Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3673

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
10-09-2019
Zaaknummer
NL18.3808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen bestuurdersaansprakelijkheid tegenover eiser (een derde). Niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.3808

Vonnis van 10 juli 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. E.S.R. Ester te Hillegom,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat mr. J. Witvoet te Doorn.

1 De procedure

Het procesdossier bestaat uit de procesinleiding, het verweerschrift, de akte vermeerdering van eis en twee aanvullende producties van [verweerder] . Op de mondelinge behandeling van 18 juni 2019 hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, waarna is bepaald dat er een uitspraak zou komen.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiseres] heeft een vordering op [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] betaalt deze vordering niet en de executoriale beslagen die [eiseres] heeft laten leggen hebben ook niet geleid tot voldoening. [eiseres] is deze zaak begonnen omdat zij haar schade wil verhalen op [verweerder] , de bestuurder van [bedrijfsnaam 1] .

2.2.

De vordering van [eiseres] op [bedrijfsnaam 1] heeft de volgende achtergrond. In 2014 heeft een procedure plaatsgevonden bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA) tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ). [bedrijfsnaam 2] had een vordering tegen [bedrijfsnaam 1] ingesteld en [bedrijfsnaam 1] een reconventionele vordering tegen [bedrijfsnaam 2] . Op 1 juli 2015 heeft RvA geoordeeld dat [bedrijfsnaam 1] € 79.129,63 aan [bedrijfsnaam 2] moest betalen, te vermeerderen met rente en kosten en heeft hij de reconventionele vordering van [bedrijfsnaam 1] afgewezen. [bedrijfsnaam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

2.3.

Terwijl de procedure in hoger beroep bij de RvA aanhangig was, is [bedrijfsnaam 2] failliet verklaard (op 29 september 2015). [bedrijfsnaam 2] had de vordering op [bedrijfsnaam 1] aan [eiseres] verpand. Daarom heeft [eiseres] de procedure bij de RvA in hoger beroep (in conventie) van [bedrijfsnaam 2] overgenomen. Op 13 september 2017 heeft de RvA (in hoger beroep) geoordeeld dat [bedrijfsnaam 1] € 114.497,63 aan [eiseres] moest betalen (in plaats van € 79.129,63), te vermeerderen met rente en kosten. Deze uitspraak is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan.

2.4.

[eiseres] en [verweerder] zijn het erover eens dat [bedrijfsnaam 1] de vordering niet kan betalen. Volgens [eiseres] valt dat de bestuurder van [bedrijfsnaam 1] , [verweerder] , aan te rekenen. [eiseres] maakt [verweerder] kort gezegd twee verwijten:

(1) het primaire standpunt van [eiseres] is dat [verweerder] de vennootschap [bedrijfsnaam 1] heeft leeggehaald terwijl er een procedure bij de RvA aanhangig was;

(2) subsidiair verwijt [eiseres] [verweerder] dat hij namens [bedrijfsnaam 1] hoger beroep heeft ingesteld tegen het arbitrale vonnis en dit hoger beroep ook heeft voortgezet, terwijl hij wist dat [bedrijfsnaam 1] geen verhaal zou bieden als zij in hoger beroep tot méér zou worden veroordeeld dan in eerste aanleg, en dat zij de proceskosten en executiekosten van [eiseres] niet zou kunnen voldoen.

2.5.

[eiseres] vordert primair betaling van € 137.537,99, bestaande uit de RvA-veroordeling in hoger beroep (€ 114.497,63), de kosten van de procedures bij de RvA en executiekosten, te vermeerderen met rente.

2.6.

Subsidiair vordert [eiseres] betaling van € 52.368,54, te vermeerderen met rente en kosten. Dit bedrag is opgebouwd uit het verschil tussen het vonnis in eerste aanleg en in hoger beroep (€ 35.368,00), de kosten van de RvA-procedure in hoger beroep, buitengerechtelijke kosten en executiekosten.

2.7.

Meer subsidiair vordert [eiseres] betaling van € 33.506,77, het bedrag aan kosten die zij heeft gemaakt als gevolg van het hoger beroep bij de RvA, plus rente en kosten.

2.8.

[verweerder] betwist dat hij verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] .

3 De beoordeling

Juridisch kader

3.1.

Deze zaak gaat over aansprakelijkheid van een bestuurder in privé ( [verweerder] ), voor de schulden van een vennootschap ( [bedrijfsnaam 1] ) tegenover een derde ( [eiseres] ). Daarvoor geldt het volgende juridische kader.

3.2.

Als een rechtspersoon wanprestatie pleegt of onrechtmatig handelt is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan behalve de rechtspersoon zelf, ook de bestuurder van die rechtspersoon daarvoor aansprakelijk zijn. Vereist is dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat zo is, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. De drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid tegenover een derde is hoog, omdat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon en omdat moet worden voorkomen dat bestuurders hun handelen teveel door defensieve overwegingen laten bepalen (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22 (RCI) en HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 ( [achternaam] /NOM)).

3.3.

Uit vaste rechtspraak blijkt dat sprake kan zijn van een ernstig verwijt als een bestuurder:

(1) namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan, terwijl hij bij het aangaan van de verbintenis wist of redelijkerwijze moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de ‘Beklamel’-norm),

(2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet nakomt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de (door hem bewerkstelligde of toegelaten) handelswijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet na zou komen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor optredende schade.

3.4.

De verwijten van [eiseres] zullen hierna in het licht van dit juridische kader worden besproken.

Primair verwijt

3.5.

Het primaire verwijt (en de primaire vordering) van [eiseres] is gebaseerd op de hierboven genoemde situatie (2), dat een bestuurder heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt.

3.6.

[eiseres] voert daarover aan dat [verweerder] , in de periode dat betaling werd gevorderd van [bedrijfsnaam 1] bij de RvA (in 2014), er welbewust voor heeft gekozen om geen handelsactiviteiten meer met [bedrijfsnaam 1] te ondernemen of daarin onder te brengen, terwijl hij dat wel had kunnen doen. [verweerder] was namelijk ook bestuurder van andere vennootschappen binnen het [verweerder] -concern en daarin werden wel activiteiten verricht, aldus [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [verweerder] de latere betalingsonmacht van [bedrijfsnaam 1] hiermee in de hand gewerkt. Hij wist dus, of kon hij in ieder geval redelijkerwijze verwachten, dat [bedrijfsnaam 1] niet aan verplichtingen uit hoofde van eventueel veroordelende vonnissen zou kunnen voldoen. Dat is volgens [eiseres] ernstig verwijtbaar.

3.7.

[eiseres] gaat er kennelijk van uit dat een bestuurder ernstig verwijtbaar handelt door geen rekening te houden met eventuele verplichtingen van de vennootschap. Dat is niet juist. De Hoge Raad heeft in het arrest “Air Holland” van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:829) bepaald dat een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen indien de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen, met het bestaan waarvan ernstig rekening diende te worden gehouden, niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden.

3.8.

[eiseres] heeft echter geen omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [verweerder] in 2014, toen de procedure in eerste aanleg aanhangig was, er ernstig rekening mee moest houden dat de vordering van [bedrijfsnaam 2] in conventie zou worden toegewezen en de vordering in reconventie zou worden afgewezen, zodat [bedrijfsnaam 1] per saldo een geldbedrag aan [bedrijfsnaam 2] verschuldigd zou worden.

3.9.

Voor zover [eiseres] [verweerder] verwijt dat hij tijdens de procedure in hoger beroep ook nog bezig was met het ‘leeghalen’ van [bedrijfsnaam 1] (de rechtbank is dit niet duidelijk), geldt dat dit ‘leeghalen’ niet is onderbouwd en dat ook niet is toegelicht waarom [verweerder] met het bestaan van een verplichting tegenover [eiseres] (in ieder geval toen) ernstig rekening moest houden. De enkele stelling dat [bedrijfsnaam 1] in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd, is daarvoor in ieder geval niet voldoende: ook zonder nieuwe argumenten kan een uitspraak in eerste aanleg in hoger beroep immers worden vernietigd.

3.10.

De primaire vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.

Subsidiair verwijt

3.11.

[eiseres] baseert zich subsidiair op de ‘Beklamel’-norm (zie 3.3. van dit vonnis onder (1)), dat een bestuurder ernstig verwijtbaar handelt als hij namens de vennootschap een verplichting aangaat terwijl hij weet of redelijkerwijze moet begrijpen dat de vennootschap niet aan die verplichting kan voldoen en geen verhaal zal bieden.

3.12.

[eiseres] stelt daartoe dat [verweerder] namens [bedrijfsnaam 1] in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de RvA in eerste aanleg en dat hij dit hoger beroep tegen [eiseres] heeft doorgezet nadat [bedrijfsnaam 2] (de oorspronkelijke procespartij) failliet was verklaard. Dat is volgens [eiseres] ernstig verwijtbaar, omdat [verweerder] volgens haar wist of moest weten dat [bedrijfsnaam 1] tot een hoger bedrag dan in eerste aanleg en tot betaling van de proceskosten van [eiseres] kon worden veroordeeld en dat [bedrijfsnaam 1] vervolgens niet aan die verplichtingen zou kunnen voldoen.

3.13.

Ook voor dit verwijt bestaat geen grond.

3.14.

Dat een bestuurder namens de vennootschap een verbintenis aangaat als hij de vennootschap gebruik laat maken van het recht om in hoger beroep te gaan, kan de rechtbank niet volgen. De vennootschap zal door het instellen van hoger beroep immers willen bereiken dat de beslissing die inhoudt dat zij een bedrag aan de wederpartij verschuldigd is, wordt vernietigd. De vennootschap gaat door het instellen van hoger beroep dus geen verbintenis aan, maar beoogt deze juist teniet te laten gaan. Alleen in het (zeer) uitzonderlijke geval dat zou vaststaan dat een vennootschap door in hoger beroep te gaan misbruik maakt van procesrecht (iets wat gelet op het fundamentele recht op toegang tot de rechter niet snel moet worden aangenomen), zou een bestuurder die dit hoger beroep namens de vennootschap heeft ingesteld aansprakelijk kunnen zijn voor de schade die de wederpartij hierdoor lijdt. Die schade zou dan bestaan uit de proceskosten die deze wederpartij heeft moeten maken. Dat hier sprake is geweest van een dergelijk (uitzonderlijk geval van) misbruik van procesrecht en dat dit [verweerder] valt te verwijten, heeft [eiseres] echter niet duidelijk gemaakt.

3.15.

De subsidiaire vordering zal gezien het voorgaande worden afgewezen. Dat geldt ook voor de meer subsidiaire vordering die, naar de rechtbank begrijpt, ook op dit subsidiaire verwijt is gebaseerd. Ook de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

Kosten

3.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op:

- griffierecht € 1.565,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 4.979,00

3.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen, op de termijn die in de beslissing staat geformuleerd.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [verweerder] , begroot op € 4.979,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019.