol dat verweerder het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn (onder andere) heeft afgewezen omdat hij vond dat eisers hun verzoek om verlenging van drie maanden onvoldoende hebben onderbouwd, terwijl verweerder niet gebonden was aan die drie maanden die eisers hebben gevraagd. Verweerder had van dat verzoek kunnen afwijken en een kortere termijn kunnen geven. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder die mogelijkheid heeft bekeken. Dat had hij wel moeten doen, want met een kortere termijn had verweerder zowel recht kunnen doen aan zijn belang bij een snelle beëindiging van de overtredingen als aan het belang van eisers bij verlenging van de begunstigingstermijn.

De rechtbank vindt het dus onredelijk dat verweerder de begunstigingstermijn niet heeft verlengd. De beroepsgrond slaagt. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond.

Hoe gaat het verder?

2.2.8

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden: de rechtbank geeft verweerder de opdracht om een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen met inachtneming van deze uitspraak, óf de rechtbank neemt zelf een nieuw besluit in deze zaak. De rechtbank vindt in dit geval dat zij zelf een nieuw besluit kan nemen. Hierna zal zij uitleggen waarom.

2.2.9

In het bestreden besluit heeft verweerder een belangenafweging gemaakt. Bij het nemen van een nieuw besluit zal ook die belangenafweging opnieuw moeten worden gemaakt. In beginsel ligt het nemen van dat soort besluiten in de sfeer van verweerder. Maar in dit geval heeft de rechtbank de belangenafweging getoetst en is zij tot de conclusie gekomen dat verweerder de belangenafweging in het voordeel van eisers had moeten laten uitvallen. De rechtbank heeft in deze uitspraak dus al een oordeel gegeven over wat de uitkomst moet zijn van die belangenafweging, namelijk dat de begunstigingstermijn moet worden verlengd. Die beslissing kan de rechtbank dus ook zelf nemen. Er moet dan nog wel worden besloten tot wanneer de begunstigingstermijn wordt verlengd. Ook dat is een beslissing die in beginsel in de sfeer van verweerder ligt. Het gaat namelijk om de vraag wat een redelijke termijn is, gelet op het belang van verweerder dat de overtredingen zo snel mogelijk worden beëindigd en het belang van eisers om geen dwangsommen te verbeuren. In dit geval vindt de rechtbank dat er voldoende informatie beschikbaar is om vast te kunnen stellen wat een redelijke termijn voor verlenging is. Het staat namelijk vast dat de overtredingen in ieder geval op 6 november 2017 zijn beëindigd, kort na de deadline van 26 oktober 2017. Dat betekent dat met een verlenging tot 7 november 2017 recht wordt gedaan aan het belang van verweerder bij een snelle beëindiging van de overtreding en aan het belang van eisers om geen dwangsommen te verbeuren. Onder deze omstandigheden is het redelijk dat de begunstigingstermijn tot
7 november 2017 wordt verlengd.

2.2.10

De rechtbank is dus in staat om zelf een beslissing te nemen in deze zaak. Ook vindt de rechtbank dat eisers niet nog langer in onzekerheid gehouden mogen worden. Daarom

bepaalt de rechtbank dat verweerder geen nieuw besluit mag nemen over deze zaak, maar dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank neemt een nieuw besluit en dat houdt kort gezegd in dat de begunstigingstermijn alsnog wordt verlengd tot
7 november 2017 en dat het primaire besluit, waarbij verweerder heeft geweigerd de begunstigingstermijn te verlengen, wordt herroepen.

2.2.11

Deze beslissing heeft gevolgen voor het beroep tegen het invorderingsbesluit. Dat zal de rechtbank hierna bespreken.

3 Het beroep tegen het invorderingsbesluit (18/3577)

3.1

Doordat de rechtbank een nieuw besluit neemt en de begunstigingstermijn verlengt tot 7 november 2017, staat vast dat eisers geen dwangsommen hebben verbeurd. Dat betekent dat verweerder niet tot invordering mag overgaan. De rechtbank zal daarom ook het invorderingsbesluit vernietigen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het invorderingsbesluit. Verweerder hoeft geen nieuw besluit te nemen.

4 Conclusie

Het beroep tegen het bestreden besluit (18/2744)

4.1

De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond, vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit waarbij het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn is afgewezen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst van het bestreden besluit. Dit betekent dat de begunstigingstermijn is verlengd tot 7 november 2017. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit te nemen.

Het beroep tegen het invorderingsbesluit (18/3577)

4.2

De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond en vernietigt het invorderingsbesluit. Eisers hebben geen dwangsommen verbeurd.

In beide beroepen

4.3

Omdat de beroepen van eisers gegrond zijn, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Het gaat in totaal om een bedrag van € 340,- (€ 170,- per zaak).

4.4

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De twee zaken hangen sterk met elkaar samen. Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) bepaalt dat bij samenhangende zaken de hoogte van de vergoeding beperkt blijft tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. De rechtbank stelt daarom de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bbp vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet door het primaire besluit te herroepen

en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde bestreden besluit treedt;

- vernietigt het invorderingsbesluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 340,- aan eisers te

vergoeden

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.536,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw – ‘t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.