Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3699

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4138
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres kan als informele vereniging worden aangemerkt en daarmee als belanghebbende.

Beroep is gegrond. Verweerder heeft ten onrechte de tussenliggende goten in het dak niet als goot in de zin van de planregels aangemerkt. Overschrijding goothoogte, strijd met het bestemmingsplan. Vernietiging van de verleende omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/4138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. Schipper).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Residence Vinkenplein BV, te Amsterdam

(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het realiseren van een gebouw met commerciële ruimten op de begane grond, 30 woningen op de verdiepingen en een ondergrondse parkeerkelder, op een locatie aan het Vinkenplein/Melchiorlaan/Vinkenlaan in Bilthoven.

Bij besluit van 27 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder als beslissing op het bezwaar van eiseres de motivering van het primaire besluit op een aantal onderdelen aangevuld.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2019. Eiseres heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door haar voorzitter drs. [A] , haar secretaris [B] en mr. [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [D] en drs. [E] . Residence Vinkenplein BV heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 19 oktober 2017 heeft Residence Vinkenplein BV een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een nieuwbouwplan met commerciële ruimten op de begane grond, 30 woningen op de verdiepingen en een ondergrondse parkeerkelder op een locatie aan het Vinkenplein/Melchiorlaan/Vinkenlaan in Bilthoven. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals vermeld onder het ‘Procesverloop’.

Eiseres is een coalitie van verschillende bewonersverenigingen en -organisaties in en om het centrum van Bilthoven. Zij is een informele organisatie, zonder formele rechtspersoonlijkheid, statuten of inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

Het bestemmingsplan Emmaplein en Vinkenplein Bilthoven dat is gewijzigd met het wijzigingsplan Vinkenplein Bilthoven is van toepassing (het bestemmingsplan). Het perceel heeft de bestemming “Centrum-1” en “Horeca”.

Ontvankelijkheid

2.1.

Een persoon of organisatie kan alleen beroep in stellen tegen een besluit als zij belanghebbende is (artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, Awb). Als zij daar niet aan voldoet is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank zal eerst dit punt beoordelen.

2.2.

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ontvankelijk verklaard. In beroep heeft verweerder alsnog het standpunt ingenomen dat eiseres geen belanghebbende is en het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

2.3.

Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij met haar beroep algemene en collectieve belangen behartigt, ook in het belang van haar leden. De rechtbank overweegt dat deze mogelijkheid alleen open staat voor rechtspersonen, waarbij het behartigen van deze belangen uit de doelstellingen en feitelijke werkzaamheden blijkt (artikel 1:2, derde lid, van de Awb).

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres een informele vereniging is en daarmee volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kan worden aangemerkt als rechtspersoon. Op grond van deze rechtspraak gelden drie cumulatieve vereisten waaraan moet worden voldaan om te kunnen worden aangemerkt als een informele vereniging: er is een ledenbestand, er is een organisatorisch verband en de organisatie neemt als eenheid deel aan het rechtsverkeer (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1838). Eiseres heeft een ledenlijst overgelegd. Het organisatorisch verband blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de structuur van de organisatie. Er is een voorzitter en een secretaris, er worden jaarlijks meerdere ledenvergaderingen gehouden waarvan een overzicht van notulen is overgelegd en er is betrokkenheid van de leden, zoals ook blijkt uit de aanwezigheid van diverse leden op de zitting. Er is verder niet gebleken van een reden om te twijfelen aan het bestaan van een interne organisatie. Ten slotte blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat eiseres als eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt. Zo is onder meer de voorzitter [A] namens eiseres jarenlang actief geweest in de Klankbordgroep Centrum Bilthoven. Hoewel verweerder dit niet heeft opgevat als activiteiten namens eiseres, heeft hij op de zitting erkend dat [A] de naam [eiseres] gebruikte bij haar werkzaamheden in de klankbordgroep. Andere activiteiten van eiseres blijken uit de inspraaknota van [A] namens eiseres, een krantenartikel over de petitie van eiseres over verkeersproblemen in het centrum en het overleg met diverse organisaties, zoals de op zitting aanwezige ondernemersvereniging.

2.5.

Daarnaast is voldaan aan de overige vereisten van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, namelijk dat het behartigen van deze belangen past binnen de doelstelling en feitelijke werkzaamheden van de vereniging. Uit onder meer het programma-akkoord bij oprichting van eiseres leidt de rechtbank af dat het bespreken van de omvang van een bouwwerk in het centrum van Bilthoven binnen de doelstelling van eiseres valt. De feitelijke werkzaamheden blijken voldoende uit de hiervoor beschreven activiteiten.

2.6.

Om deze redenen is de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel dat eiseres een belanghebbende is bij het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning en dat haar beroep ontvankelijk is.

Inhoudelijk

3. Eiseres heeft op de zitting haar grond dat de omgevingsvergunning niet voldoet aan de vereisten voor het peil ingetrokken, zodat de rechtbank deze grond niet zal bespreken. De rechtbank zal hierna de overige beroepsgronden van eiseres beoordelen.

Tussengoten

4. Eiseres voert aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het bestemmingsplan, omdat de tussenliggende goten hoger zijn dan de in de planregels bepaalde maximale goothoogte.

5.1.

Het gedeelte van het gebouw waarop deze beroepsgrond is gericht bestaat uit vier zadeldaken met drie tussenliggende zak- of kilgoten (hierna: tussengoot). De hoogte van de tussengoten bedraagt 9,5 meter. Aan de buitenzijde van het bouwplan is een goot voorzien op 7,9 meter hoogte. Deze goot en de tussengoten worden gedeeltelijk aan het oog onttrokken door schijngevels. Het aanzicht van het bouwplan is weergegeven op afbeelding 1. Op afbeelding 2 is het verloop van de daken en de ligging van de goten achter de schijngevels weergegeven. De goot aan de buitenzijde bevindt zich aan de linkerzijde van beide afbeeldingen.

Afbeelding 1

Afbeelding 2

5.2.

Op grond van de artikelen 3.2, onder a, sub 1 en 5.2, onder a, sub 1, van de planregels en de plankaart van het bestemmingsplan is aan de Melchiorlaan een goothoogte van 7,5 meter toegestaan. Artikel 2.2 van de planregels bepaalt de wijze van meten: “vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel”. Verweerder is bij het bepalen van de goothoogte van dit gedeelte van het bouwplan uitgegaan van de hoogte van de buitenste goot van 7,9 meter. Het bouwplan is op dit punt vergund met toepassing van de in de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid, die een overschrijding van 10% van de goothoogte mogelijk maakt. De hoogte van de tussengoten heeft verweerder niet als goothoogte aangemerkt.

5.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de hoogte van de tussengoten als goothoogte in de zin van het bestemmingsplan moet worden aangemerkt. In de planregels van het bestemmingsplan staat geen definitie van goot of van goothoogte. De rechtbank gaat daarom uit van de in het algemeen spraakgebruik gangbare definitie van goot, volgens het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal: “een kanaal langs het dak van een huis om het regenwater op te vangen”.

5.4.

Tussen de vier zadeldaken bevinden zich feitelijk goten, door partijen zakgoten of kilgoten genoemd. Uit de verklaringen van partijen op de zitting is gebleken dat deze tussengoten ook de functie hebben om het regenwater dat van de zadeldaken afloopt te verzamelen, waarna het water door de tussengoten naar een interne afvoer loopt. Anders dan in de uitspraak van de ABRvS van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2864) waarop Residence Vinkenplein BV zich beroept, is hier niet sprake van een tussenliggend plat dak met enkel een interne regenafvoer. Hier wordt er feitelijk een goot aangebracht, die daadwerkelijk een functie heeft in het verzamelen en afvoeren van regenwater, dat daarna pas intern verder wordt afgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de tussengoten in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van de goothoogte in de zin van de planregels.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat de goothoogte wordt bepaald door de hoogte van de tussengoten van 9,5 meter. Het bestemmingsplan laat echter slechts een goothoogte van 7,5 meter toe, die met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid nog kan worden vergroot tot 7,9 meter. Het bouwplan is op dit punt dan ook in strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt en het beroep is gegrond. De rechtbank zal eerst de laatste beroepsgrond bespreken en daarna beoordelen tot welk gevolg dit moet leiden.

10% afwijking

6. Eiseres voert verder aan dat door de ruime toepassing van de afwijkingsbevoegdheid van 10% van de diverse maatvoeringen een te groot bouwvolume met extra bouwlaag is ontstaan, terwijl deze bepaling slechts is bedoeld voor een geringe en onvoorziene afwijking van het bestemmingsplan.

7.1.

De planregels kennen in artikel 12, onder b, verweerder de bevoegdheid toe bij het verlenen van een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van de goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte van gebouwen met niet meer dan 10%.

7.2.

Verweerder heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt door de hiervoor al besproken goothoogte aan de Melchiorlaan te verhogen van 7,5 meter naar 7,9 meter, de bouwhoogte van 11,5 meter naar 12,65 meter en voor de bouwhoogte aan het Vinkenplein van 14,5 meter naar 15,93 meter.

7.3.

De commissie van advies voor de bezwaarschriften heeft er in haar advies op gewezen dat verweerder in het primaire besluit niet heeft gemotiveerd dat het gebruik van deze bevoegdheid vanuit een goede ruimtelijke onderbouwing gelet op de betrokken belangen is gerechtvaardigd. In het bestreden besluit heeft verweerder een nadere onderbouwing gegeven. Daarbij heeft verweerder overwogen dat aan de Melchiorlaan is gekozen voor vier panden met afzonderlijke dwarskappen. Alleen de nokken overschrijden de toegestane bouwhoogte om voldoende gebruiksruimte in de woningen in de kaplaag te creëren en deze als volwaardige woningen te kunnen aanmerken. Daardoor worden de maximale mogelijkheden benut, maar wordt ook een kleinschalige uitstraling verkregen. Aan het Vinkenplein is gekozen voor een groter pand. Dit hoofdvolume blijft binnen de maximaal toegestane hoogte. Vanuit esthetisch oogpunt is gekozen de dakschilden door te trekken met verhoging van de totale hoogte, waardoor installaties op het platte dak aan het zicht worden onttrokken. Dit is ook in het voordeel van omwonenden. Verweerder acht bij overschrijding sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. De gevolgen wat betreft privacy, uitzicht, rust en veiligheid zijn naar zijn mening niet zodanig dat hij van afwijking af wil zien. Daarnaast is aan het wonen in een verstedelijkte omgeving een zekere mate van inbreuk op privacy inherent. Verweerder vindt dat het plan vanuit stedenbouwkundig oogpunt en qua beeldkwaliteit op een hoogwaardige manier invulling geeft aan het wensbeeld van de gemeente door de bereikte kwaliteit in de geleding van de gevels en de getoonde rijkheid in de detaillering. Dit vormt volgens verweerder geen onevenredige aantasting van de woonsituatie van omwonenden en verweerder vindt dat het algemeen belang bij een goede ontwikkeling van deze locatie zwaarder moet wegen dan het belang van omwonenden.

7.4.

De rechtbank overweegt dat het toepassen van de bevoegdheid om al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan een bevoegdheid van verweerder is waarbij hij beslissingsruimte heeft. De rechtbank kan alleen toetsen of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Verweerder is gemotiveerd op de vormgeving, de uitstraling en het bouwvolume ingegaan en heeft daarbij de belangen van de omwonenden meegewogen. Weliswaar leidt de afwijking tot een groter bouwvolume, maar dit is niet over de gehele breedte en daar staan andere belangen tegenover. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid af te wijken van het bestemmingsplan. Deze grond slaagt niet.

Gevolgen voor het besluit

8. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.4 heeft overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met de artikelen 3.2, onder a, sub 1 en 5.2, onder a, sub 1, van de bestemmingsplanregels.

9. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat hij het bouwplan alsnog wil vergunnen met een nader besluit tot afwijking van het bestemmingsplan, in het geval waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat het bestreden besluit daarmee in strijd is. De rechtbank constateert dat de goothoogte van 9,5 meter van de tussengoten niet te vergunnen is met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het is aan verweerder om te beoordelen welke bevoegdheid hij wil en kan gebruiken voor het alsnog vergunnen van (dit deel) van het bouwplan. De rechtbank ziet echter een reële kans dat verweerders conclusie zal zijn dat toepassing van de zogenoemde kruimellijst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht evenmin mogelijk is. In dat geval resteert alleen nog de mogelijkheid van het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet. Daarvoor moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit paragraaf 3.3. van de Wabo worden gevolgd. Verweerder kan in dat geval niet volstaan met een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij de omgevingsvergunning voor het bouwen opnieuw in stand wordt gelaten. Verweerder zal het primaire besluit dan moeten herroepen en gelijktijdig een ontwerpbesluit ter inzage moeten leggen in het kader van de dan te volgen uitgebreide procedure. De rechtbank ziet om deze reden geen mogelijkheid om verweerder het gebrek in het bestreden besluit via een bestuurlijke lus te laten herstellen. De rechtbank zal daarom, in afwijking van wat op de zitting met partijen is besproken, volstaan met het vernietigen van het bestreden besluit en het opdragen aan verweerder om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast zal de rechtbank de reiskosten van € 15,60 toewijzen voor de bestuursleden die eiseres op de zitting hebben vertegenwoordigd. De kosten voor het aangetekend versturen van brieven van € 23,74 zijn geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 527,60.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.A. Bultena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden