Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3679

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
484526 / HA RK 19-198
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 484526 / HA RK 19-198

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

6 augustus 2019 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoekster),

Advocaat: mr. K.R. Koopman.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 17 juli 2019 in de zaken met zaaknummers/rekestnummers:

C/16/480944/ FO RK 19-729,

C/16/447294/ FO RK 17-1608,

C/16/477604/ JE RK 19-523,

C/16/482197/JE RK 19-1117,

- de schriftelijke reactie van de gewraakte rechter;

- de schriftelijke reactie van verzoekster;

- schriftelijke reactie van de belanghebbende [A] (hierna: de vader)

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 23 juli 2019 achter gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn de advocaat van verzoekster en de moeder van verzoekster (hierna: de oma) verschenen. De rechter is met voorafgaand bericht niet verschenen. Als belanghebbende is verschenen mevrouw [B] , werkzaam bij de Gecertificeerde Instelling (GI) Samen Veilig Midden Nederland

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. E.A.A. van Kalveen als behandelend kinderrechter (hierna: de rechter) in de hiervoor in 1.1 genoemde procedures die betrekking hebben op de minderjarige dochter van verzoekster (hierna: de dochter). Verzoekster heeft de rechter eerder gewraakt in de procedure met nummer C/16/477604/ JE RK 19-523. Dat wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer bij beslissing van 15 mei 2019 ongegrond verklaard.

2.2.

De zitting van 17 juli 2019 ging over ondertoezichtstelling van de dochter, de verdeling van de opvoedings- en verzorgingstaken en bepaling van het hoofdverblijf. Verzoekster was zelf niet bij die zitting aanwezig. De advocaat van verzoekster heeft de rechter tijdens die zitting namens verzoekster gewraakt. In de brief van 21 juli 2019 is het wrakingsverzoek nader toegelicht en is meegedeeld dat het gaat om de volgende punten:

1. de rechter heeft geen gevolg gegeven aan het voorafgaand aan de zitting ingediende verzoek van verzoekster om zich te verschonen;

2. de uitlating van de rechter ter zitting van 17 juli 2019 dat zij zich mateloos stoort aan het feit dat verzoekster (telkens) niet op de zitting is verschenen;

3. de rechter weigert (op voorhand) een beslissing te nemen om oma aan te merken als belanghebbende;

4. de rechter weigert (op voorhand) de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer;

5. de rechter heeft zichzelf op meerdere zittingen gepland en heeft diverse beschikkingen gegeven en lijkt hiermee onlosmakelijk aan de zaak verbonden te zijn;

6. de rechter heeft (eerder) bedenkelijke uitlatingen gedaan op zitting (waaronder “hardnekkige weigering”, “ziekelijke angst”);

7. de rechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd bij beschikking van 21 juni 2019, zonder partijen daarin te kennen;

8. de rechter heeft - nadat zij is gewraakt - de ondertoezichtstelling voor de duur van twee maanden verlengd.

2.3.

De rechter heeft niet in de wraking berust. In haar schriftelijke reactie heeft zij uitgelegd dat - op grond van het “Visiedocument rechtspraak” en de “professionele standaarden familie- en jeugdrecht” - het uitgangspunt is dat er zo veel mogelijk naar wordt gestreefd één rechter alle procedures over één minderjarige en/of zijn ouders te laten behandelen. Op basis van deze uitgangspunten worden nieuwe zaken toebedeeld aan de rechter die reeds betrokken is (geweest) bij een minderjarige. Over de inhoud van de zaak heeft de rechter naar voren gebracht dat zij ter zitting van 17 juli 2019 heeft aangegeven dat zij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet naar de meervoudige kamer zou verwijzen en dat zij in die zaak heeft geoordeeld dat de procespositie van oma die van informant is. Over het verzoek tot het vaststellen van een contactregeling tussen de vader en de dochter en het verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf bij de vader heeft zij naar voren gebracht dat zij deze zaken in elk geval enkelvoudig wilde aanvangen en dat zij een beslissing over een verwijzing naar de meervoudige kamer in een later stadium wilde geven. Volgens de rechter maakt het enkele feit dat zij haar teleurstelling over het feit dat verzoekster niet was verschenen op de zitting op niet geheel passende wijze heeft geuit en dit vervolgens meteen heeft gecorrigeerd, niet dat er sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan. Zij betreurde de afwezigheid van de moeder omdat zij in deze zaak zowel met vader als met moeder in gesprek wilde komen. Wat betreft haar uiting in een eerdere zitting wijst de rechter erop dat zij niet heeft gezegd dat de angst van verzoekster om ter zitting te verschijnen ziekelijk is, maar dat zij heeft gezegd dat deze bijna ziekelijk lijkt. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de wrakingskamer van 15 mei 2019 naar aanleiding van het eerdere wrakingsverzoek van verzoekster.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Artikel 37 lid 1 Rv bepaalt dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Een aantal van de wrakingsgronden die verzoekster noemt, was haar al eerder bekend en had dus in beginsel eerder naar voren moeten worden gebracht. Niettemin begrijpt de wrakingskamer het wrakingsverzoek zo dat al deze omstandigheden tezamen voor verzoekster maken dat de rechter vooringenomen is c.q. lijkt te zijn. De wrakingskamer zal de wrakingsgronden dan ook bespreken.

3.3.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.4.

Persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter tegenover verzoekster is niet gesteld of gebleken. Onderzocht moet daarom worden of uit het optreden van de rechter blijkt dat zij vooringenomen is of dat zij die schijn heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat niet het geval.

de uitlatingen van de rechter

3.5.

De uitlatingen “hardnekkige weigering” en “ziekelijke angst” waar verzoekster haar wrakingsverzoek (mede) op baseert, heeft de rechter gedaan tijdens de zitting van 19 april 2019. Naar aanleiding van de gebeurtenissen op die zitting heeft verzoekster haar eerste wrakingsverzoek ingediend en op dat verzoek heeft de wrakingskamer in de beslissing van 15 mei 2019 beslist. Deze bezwaren kunnen nu niet meer als zelfstandige wrakingsgrond aan de orde komen. De wrakingskamer zal deze wrakingsgrond wel in samenhang beschouwen met de uitlatingen tijdens de zitting van 17 juli 2019.

3.6.

Het proces-verbaal van de zitting van 17 juli 2019 vermeldt:

“Kr: de vragen vooraf van de moeder, verschoning, zie ik geen aanleiding toe, De vraag of oma belanghebbende is: er liggen een aantal verzoeken. Per verzoek zal ik dat bepalen, het beïnvloedt nu op zitting niet de positie van oma. Belangrijk is of u in HB beroep kunt, maar dat beslist toch het Hof

Advocaat moeder: ik wil dat niet door het Hof laten bepalen.

Kr: ik wil eerst de standpunten horen en dan zal ik daarop beslissen.

Advocaat moeder: oma heeft een andere positie als informant, ook omdat moeder er niet is.

Kr: dat stoort me ook mateloos dat moeder er niet is, dat moet ik niet zo zeggen. In het verzoek tot wijziging hoofdverblijf zit de crux, daar kan ik nog niets over zeggen, het verzoek tot verwijzing naar de MK dat ligt ook per verzoek anders, ook daar wil ik de standpunten van iedereen over horen, Van het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf kan ik me voorstellen dat er een verwijzing wordt gevraagd. Wat vindt u?

(…)

3.7.

De uitlating van de rechter dat het haar mateloos stoort dat verzoekster niet ter zitting is verschenen, moet worden bezien in de context van de gehele procedure en van de gang van zaken ter zitting. Het uitgangspunt bij procedures is dat partijen bij de zitting aanwezig zijn. De wetgever heeft rechters dan ook de bevoegdheid gegeven de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen (artikel 279 lid 3 Rv). Dit uitgangspunt geldt zéker voor de aanwezigheid van ouders bij zittingen in het familierecht waarin de belangen van hun kind aan de orde zijn. Aan de aanwezigheid van de ouders wordt groot belang gehecht. Verzoekster is bij geen van de zittingen die gingen over haar dochter aanwezig geweest. De rechter had het belang van de aanwezigheid van verzoekster al tijdens een eerdere zitting aan de orde gesteld en in de beslissing van de wrakingskamer van 15 mei 2019 is daarover overwogen:

“De wrakingskamer leest het proces-verbaal aldus dat de uitlating van de rechter ziet op de angst bij moeder om ter zitting te verschijnen. Voor de door de rechter te nemen beslissingen in de procedure is het beginsel van hoor en wederhoor van belang. Dat betekent dat de rechter ter zitting met zowel de vader als moeder in gesprek wil komen om in het kader van de juridische zorgvuldigheid alle van belang zijnde feiten en omstandigheden mee te kunnen wegen. De rechter biedt blijkens het proces-verbaal ook mogelijkheden om aan de angst van moeder tegemoet te komen, zodat moeder aanwezig kan zijn en haar gronden voor weigering tot omgang ter zitting kenbaar kan maken.”

Onder deze omstandigheden, waarbij zowel door de rechter als door de wrakingskamer in de beslissing van 15 mei 2019 is benadrukt dat verschijning ter zitting van belang is en bovendien is uitgelegd waarom dat belang zo groot is, is de uitlating van de rechter te zien als uiting van teleurstelling dat verzoekster weer niet was verschenen. Het feit dat zij haar teleurstelling op een voor iedereen duidelijke wijze heeft geuit, betekent niet dat zij vooringenomen is ten opzichte van verzoekster en ook niet dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. In haar reactie op het wrakingsverzoek heeft de rechter benadrukt dat het haar er juist om gaat met zowel de vader als de moeder in gesprek te komen.

het plannen van de zittingen

3.8.

Het “Visiedocument Rechtspraak (echt)scheiding ouders met kinderen (gepubliceerd op rechtspraak.nl) vermeldt op pagina 15:

“Als basisregel geldt dat - uit oogpunt van adequate regievoering - procedures die één familie c.q. gezin betreffen, door één rechter worden behandeld. Ook dienen waar mogelijk lopende zaken betreffende een minderjarige en/of zijn ouders gecombineerd behandeld te worden. Aangehouden zaken volgen de rechter.”

Het beleid van deze rechtbank is dat ernaar wordt gestreefd dat zaken over de kinderen uit een bepaald gezin steeds worden behandeld door dezelfde rechter. Dat de rechter alle familierechtelijke procedures behandelt, die gaan over de dochter en dat die procedures steeds worden gepland op de zittingen van de rechter is gebaseerd op dit beleid en heeft niets te maken met enige vooringenomenheid van de rechter ten opzichte van verzoekster.

het (niet) nemen van beslissingen door de rechter

3.9.

Het uitgangspunt is dat de rechter de regie heeft van de zitting en dat zij bepaalt hoe zij de zitting indeelt, op welke punten zij verduidelijking wil en welke informatie zij nodig heeft om een goede beslissing te kunnen nemen. De beslissing van de rechter om niet op voorhand te beslissen op de verzoeken om oma aan te merken als belanghebbende en/of de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen is zo’n beslissing over de regie van de zaak. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter aan partijen heeft uitgelegd dat zij deze verzoeken voor elk van de aan de orde zijnde onderwerpen van het geschil afzonderlijk wil beoordelen. De wrakingskamer ziet in deze gang van zaken ter zitting geen aanknopingspunt om te oordelen dat het handelen van de rechter zou zijn ingegeven door een gebrek aan onpartijdigheid of vooringenomenheid ten opzichte van een van beide partijen. Nadat partijen hun mening hadden gegeven over de verwijzing naar de meervoudige kamer en de rechter aangaf dat zij eerst met partijen in gesprek wilde, heeft verzoekster de rechter gewraakt. Daardoor is de rechter niet toegekomen aan een beslissing op deze punten.

de beslissing om de ondertoezichtstelling te verlengen zonder partijen te horen

3.10.

Op 21 juni 2019 heeft de rechter de ondertoezichtstelling van de dochter verlengd tot 18 juli 2019 zonder partijen daarover te horen. In de motivering van de beschikking is te lezen dat de ondertoezichtstelling liep tot 5 juli 2019 en dat de zitting over (onder andere) het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling was gepland op 17 juli 2019 en een eerdere behandelingsdatum niet haalbaar bleek. De beslissing om de ondertoezichtstelling te verlengen zonder partijen te horen is een beslissing waartegen hoger beroep openstaat. De juistheid van zo’n beslissing kan in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Alleen als deze beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat deze beslissing alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid tegenover verzoeker, of dat zijn vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dat tot een ander oordeel leiden. Dat laatste is niet het geval. In de motivering van de beschikking is uitgelegd waarom de rechter tot deze korte verlenging beslist.

de beslissing om de ondertoezichtstelling te verlengen nadat de rechter was gewraakt

3.11.

Art. 37 lid 5 Rv bepaalt dat aanstonds na een verzoek tot wraking de behandeling van de hoofdzaak wordt geschorst. Deze schorsing duurt in beginsel voort totdat de wrakingskamer over het wrakingsverzoek heeft beslist.

3.12.

De ondertoezichtstelling van de dochter eindigde op 18 juli 2019, dus op de dag na de zitting waarop de verzoeken werden behandeld. De rechter heeft nadat zij was gewraakt de ondertoezichtstelling verlengd met twee maanden.

3.13.

Het bezwaar van verzoekster dat de rechter nadat zij was gewraakt geen beslissing mocht nemen over de verlenging van de ondertoezichtstelling kan niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Ook nadat om wraking is verzocht, mag de behandelend rechter, in afwachting van de behandeling van het wrakingsverzoek, nog (spoed)maatregelen nemen die geen uitstel gedogen of niet binnen de daarvoor gestelde termijn door andere rechters kunnen worden genomen (artikel 6.2 van het wrakingsprotocol van de rechtbank).

3.14.

De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter met haar beslissing om de ondertoezichtstelling te verlengen een spoedmaatregel heeft gegeven, om te voorkomen dat de termijn van de ondertoezichtstelling zou eindigen, voordat daarover een rechterlijke beslissing genomen kon worden. Dit punt laten beslissen door een andere rechter zoals verzoekster voorstelt was geen reële optie.

weigering zich te verschonen

3.15.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen was er voor de rechter geen reden om af te zien van de verdere behandeling van de zaken van verzoekster. De weigering zich te verschonen is dan ook geen grond voor wraking.

Slotsom

3.16.

De conclusie is dat de door verzoekster genoemde gronden, ook in hun onderlinge samenhang bezien, geen reden vormen om te oordelen dat de rechter vooringenomen is ten opzichte van verzoeker of dat zij de schijn daarvan heeft gewekt. Het verzoek moet dan ook ongegrond worden verklaard.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling familierecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedures van verzoekster met zaaknummers

C/16/480944/ FO RK 19-729,

C/16/447294/ FO RK 17-1608,

C/16/477604/ JE RK 19-523 en

C/16/482197/JE RK 19-1117

dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en mr. H.A. Bouwer en mr. R.M. Berendsen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.