Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:368

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
NL17.14752
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandeelhoudersschade. Specifieke zorgvuldigheidsnorm. Derdenwerking. Ernstig verwijt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/321
RO 2019/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

.

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL17.14752

Vonnis van 1 februari 2019

in de zaak van

1 de vennootschap naar Amerikaans recht
[eiseres sub 1] INC .,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Washington (Verenigde Staten van Amerika),
2. [eiser sub 2] ,
wonende te [woonplaats] , Washington (Verenigde Staten van Amerika),
eisers,

advocaat G.G.A.J.M. van Poppel te Utrecht,

tegen

1 [verweerder sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster sub 2] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerders,

advocaat H. Dulack te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] (eiseres onder 1), [eiser sub 2] (eiser onder 2), [eisers c.s.] (beide eisers), [verweerder sub 1] (verweerder onder 1), [verweerster sub 2] (verweerster onder 2) en [verweerders c.s.] (beide verweerders) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 21 juni 2018

  • -

    de akte van 3 oktober 2018 van [eisers c.s.]

  • -

    de akte van 14 november 2018 van [verweerders c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres sub 1] . [verweerder sub 1] is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster sub 2] , [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ) B.V . (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ).

2.2.

[eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 2] hebben op 4 juli 2013 een Joint Venture Agreement gesloten (hierna: de JVA). Het samenwerkingsverband was gericht op de verkoop van schaalmodellen van vrachtwagens, kranen en zware machines in Europa, het Midden‑Oosten en Afrika onder de merknaam [bedrijfsnaam 3]. Het accent lag daarbij op de verkoop van Caterpillar-schaalmodellen (hierna: de CAT‑modellen), waarvoor [eiseres sub 1] toen een licentie had (hierna: de CAT-licentie). [eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 2] hebben in het kader van hun samenwerkingsverband [bedrijfsnaam 3] B.V. opgericht (hierna: [bedrijfsnaam 3] ). [verweerster sub 2] is bestuurder van [bedrijfsnaam 3] geworden en [eiser sub 2] commissaris. [eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 2] zijn ieder voor 50% aandeelhouder van [bedrijfsnaam 3] .

2.3.

[bedrijfsnaam 3] en [verweerster sub 2] hebben op 4 juli 2013 een managementovereenkomst gesloten. Artikel 2.3 van de managementovereenkomst luidt: “The Manager shall perform its duties properly, diligently and faithfully, and to the best of its ability in a manner conducive to the best interest of the Company and its shareholders”.

2.4.

[eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 2] hebben bij de oprichting van [bedrijfsnaam 3] ieder € 90.000,- in [bedrijfsnaam 3] ingebracht en op 31 maart 2014 ieder $ 35.000,-. Rabobank heeft in februari 2015 een bedrag van in totaal € 250.000,- aan [bedrijfsnaam 3] geleend. [eiser sub 2] en [verweerder sub 1] hebben zich ieder voor een bedrag van € 50.000,- tegenover Rabobank borg gesteld voor terugbetaling van de lening.

2.5.

[bedrijfsnaam 4] (hierna: [bedrijfsnaam 4] ), een vennootschap die in China schaalmodellen produceert, was tot in 2015 de belangrijkste leverancier van [bedrijfsnaam 3] . [eiser sub 2] en zijn echtgenote waren toen de enige aandeelhouders van [bedrijfsnaam 4] .

2.6.

[eiseres sub 1] heeft de CAT-licentie in april 2015 verkocht.

2.7.

[eiser sub 2] is op 2 september 2015 als commissaris van [bedrijfsnaam 3] afgetreden. [verweerder sub 1] heeft vanaf 9 september 2015 via [bedrijfsnaam 1] schaalmodellen onder de merknaam [merknaam] verkocht die daarvóór door [bedrijfsnaam 3] onder de merknaam [bedrijfsnaam 3] werden verkocht.

2.8.

[verweerster sub 2] heeft op 11 augustus 2017 surséance van betaling aangevraagd. [bedrijfsnaam 3] is op 15 augustus 2017 failliet verklaard.

3 Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] vordert, samengevat:

  1. voor recht te verklaren dat [verweerders c.s.] door de verkoop van schaalmodellen via [bedrijfsnaam 1] een corporate opportunity van [bedrijfsnaam 3] voor zichzelf heeft aangewend, dat dit onrechtmatig tegenover [eisers c.s.] is en dat [verweerders c.s.] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW,

  2. voor recht te verklaren dat [verweerders c.s.] is tekortgeschoten in de uitvoering van de managementovereenkomst, dat dit op grond van derdenwerking onrechtmatig is tegenover [eisers c.s.] door het profiteren daarvan en dat [verweerders c.s.] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW,

  3. voor recht te verklaren dat [verweerders c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld door klantinformatie van [bedrijfsnaam 3] over te hevelen naar [bedrijfsnaam 1] en dat [verweerders c.s.] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW,

  4. voor recht te verklaren dat [verweerders c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld door voor [bedrijfsnaam 3] surséance van betaling aan te vragen zonder de instemming van [eisers c.s.] en dat [verweerders c.s.] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW,

  5. voor recht te verklaren dat [verweerders c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld door [eisers c.s.] onvoldoende dan wel misleidende informatie ten aanzien van [bedrijfsnaam 3] te verschaffen en dat [verweerders c.s.] hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW,

  6. [verweerders c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van schade, op te maken bij staat,

  7. [verweerders c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten, met rente en nakosten.

3.2.

[verweerders c.s.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers c.s.] , met veroordeling van [eisers c.s.] in de proceskosten, met rente en nakosten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht

4.1.

[eiseres sub 1] is niet gevestigd in Nederland en [eiser sub 2] woont niet in Nederland. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Omdat [verweerder sub 1] in Nederland woont en [verweerster sub 2] in Nederland is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 4 lid 1 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012).

Toepasselijk recht

4.2.

Partijen hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 14 lid 1 onder a van de Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) Nederlands recht toepassen.

Afgeleide schade

4.3.

[eisers c.s.] vordert onder F afgeleide schade, schade die hij als (indirect) aandeelhouder van [bedrijfsnaam 3] heeft geleden door het faillissement van [bedrijfsnaam 3] . De schade bestaat volgens [eisers c.s.] uit investeringen die hij in [bedrijfsnaam 3] heeft gedaan, uit de borgstelling van [eiser sub 2] die door de bank zal worden uitgewonnen en uit gederfde winst van [bedrijfsnaam 3] . [eisers c.s.] vindt dat [verweerders c.s.] aansprakelijk is voor de schade. [verweerders c.s.] valt, aldus [eisers c.s.] , als (indirect) bestuurder van [bedrijfsnaam 3] een ernstig verwijt te maken van het handelen en/of nalaten zoals beschreven onder de vorderingen A tot en met E. Tussen dit handelen en/of nalaten en het faillissement van [bedrijfsnaam 3] bestaat een causaal verband.

4.4.

Een derde is aansprakelijk voor afgeleide schade (aandeelhoudersschade) als die derde tegenover de aandeelhouder(s) een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden

( [achternaam 1] /ABP, Hoge Raad 2 december 1994, NJ 1995, 288). Dat geldt ook als die derde een bestuurder is van die vennootschap ( [bedrijfsnaam 5] , Hoge Raad 16 februari 2007, NJ 2007, 256). Als een bestuurder van een vennootschap een specifieke zorgvuldigheidsnorm tegenover een aandeelhouder van die vennootschap schendt, bijvoorbeeld doordat hij handelt in strijd met statutaire bepalingen die een individuele aandeelhouder beogen te beschermen, is die bestuurder alleen aansprakelijk als hem van die schending een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De vraag of sprake is van een ernstig verwijt moet op dezelfde manier worden beantwoord als de vraag of een bestuurder tegenover de vennootschap waarvan hij bestuurder is met toepassing van artikel 2:9 BW een ernstig verwijt valt te maken (NOM/ [bedrijfsnaam 6] , Hoge Raad 20 juni 2008, NJ 2009, 21). Dus aan de hand van alle omstandigheden van het geval ( [achternaam 2] / [bedrijfsnaam 7] , Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997, 360).

4.5.

De hiervoor genoemde rechtsregels brengen mee dat bestuurder [verweerster sub 2] aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die [eiseres sub 1] als aandeelhouder lijdt als (i) [verweerster sub 2] een specifieke zorgvuldigheidsnorm tegenover [eiseres sub 1] heeft geschonden en (ii) als haar van die schending een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als dat zo is, is [verweerder sub 1] als bestuurder van [verweerster sub 2] hoofdelijk aansprakelijk voor schade waarvoor [verweerster sub 2] als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] aansprakelijk is. Dit volgt uit artikel 2:11 BW. De rechtbank merkt hierbij verder op dat een vorderingsrecht van [eiseres sub 1] in de hiervoor bedoelde zin niet een vorderingsrecht meebrengt voor [eiser sub 2] als aandeelhouder van [eiseres sub 1] .

4.6.

[eiser sub 2] kan zijn schade, namelijk de schade ten gevolge van het uitwinnen van de borgstelling, op grond van ‘gewone’ bestuurdersaansprakelijkheid vorderen. [eiser sub 2] heeft na uitwinning van de borgstelling immers een vordering op [bedrijfsnaam 3] ter hoogte van het uitgewonnen bedrag, vermeerderd met rente en kosten (artikel 7:866 BW). Die vordering kan zij niet op [bedrijfsnaam 3] verhalen. [verweerster sub 2] is in dat geval als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] aansprakelijk als haar van de benadeling van [eiser sub 2] als borg een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of aan het vereiste onder (i) wordt voldaan, een vereiste voor de door [eiseres sub 1] gestelde aandeelhoudersschade.

Specifieke zorgvuldigheidsnorm?

4.7.

De eerste vraag is of er een zorgvuldigheidsnorm tussen bestuurder [verweerster sub 2] en aandeelhouder [eiseres sub 1] heeft bestaan. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De rechtbank licht dit hierna toe.

4.8.

In artikel 4.2 van de JVA staat dat [verweerster sub 2] direct na oprichting van de vennootschap ( [bedrijfsnaam 3] ) met [bedrijfsnaam 3] een managementovereenkomst zal sluiten zoals aangehecht als bijlage 5. Die bijlage is de managementovereenkomst die [verweerster sub 2] en [bedrijfsnaam 3] korte tijd later hebben gesloten. In artikel 2.3. van de managementovereenkomst staat (vanuit het Engels vertaald) dat de bestuurder zijn taak zorgvuldig, ijverig en trouw en naar het beste van zijn kunnen uitvoert op een manier die bevorderlijk is voor het belang van de vennootschap en haar aandeelhouders1. Dit is een specifieke zorgvuldigheidsnorm, voor zover deze bepaalt dat de bestuurder zijn taak uitvoert op een manier die bevorderlijk is voor het belang van de aandeelhouders van [bedrijfsnaam 3] . Immers, op grond van artikel 2:239 lid 5 BW moet een bestuurder zich bij de vervulling van zijn taak richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. In afwijking van deze bepaling moest [verweerster sub 2] zich op grond van artikel 2.3 van de managementovereenkomst bij de uitoefening van haar taak als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] ook richten op de belangen van de aandeelhouders, waaronder [eiseres sub 1] . Hoewel [eiseres sub 1] geen partij is bij de managementovereenkomst, geldt deze zorgvuldigheidsnorm toch tussen haar en [verweerster sub 2] . [eisers c.s.] doet in dit verband een geslaagd beroep op derdenwerking. De rechtbank legt dat hierna uit.

4.9.

Voor derdenwerking van een beding in een overeenkomst gelden twee vereisten. Het eerste vereiste is dat de overeenkomst een beding bevat met de strekking dat een derde een prestatie van een van de partijen bij de overeenkomst kan vorderen of op andere wijze tegenover een van hen een beroep op de overeenkomst kan doen. Aan dit vereiste is voldaan. [eiseres sub 1] is aandeelhouder van [bedrijfsnaam 3] en kan zich daarom als derde tegenover [verweerster sub 2] , een van de partijen bij de managementovereenkomst, beroepen op de in artikel 2.3 omschreven zorgvuldigheidsnorm. Het tweede vereiste is dat de derde het beding aanvaardt door een verklaring gericht tot een van de beide andere betrokkenen. Ook hieraan is voldaan. [eiser sub 2] en [verweerder sub 1] hebben ter zitting verklaard dat zij, voordat de JVA en de managementovereenkomst werden gesloten, over artikel 2.3 hebben gesproken. Daarbij is niet van belang dat niet uitgebreid over artikel 2.3 zou zijn gesproken zoals [verweerders c.s.] heeft opgemerkt in zijn brief van 3 juli 2018, in reactie op het buiten aanwezigheid van partijen opgestelde proces-verbaal van de zitting. Artikel 2.3 is aan de orde geweest. Verder is de JVA, met als bijlage 5 de te sluiten managementovereenkomst, tussen [eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 2] gesloten, waarbij [verweerster sub 2] namens [bedrijfsnaam 2] heeft ondertekend. Doordat [eiseres sub 1] de JVA ook heeft ondertekend, heeft zij tegenover [verweerster sub 2] verklaard dat zij artikel 2.3 van de nog te sluiten managementovereenkomst, bij voorbaat aanvaardde.

4.10.

De volgende vragen zijn of [verweerster sub 2] de specifieke zorgvuldigheidsnorm tegenover [eiseres sub 1] heeft geschonden en, zo ja, of haar daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie 4.3). De rechtbank vindt dat bestuurder [verweerster sub 2] niet altijd heeft gehandeld op een manier die bevorderlijk was voor het belang van aandeelhouder [eiseres sub 1] en dat [verweerster sub 2] dus de zorgvuldigheidsnorm tegenover [eiseres sub 1] heeft geschonden. Van die schending valt [verweerster sub 2] echter gelet op de omstandigheden van het geval geen ernstig verwijt te maken. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.

Schending specifieke zorgvuldigheidsnorm

4.11.

[verweerster sub 2] heeft vanaf 9 september 2015 via [bedrijfsnaam 1] schaalmodellen onder de merknaam [merknaam] verkocht die daarvóór door [bedrijfsnaam 3] onder de merknaam [bedrijfsnaam 3] werden verkocht.

4.12.

Uit de stellingen van [verweerders c.s.] begrijpt de rechtbank verder het volgende. [bedrijfsnaam 3] verkocht tot 9 september 2015 (i) schaalmodellen waarvan zelf de verkooplicentie had en (ii) schaalmodellen waarvan [bedrijfsnaam 1] de verkooplicentie had maar die door [bedrijfsnaam 3] zijn ontwikkeld. De verkoopopbrengst van de eerste categorie kwam tot 9 september 2015 volledig toe aan [bedrijfsnaam 3] . [bedrijfsnaam 3] droeg voor de tweede categorie 10% van de winstmarge aan [bedrijfsnaam 1] af. De rest van de verkoopopbrengst van die tweede categorie, inclusief 90% van de winstmarge, kwam dus aan [bedrijfsnaam 3] toe. [verweerster sub 2] is vanaf 9 september 2015 beide categorieën via [bedrijfsnaam 1] gaan verkopen. Van de verkoopopbrengst van de eerste categorie schaalmodellen heeft [bedrijfsnaam 1] vanaf 9 september 2015 tot aan het faillissement de winstmarge aan [bedrijfsnaam 3] afgedragen. Het ging daarbij overigens alleen om de schaalmodellen die [bedrijfsnaam 3] al in China had ingekocht en verder om ( […] ) halffabricaten die nog in China lagen. De verkoopopbrengst van de tweede categorie schaalmodellen, dus de schaalmodellen waarvan [bedrijfsnaam 1] de verkooplicentie had maar die door [bedrijfsnaam 3] waren ontwikkeld, heeft [bedrijfsnaam 1] vanaf 9 september 2015 niet aan [bedrijfsnaam 3] afgedragen. Het gevolg daarvan was dat van die categorie 100% van de winstmarge, in plaats van 10%, in [bedrijfsnaam 1] terecht kwam.

4.13.

Hieruit volgt dat [verweerster sub 2] vanaf 9 september 2015 klanten van [bedrijfsnaam 3] en een groot deel van de inkomsten van [bedrijfsnaam 3] naar [bedrijfsnaam 1] heeft overgeheveld. Dit is een schending van de zorgvuldigheidsnorm zoals omschreven in artikel 2.3 van de managementovereenkomst. Ook met ander handelen of nalaten heeft [verweerster sub 2] de specifieke zorgvuldigheidsnorm geschonden. De rechtbank vindt het aannemelijk dat klanteninformatie van [bedrijfsnaam 3] is overgeheveld naar [bedrijfsnaam 1] , zoals [eisers c.s.] stelt. Voormelde verkoop door [bedrijfsnaam 1] is anders moeilijk voorstelbaar. Dat [bedrijfsnaam 3] vanaf haar oprichting juist alleen maar klanteninformatie van [bedrijfsnaam 1] zou hebben gebruikt, zoals [verweerders c.s.] stelt, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het overhevelen van klanteninformatie van [bedrijfsnaam 3] naar [bedrijfsnaam 1] , toe te rekenen aan [verweerster sub 2] , was niet in het belang van [bedrijfsnaam 3] of haar aandeelhouders. Verder heeft [verweerster sub 2] , zo staat onbetwist vast, zonder goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders op 11 augustus 2017 surséance van betaling voor [bedrijfsnaam 3] aangevraagd. Dit is in strijd met artikel p. (in samenhang met de aanhef) van de List of consent matters, bijlage 3 bij de JVA, een artikel dat het belang van de aandeelhouders beoogt te beschermen. De rechtbank vindt het tot slot aannemelijk dat [verweerster sub 2] [eiseres sub 1] in 2017 een aantal malen te laat en te onvolledig van (financiële) informatie heeft voorzien. [verweerders c.s.] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Ook dit handelen of nalaten was niet in het belang van aandeelhouder [eiseres sub 1] .

Geen ernstig verwijt

4.14.

[verweerster sub 2] valt echter geen ernstig verwijt te maken van voormelde schendingen van de zorgvuldigheidsnorm. De rechtbank vindt hierbij de volgende omstandigheden, waaronder met name de rol die [eisers c.s.] heeft gespeeld, van belang.

Liquiditeitsproblemen

4.15.

De rechtbank gaat ervan uit dat liquiditeitsproblemen de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam 3] ernstig bemoeilijkten, zoals [verweerders c.s.] stelt. [bedrijfsnaam 3] heeft vanaf haar oprichting medio 2013 vrijwel voortdurend liquiditeitsproblemen gehad. Het werkkapitaal van [bedrijfsnaam 3] was aan het eind van 2013 al € 94.618,- negatief. [eiseres sub 1] en [bedrijfsnaam 2] hebben in maart 2014 ieder $ 35.000,- extra in [bedrijfsnaam 3] moeten investeren. Desondanks is het werkkapitaal van [bedrijfsnaam 3] in 2014 gedaald naar € 190.740,- negatief. Dit blijkt uit de overgelegde jaarstukken. Verder heeft de lening van € 250.000,- in februari 2015 de liquiditeitsproblemen van [bedrijfsnaam 3] slechts zeer tijdelijk verminderd. Al in maart 2015 heeft [bedrijfsnaam 3] een groot deel daarvan aan [bedrijfsnaam 4] moeten betalen. [eisers c.s.] heeft dit niet gemotiveerd betwist. De betaling aan [bedrijfsnaam 4] was overigens een voorwaarde van [eiser sub 2] voor zijn instemming met de lening.

Productieproblemen bij [bedrijfsnaam 4]

4.16.

, een vennootschap van [eiser sub 2] en zijn echtgenote, was vanaf de oprichting van [bedrijfsnaam 3] de belangrijkste leverancier van [bedrijfsnaam 3] . Er waren productieproblemen bij [bedrijfsnaam 4] die de bedrijfsvoering van [bedrijfsnaam 3] in negatieve zin raakten. [bedrijfsnaam 4] leverde schaalmodellen met grote vertraging aan [bedrijfsnaam 3] uit. Ook was de kwaliteit van door [bedrijfsnaam 4] geleverde schaalmodellen vaak niet goed. Klanten van [bedrijfsnaam 3] klaagden regelmatig over defecten aan schaalmodellen die door [bedrijfsnaam 4] aan [bedrijfsnaam 3] waren geleverd, zo stelt [verweerders c.s.] [eisers c.s.] heeft dit niet gemotiveerd betwist. [eisers c.s.] heeft ter zitting erkend dat er kwaliteitsproblemen waren in 2013 en in 2014, met name bij schaalmodellen die net waren geïntroduceerd. Verder heeft [B] , een van de belangrijkste klanten van [bedrijfsnaam 3] , door de productieproblemen het vertrouwen in [bedrijfsnaam 3] verloren en twee licentieovereenkomsten voor de ontwikkeling, de productie en de verkoop van [B] -schaalmodellen opgezegd. Dit blijkt uit de opzeggingsbrief van 17 augustus 2015 van [B] .

Geen toegang (meer) tot [naam producent]

4.17.

Producent [naam producent] was een belangrijke leverancier van [bedrijfsnaam 4] en leverde ook rechtstreeks aan [bedrijfsnaam 3] . [bedrijfsnaam 3] wilde vanwege de leveringsproblemen bij [bedrijfsnaam 4] een groter deel van haar schaalmodellen rechtsreeks afnemen van [naam producent] . Dit kon niet, mede door toedoen van [eisers c.s.] Zo had [bedrijfsnaam 4] negen van de tien mallen van [bedrijfsnaam 3] (en mallen zijn nodig om schaalmodellen te kunnen produceren). Die mallen werden, zo begrijpt de rechtbank, lange(re) tijd niet afgegeven aan [bedrijfsnaam 3] . Daarnaast heeft [eiser sub 2] begin 2015 van [bedrijfsnaam 3] geëist dat zij [naam producent] niet meer als producent zou gebruiken. [bedrijfsnaam 3] heeft aan die eis moeten voldoen.

Verkoop CAT-licentie

4.18.

Bij een e-mailwisseling tussen [A] , financieel manager van [bedrijfsnaam 3] , en [eiser sub 2] over een op een offerte genoemde kostprijs meldt [eiser sub 2] in een e-mail van 11 maart 2015: “I hate it so much I reached a point I was (and still am) willing to let [bedrijfsnaam 3] die”. Op 10 april 2015 deelt [eiser sub 2] mee dat hij onderhandelt over de verkoop van de CAT‑licentie. In e-mails van 22 april 2015 en van 28 april 2015 deelt [eiser sub 2] aan [verweerder sub 1] mee dat hij geen voordelen meer ziet in het zijn van aandeelhouder van [bedrijfsnaam 3] . [verweerder sub 1] verzoekt [eiser sub 2] op 28 april 2015 dringend om de CAT-licentie niet te verkopen, omdat “it will kill [bedrijfsnaam 3] ”. [eiseres sub 1] ( [eiser sub 2] ) verkoopt desondanks in die tijd de CAT-licentie. [bedrijfsnaam 3] kan vanaf dat moment geen CAT-modellen meer verkopen. De negatieve financiële gevolgen hiervan voor [bedrijfsnaam 3] zijn erg groot:

 [bedrijfsnaam 3] boekte in 2014 een nettowinst van € 42.455 en in 2015 een verlies van € 186.823. De omzet van [bedrijfsnaam 3] was in 2014 € 1.166.132 en in 2015 € 1.349.942. Het aandeel in de omzet van de verkoop van CAT-modellen is gedaald van € 643.352,90 in 2014 tot € 187.682,52 in 2015. Als [eiseres sub 1] de CAT-licentie in april 2015 niet had verkocht dan zou de verkoop van CAT-modellen over het hele jaar 2015, geëxtrapoleerd en mede gelet op het totaalbedrag in 2014, waarschijnlijk € 600.000 of meer aan extra omzet hebben opgeleverd. Het verlies van [bedrijfsnaam 3] zou dan in ieder geval, mede gelet op de relatief grote winstmarge bij de verkoop van CAT-modellen, veel minder groot zijn geweest. Mogelijk zou zelfs winst zijn gemaakt en zou het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 3] aan het eind van 2015, in plaats van € 94.000 negatief, positief zijn geweest.

 [bedrijfsnaam 3] moest in 2015, na de verkoop van de CAT-licentie, voor dezelfde nettowinst als in 2014 een veel grotere omzet halen. De winstmarge bij de verkoop van CAT-modellen was namelijk veel groter (85%) dan bij de verkoop van andere schaalmodellen (40%).

 Het wegvallen van de verkoop van de CAT-modellen had ook grote gevolgen voor de liquiditeitspositie van [bedrijfsnaam 3] . Die werd nog slechter. Er konden daardoor nog minder investeringen worden gedaan. Die investeringen waren door het wegvallen van een groot deel van de omzet juist noodzakelijk.

 Uit de opzeggingsbrief van 17 augustus 2015 van [B] blijkt dat haar verlies van vertrouwen in [bedrijfsnaam 3] ook te maken heeft met het wegvallen van de CAT-licentie. Anders dan [eisers c.s.] stelt, blijkt uit de door haar overgelegde e-mail van 13 oktober 2015 van [B] aan [bedrijfsnaam 3] niet dat [B] [bedrijfsnaam 3] is blijven vertrouwen. De e‑mail heeft alleen maar betrekking op een bestelling van [bedrijfsnaam 3] bij [B] .

Periode vanaf september 2015

4.19.

[verweerster sub 2] heeft vanaf september 2015 gepoogd om [bedrijfsnaam 3] op de been te houden. Dit is ook lange tijd gelukt. [bedrijfsnaam 1] heeft tot aan het faillissement van [bedrijfsnaam 3] de volle winstmarge over de verkoop van schaalmodellen waarvoor [bedrijfsnaam 3] de licentie had, aan [bedrijfsnaam 3] betaald. Ook heeft [verweerster sub 2] op 6 november 2015 via [bedrijfsnaam 1] een bedrag van € 40.000 aan [bedrijfsnaam 3] geleend. Dit blijkt uit de door [verweerders c.s.] overgelegde leningsovereenkomst. Daarnaast heeft [verweerster sub 2] in 2016 de kortlopende schulden van [bedrijfsnaam 3] verminderd van € 412.407 tot 217.587 en de langlopende schulden van € 131.250 tot € 93.750. Over het jaar 2016 heeft [bedrijfsnaam 3] zelfs nog een nettowinst van € 6.852 behaald. Deze bedragen blijken uit de jaarrekening van 2016.

4.20.

Hier staat tegenover dat [bedrijfsnaam 4] ( [eiser sub 2] ) in januari 2016 mallen van [bedrijfsnaam 3] heeft achtergehouden en, zo blijkt uit e-mails van 19 en 20 januari 2016, een levering van schaalmodellen uit China heeft tegengehouden.

Samengevat

4.21.

Vanaf begin 2015 zag [eiser sub 2] geen toekomst meer in [bedrijfsnaam 3] en hij heeft het [verweerster sub 2] / [verweerder sub 1] als (indirect) bestuurder van [bedrijfsnaam 3] sindsdien uitermate moeilijk gemaakt. [eiser sub 2] wist dat de leveranties van zijn vennootschap [bedrijfsnaam 4] grote problemen voor [bedrijfsnaam 3] veroorzaakten en dat [verweerder sub 1] daarom af wilde van [bedrijfsnaam 4] als leverancier van [bedrijfsnaam 3] . [eiser sub 2] maakte dat [bedrijfsnaam 3] heel moeilijk door te eisen dat [bedrijfsnaam 3] geen gebruik meer zou maken van [naam producent] . In maart 2015 deelde [eiser sub 2] mee dat hij bereid was “to let [bedrijfsnaam 3] die”. Daar heeft hij ook zijn best voor gedaan door de CAT-licentie te verkopen. Die verkoop was een zware klap voor [bedrijfsnaam 3] en voor [verweerder sub 1] , en [eiser sub 2] wist dat. Bij de oprichting van [bedrijfsnaam 3] was het voornaamste doel van de samenwerking immers om de [eiseres sub 1] -schaalmodellen die vielen onder de CAT‑licentie in (met name) Europa te verkopen. De omzet van [bedrijfsnaam 3] bestond in 2014 voor ongeveer de helft uit de verkoop van CAT-modellen. En ook voor [verweerder sub 1] was het duidelijk dat de verkoop van de CAT‑licentie grote gevolgen had voor [bedrijfsnaam 3] : “it will kill [bedrijfsnaam 3] ”. De aandelen van [eiseres sub 1] ( [eiser sub 2] ) en [bedrijfsnaam 2] ( [verweerder sub 1] ) in [bedrijfsnaam 3] waren medio 2015 waardeloos. Hierna heeft ook [verweerder sub 1] [bedrijfsnaam 3] een grote klap toegebracht door vanaf september 2015 via [bedrijfsnaam 1] schaalmodellen te verkopen die daarvóór door [bedrijfsnaam 3] werden verkocht en de verkoopopbrengst op de door [bedrijfsnaam 3] ontwikkelde schaalmodellen (waarvoor [bedrijfsnaam 1] de verkooplicentie had) in [bedrijfsnaam 1] te laten vallen. Hierdoor zijn de aandelen waardeloos gebleven.

Conclusie

4.22.

[eiseres sub 1] ( [eiser sub 2] ) en [verweerster sub 2] ( [verweerder sub 1] ) hebben een vergelijkbaar aandeel in het faillissement van [bedrijfsnaam 3] , maar het initiatief daarvoor lag bij [eiser sub 2] en [verweerder sub 1] heeft daarop gereageerd. Als we ons voorstellen dat [bedrijfsnaam 3] een mens was, kan de gang van zaken als volgt worden beschreven. Begin 2015 kwam [eiser sub 2] tot de conclusie dat hij geen toekomst meer zag in [bedrijfsnaam 3] . Hij heeft [bedrijfsnaam 3] toen eerst in een hoek gedreven door te eisen dat [bedrijfsnaam 3] haar schaalmodellen niet door [naam producent] liet produceren. Vervolgens heeft hij [bedrijfsnaam 3] met een pistool in het bovenlichaam neergeschoten door de CAT‑licentie te verkopen. Hierna heeft ook [verweerder sub 1] een pistoolschot op het bovenlichaam van [bedrijfsnaam 3] afgevuurd door via [bedrijfsnaam 1] de schaalmodellen van [bedrijfsnaam 3] te gaan verkopen, maar heeft hij haar nog langdurig verzorgd tot zij is overleden.

4.23.

[eiser sub 2] heeft zich zeer onzorgvuldig gedragen tegenover [verweerder sub 1] . Voor zover het desondanks niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres sub 1] als aandeelhouder een beroep doet op de specifieke zorgvuldigheidsnorm die op [verweerster sub 2] rustte, valt [verweerster sub 2] van haar handelen tegenover [eiseres sub 1] in ieder geval geen ernstig verwijt te maken. Het laatste geldt ook tegenover [eiser sub 2] als borg. [verweerster sub 2] valt geen ernstig verwijt te maken van de benadeling van [eiser sub 2] door de uitwinning van de borgstelling. De vorderingen worden dus afgewezen.

Proceskosten

4.24.

[eisers c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerders c.s.] worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 1.357,50 (2,5 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.975,50

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerders c.s.] tot op heden begroot op € 1.975,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisers c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, bijgestaan door mr. H.G. van Soolingen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.

1 Cursivering door de rechtbank.