Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3672

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
C/16/480786 / KG ZA 19-301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing conservatoir beslag omdat summierlijk is gebleken van de onnodigheid daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/480786 / KG ZA 19-301

Vonnis in kort geding van 19 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. P.W. Snoeker te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. O.R. van Hardenbroek van Ammerstol te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd

1 De procedure

1.1.

Na ontvangst van de dagvaarding met producties 1 t/m 11 van [eiser] en de producties 1 t/m 3 van [gedaagde] , is op 28 juni 2019 een mondelinge behandeling gehouden. Partijen hebben toen hun standpunten, mede aan de hand van pleitnota’s, toegelicht.

1.2.

Na een korte aanhouding van de zaak heeft [eiser] een brief met twee bijlagen aan de voorzieningenrechter gezonden, hebben partijen een akte genomen en heeft [gedaagde] productie 4 overgelegd. Vervolgens is bepaald dat uitspraak wordt gedaan.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hadden van 1979 tot 1998 een affectieve relatie. Sinds 1 juni 2004 huurt [gedaagde] een woning aan de [adres] in [woonplaats 2] , waarvan [eiser] eigenaar is.

2.2.

Op 19 september 2018 heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter van deze rechtbank omdat hij de huurovereenkomst met [gedaagde] wilde beëindigen en [gedaagde] daarmee niet akkoord ging. Tijdens de in deze zaak gehouden zitting van 22 februari 2019 hebben partijen de volgende regeling getroffen:

“Partijen komen ter beëindiging van dit geschil het volgende overeen.

  1. Mevrouw [gedaagde] blijft tot op zijn laatst 31 december 2019 wonen op de [adres] .

  2. (…)

  3. Op 31 december 2019 wordt op de bankrekening (…) van mevrouw [gedaagde] € 200.000,00 voldaan door of namens partij [eiser] .

  4. Mevrouw [gedaagde] werkt mee aan de verkoopactiviteiten van het huis, zoals van een huurder kan worden verwacht.

  5. (…)”

2.3.

Op 26 februari 2019 heeft [gedaagde] met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag laten leggen op de woning aan de [adres] , ten laste van [eiser] . [eiser] is deze kortgedingprocedure begonnen om het beslag te laten opheffen. [eiser] vordert samengevat dat de voorzieningenrechter:

  1. Primair het op 26 februari 2019 gelegde beslag opheft;

  2. Subsidiair [gedaagde] beveelt om het op 26 februari 2019 gelegde beslag op te heffen en opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom;

  3. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

De voorzieningenrechter zal de primaire vordering toewijzen, zoals hierna wordt toegelicht.

3.2.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van een conservatoir beslag onder meer uitgesproken als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag. Het is in de eerste plaats aan degene die de opheffing vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of het gelegde beslag onnodig is, maar er wordt uiteindelijk beslist aan de hand van wat door beide partijen (onderbouwd) naar voren is gebracht. De voorzieningenrechter moet bij de beoordeling van de vordering een belangenafweging maken.

3.3.

[gedaagde] heeft beslag laten leggen om haar vordering van € 200.000,00 die zij op grond van de regeling van 22 februari 2019 op [eiser] heeft zeker te stellen. Partijen zijn het erover eens dat deze vordering moet worden voldaan uit de verkoopopbrengst van de woning. [gedaagde] heeft beslag laten leggen omdat zij bang is dat [eiser] de vordering na verkoop van de woning niet aan haar zal voldoen. In het beslagrekest heeft [gedaagde] daarover gesteld dat er sprake is van gegronde vrees voor verduistering. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] haar in het verleden financieel benadeeld en is [eiser] van plan naar Dubai te vluchten. [eiser] heeft dat gemotiveerd betwist. Het had in dat licht en in dat van de door partijen getroffen regeling op de weg van [gedaagde] gelegen om haar stellingen dat sprake is van gegronde vrees voor verduistering vervolgens verder toe te lichten en te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan.

3.4.

Uit de proceshouding van [eiser] op de zitting blijkt bovendien het tegendeel. Allereerst heeft [eiser] tijdens de zitting benadrukt dat hij van plan is de regeling na te komen, juist omdat partijen met de door hen getroffen regeling hebben beoogd hun geschillen te beëindigen. Daarnaast heeft [eiser] voorgesteld om een onherroepelijke volmacht aan [gedaagde] te verstrekken, waarmee zij namens [eiser] de leverende notaris kan instrueren om haar na levering van de woning € 200.000,00 te betalen uit de verkoopopbrengst. [eiser] heeft ook een concept-volmacht opgesteld.

3.5.

Er kan dus niet worden aangenomen dat [gedaagde] gegronde redenen heeft om te vrezen dat [eiser] zijn verplichting aan haar, na verkoop en levering van de woning, niet zal nakomen.

3.6.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij vreest dat er na voldoening van de hypotheekschuld onvoldoende van de verkoopopbrengst zal overblijven om haar vordering te voldoen. Dat deze situatie zich zal voordoen, is echter niet aannemelijk. Op de woning rust een hypotheek van € 275.000,00 en een (tweede) hypotheek van € 350.000,00. Na de zitting is gebleken dat de bank bij verkoop van de woning uitsluitend de hypotheek ter hoogte van € 275.000,00 zal opvragen. [eiser] heeft een bevestiging van de bank overgelegd waaruit dit blijkt. [gedaagde] gaat ervan uit dat de verkoopopbrengst van de woning rond de € 600.000,00 zal bedragen. Na voldoening van de hypotheekschuld (€ 275.000,00) zal er dus naar verwachting, zelfs als de woning minder opbrengt in verband met achterstallig onderhoud, voldoende overblijven om de vordering van [gedaagde] mee te kunnen voldoen.

3.7.

Uit het bovenstaande volgt dat summierlijk is gebleken van de onnodigheid van het beslag, zodat het beslag moet worden opgeheven. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Uit de onnodigheid van het beslag volgt dat [gedaagde] onvoldoende belang heeft bij handhaving daarvan. Daarnaast geldt dat [eiser] er belang bij heeft dat de woning wordt verkocht en geleverd. Ook [gedaagde] heeft daar belang bij. Pas na de verkoop en levering kan [eiser] immers haar vordering voldoen. Hoewel de verkoop ook kan plaatsvinden als het beslag gehandhaafd blijft, maakt een conservatoir beslag het wel moeilijker om de woning te verkopen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de makelaarsverklaring die [eiser] heeft overgelegd en waarvan [gedaagde] de inhoud onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

3.8.

De voorzieningenrechter zal het beslag dus opheffen, zoals [eiser] primair heeft gevorderd. [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] , die worden begroot op € 1.081,06 (€ 101,06 aan dagvaardingskosten en € 980,00 aan salaris advocaat).

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

heft het op 26 februari 2019 namens [gedaagde] gelegde conservatoir beslag op de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats 2] op,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, begroot op € 1.081,06,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.1

1 type: RV (4877)