Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3668

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
16/085041-19 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een poging tot afpersing en vernieling van een mobiele telefoon. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/085041-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [verblijfplaats] ,

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Goedegebuure, en van hetgeen verdachte en mr. A.W. Syrier advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 9 februari 2019 te Utrecht heeft geprobeerd, samen met één of meer anderen, [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag door geweld toe te passen of te dreigen met geweld;

feit 2: op 9 februari 2019 te Utrecht de mobiele telefoon van [slachtoffer] heeft vernield

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft hierbij aangevoerd dat dhr. [slachtoffer] aangifte heeft gedaan van poging tot afpersing en vernieling van zijn mobiele telefoon. Hij had op 9 februari 2019 een afspraak met ene [bijnaam van medeverdachte] , medeverdachte, voor seks tegen betaling. Aangever werd meegenomen door medeverdachte naar een woning waar zij zelf geen sleutel van had. Verdachte heeft op de deur geklopt waarna aangever werd geconfronteerd met meerdere mannen in die woning, waaronder verdachte. Deze deed zich voor als de broer van verdachte en zei tegen aangever dat hij 500 euro moest overmaken. Aangever heeft gebeld met de politie waarna hij door verdachte meermalen is geslagen. Ook is de mobiele telefoon van aangever afgepakt en door verdachte in een put gegooid. Middels een fotoconfrontatie heeft aangever verdachte herkend.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen betrokkenheid heeft bij zowel feit 1 als feit 2. Verdachte wist niets van de afspraak die medeverdachte had gemaakt met [slachtoffer] en heeft ontkend op 9 februari 2019 in die woning aanwezig te zijn geweest. Dit betekent ook dat verdachte niet de telefoon van aangever heeft kunnen vernielen. De wijze waarop de foto van verdachte aan aangever [slachtoffer] is getoond, kan worden gekwalificeerd als een enkelvoudige fotoconfrontatie. Met de herkenning door aangever dient dan ook per definitie behoedzaam te worden omgegaan. Wordt vervolgens gekeken naar de aangifte van [slachtoffer] -waarin hij zich ook heeft uitgelaten over het signalement van verdachte- dan blijkt dat hij geen persoonspecifieke kenmerken heeft genoemd. Wordt echter gekeken naar zijn verklaring nadat [slachtoffer] een foto van verdachte had gezien, dan wordt een zeer persoonspecifiek kenmerk, namelijk het pokdalige gezicht van verdachte, herkend door de aangever. Dit kenmerk is niet benoemd door de aangever tijdens zijn aangifte. Ook heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat verdachte een man is met een leeftijd tussen de 35 en 40 jaar, verdachte is 25 jaar. De raadsman stelt daarom, gelet op de significante verschillen in de verklaringen van aangever, dat de herkenning van verdachte door de aangever middels de foto niet gebruikt kan worden als bewijsmiddel. Dit geldt ook voor de uitdraai van het WhatsAppgesprek tussen verdachte en medeverdachte. Dit WhatsAppgesprek vindt immers een uur later plaats dan het WhatsAppgesprek tussen medeverdachte en de aangever. Derhalve kan niet de conclusie worden getrokken dat medeverdachte verdachte heeft gewaarschuwd over de aankomst van [slachtoffer] . Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte pas een etmaal later is aangetroffen op het plaats delict, verder zijn er geen bewijsmiddelen die hem daar in de woning plaatsen op 9 februari 2019. Derhalve dient verdachte van beide feiten te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Feit 1 en feit 2

Op 9 februari 2019 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan en daarbij het volgende verklaard: “[ik] wilde ik graag afspreken met een dame om seks te hebben. (…) [Ik] besloot via het internet opzoek te gaan naar betaalde seks. Ik deed dit via de website [naam website] . (…) Ik zag dat de vrouw (…) zichzelf aanbood om seks te hebben. (…) Vervolgens ging ik met haar chatten en zij stelde zich voor als [bijnaam van medeverdachte] . (…) besloot toen via de WhatsApp verder te gaan met het contact. Ik heb [bijnaam van medeverdachte] gebeld via WhatsApp en gewoon via mijn telefoon (…) Vervolgens kreeg enkele minuten later een berichtje op mijn WhatsApp van [bijnaam van medeverdachte] met het adres waar ik moest zijn (…) op 9 februari 2019, kwam ik aan te Utrecht.2 Ik hoorde dat zij zich ook echt als [bijnaam van medeverdachte] aan mij voorstelde en zag dat haar profielfoto van [naam website] overeen kwam. (…) Ik zag dat [bijnaam van medeverdachte] geen sleutel had van de deur en dat zij aanbelde. Vervolgens zag ik dat de voordeur openging en dat er een man stond. (…) Ik hoorde dat de man zei: "Wat doe je hier, wat doe je met mijn zusje". Ik ging er vanuit dat dit de broer van [bijnaam van medeverdachte] was aangezien hij haar zijn zusje noemde. Ik zei dat ik met haar wilde chillen. Ik hoorde dat hij toen zei: ''meekomen naar binnen, meekomen naar binnen." Ik wilde toen weglopen maar ik zag dat de man mijn rechterarm vastpakte waardoor ik niet weg kon komen. Ik voelde dat hij mij mee naar binnen trok. Ik kon nergens heen dus ik moest wel mee naar binnen. (…) Vervolgens duwde de broer van [bijnaam van medeverdachte] mij op de bank. Ik hoorde dat hij zijn stem verhief en begon te schreeuwen: "Heb jij met mijn zusje afgesproken om seks met haar te hebben?" (…) hoeveel moest je haar betalen?!"3 (…) Vervolgens hoorde ik dat hij schreeuwde: "Je maakt nu vijfhonderd (500) euro over!" Ik heb toen direct met 112 gebeld. (…) Vervolgens zag en voelde ik dat de broer mij op mijn hoofd sloeg. Ik zag en voelde dat hij mij tweemaal met zijn rechtervuist rechts bovenop mijn hoofd sloeg. De twee (2) klappen die ik kreeg deden erg veel pijn. Ook hield ik aan de mishandeling letsel over in de vorm van, twee (2) bulten op mijn hoofd, een bloed uitstorting, schaafwond en hoofdpijn. Ik zag toen dat die oudere man ook naar mij toe kwam. Ik zag dat de oudere man zijn rechter vuist balde. Ik zag dat de oudere man met zijn rechtervuist mij op mijn linkerschouder sloeg. Direct na de klap voelde ik pijn in mijn linkerschouder. Vervolgens lukte het die broer om toch mijn telefoon uit mijn rechter hand te pakken. Ik hoorde dat hij schreeuwde: "En nu oprotten jij, weg, weg, weg!!! (…) Vervolgens zei ik tegen die broer: "geef mijn telefoon terug." Ik hoorde dat hij schreeuwde: "Die krijg je niet!" Vervolgens zag ik dat de broer mijn mobiele telefoon in de put voor de portiek gooide. Ik hoorde dat hij toen schreeuwde: "En nu oprotten!" Ik zag dat hij zich omdraaide en de portiek weer in ging. De twee (2) klappen die ik kreeg deden erg veel pijn. Ook hield ik aan de mishandeling letsel over in de vorm van, twee (2) bulten op mijn hoofd, een bloed uitstorting, schaafwond en hoofdpijn.(…) mijn mobiele nummer is: [nummer 1] .4

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2019, opgesteld door [A] volgt:

Door ons verbalisanten werd naar aanleiding van de verklaring van aangever [slachtoffer] een nader onderzoek ingesteld naar de mogelijke verblijfplaats van de telefoon van aangever. Aangever had verklaard dat zijn telefoon was weggegooid in een rioleringsput ter hoogte van het portiek (…) te Utrecht. (…) op de bodem van die rioolput [werd] een mobiele telefoon aangetroffen. Het bleek te gaan om een mobiele telefoon van het merk Huawei, zwart van kleur. Het glas van de display bleek vernield te zijn. 5Op 5 maart 2019 heeft de politie de kapotte mobiele telefoon aan [slachtoffer] teruggeven.6

Op 13 maart 2018 is [slachtoffer] gehoord door verbalisant [C] , uit het proces-verbaal volgt het volgende:

V: Ik ga je een foto laten zien. De vraag is of je de man kent?

A: Ik herken die man voor 100%, dat is hem. 7[O: verbalisant ziet dat de aangever opgelucht kijkt en stellig is in zijn antwoorden.

V: Waaraan herken je de man?

A: Ik herken hem (…), het stoppelbaardje en zijn haar (…) hij had wel dezelfde

lengte en kleur. Ook herken ik de putjes in zijn gelaat.

V: Wat is zijn rol geweest.

A: Dat is de man die mij heeft afgeperst en mij heeft geslagen. Ik moest geld over

maken via mijn telefoon. Ik heb nu nog steeds twee bulten op mijn hoofd op de plek

waar ik geslagen ben. 8

Aangever herkent in de door de politie getoonde foto verdachte [verdachte] .

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2019, opgesteld door [B] volgt:

“op 9 februari 2019 hoorde [ik] dat er een melding werd door gegeven (…) dat er op dat moment een man met 112 had gebeld die mogelijk belaagd werd. Er was geen gesprek met deze man met de 112 centrale, maar op de achtergrond was te horen dat er een flinke discussie gaande was en dat er geroepen werd: "Maak het geld over nu, nu!" 9

Op 10 juli 2019 heeft [slachtoffer] verklaard bij de rechter-commissaris:

(…) toen ik boven kwam werd het overgenomen door de mannen. Ze [de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte] ] was wel in de kamer. (…) Ze was aanwezig in de kamer. 10

Bewijsmiddelen ten aanzien van het medeplegen

In het procesdossier bevinden zich WhatsAppgesprekken tussen verdachte en, voor de rechtbank, onbekend gebleven personen. Voor de leesbaarheid van het vonnis zijn de gebruikte WhatsAppgesprekken voor het bewijs, genummerd:

I. een WhatsAppgesprek tussen [bijnaam van medeverdachte] en nummer [nummer 4] :

06-02-19 14:10 - + [nummer 4] : Hoi, [..] uit [plaatsnaam]

06-02-19 14:16- [bijnaam van medeverdachte] ©: Hallo [..] Over welke dag heb je het (…) Ik ben een beetje selectief met de mannen die reageren voor mijn eigen veiligheid. Ik ben geen professionele seks werkster zoals in mijn advertentie Ik wil voor mezelf niet de ene naar de andere (…)

07-02-19 12:05 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Wil je straks nog komen

2:05 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Geef het even door dan kan ik mijn dag indelen. Kusss

0:11 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Zullen we nog een foto ruilen en hoe laat wil je vandaag afspreken. 11

II. een WhatsAppgesprek tussen [bijnaam van medeverdachte] en nummer [nummer 5] :

08-02-19 21:19-+ [nummer 5] : Hoi Boefje met [......] (…)

08-02-19 21:40 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Mag ik een foto en vragen hoe oud je bent

08-02-19 21:51 - + [nummer 5] : (…) alles wat je doet voor deze prijs dan 250 euro dan kan ik morgen avond rond deze tijd bij jou zijn 23:30 uur

1:52 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Nee sorry 300 is 300 12

III. een WhatsAppgesprek tussen [bijnaam van medeverdachte] en nummer [nummer 6] :

08-02-19 19:05 -+ [nummer 6] : Hey. Wat een heerlijk ondeugend oproepje

08-02-19 19:05 - + [nummer 6] : Heb je vanavond al plannen? Zin om af te spreken met een nl man van eind 30?

08-02-19 20:31 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Nee ik heb nog geen plannen (…) 13

08-02-19 21:21 - + [nummer 6] : Anyway..voor vanavond gaat het hem denk ik niet meer worden. 14

IV. een WhatsAppgesprek tussen [bijnaam van medeverdachte] en nummer [nummer 3] :

08-02-19 19:08 - + [nummer 3] : Hoi hier met [....] Ik zie je advertentsie

08-02-19 19:24 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Wat leuk dat je reageert Ik ben tot 8 uur druk daarna heb ik alle tijd

08-02-19 21:20 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Ik wil om 11 uur afspreken (…)

08-02-19 21:20 - [bijnaam van medeverdachte] ©: En ik woon op de [straatnaam] 15

08-02-19 22:17-+ [nummer 3] : Ik rij nu aan 16

08-02-19 23:01 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Ik ben er klaar voor

08-02-19 23:01 -+ [nummer 3] : Bijna

08-02-19 23:01 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Oki

08-02-19 23:01 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Hoelang

08-02-19 23:01 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Ongeveer

08-02-19 23:02 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Ben nerveus

08-02-19 23:02 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Hihi

08-02-19 23:02 -+ [nummer 3] : 10 minuten

08-02-19 23:02 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Oki

08-02-19 23:39 - + [nummer 3] : Dit bericht is verwijderd

08-02-19 23:40-+ [nummer 3] : Dat ging volgens mij niet goed

08-02-19 23:42-+ [nummer 3] : Wat is er aan de hand

08-02-19 23:44-+ [nummer 3] : Ik ben niet kwaad op je mar nu heb je wel wat uit te leggen natuurlijk 17

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2019, opgesteld door [D] volgt:

Het Digitaal Platform had de computer en de telefoon onderzocht die afkomstig waren uit de woning van [medeverdachte] (…) Bijzonderheden uit de telefoon: (…) het nummer + [nummer 2] bleek (…) op naam staan van [verdachte] . (..) Het WhatsApp gesprek tussen aangever [slachtoffer] en de telefoon van verdachte [medeverdachte] (…) [weergegeven onder 6]. Een WhatsApp gesprek tussen de telefoon van verdachte [medeverdachte] en de telefoon van verdachte [verdachte] [weergegeven onder 5].18

V. een WhatsAppgesprek tussen [bijnaam van medeverdachte] en [nummer 2] :

WhatsApp-chat met [voornaam van verdachte] - [nummer 2] [de rechtbank begrijpt: medeverdachte [verdachte] ]

08-02-19 23:03 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Hij is er met 10 minuten (…)

08-02-19 23:04 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Je moet weten dat ik zoveel van je hou vind het echt niet ofje tegen mij doet als die vrouw er is wat is dat toch zo vind het lastig dit 08-02-19 23:04 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Ik zie je zo lieffie

08-02-19 23:12 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Hij is er dus opgelet bel je zo

VI. een WhatsAppgesprek tussen [bijnaam van medeverdachte] en nummer [nummer 1] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ]

08-02-19 21:17 - + [nummer 1] : Ik zag je advertentie

08-02-19 22:15 - [bijnaam van medeverdachte] © Kunnen vandaag wel afspreken maar dan wel pas om 1 uur

08-02-19 22:48- [bijnaam van medeverdachte] ©: Ik kom niet naar jou maar jij kan erbij komen Ik heb een eigen huis en ziet er leuk uit (…)

08-02-19 22:54 - [bijnaam van medeverdachte] ©: Kan je 12 uur

08-02-19 22:55-+ [nummer 1] : Jawel

08-02-19 23:43 - [bijnaam van medeverdachte] ©: [straatnaam]

09-02-19 00:19-+ [nummer 1] : Ben er bijna

09-02-19 00:28-+ [nummer 1] : Kom je naar buiten?

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft, kortgezegd, aangevoerd dat de herkenning van verdachte heeft plaatsgevonden middels een enkelvoudige fotoconfrontatie, en dat hier per definitie behoedzaam mee moet worden omgegaan. De persoonspecifieke kenmerken waar aangever verdachte bij de fotoconfrontatie aan heeft herkend, zijn niet benoemd in de aangifte. Hierdoor acht de raadsman de herkenning niet betrouwbaar waardoor deze dient te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank stelt voorop dat enkelvoudige fotoconfrontaties wel voor het bewijs gebruikt mogen worden (Hoge Raad 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6146). In hoeverre een herkenning betrouwbaar is en welke bewijswaarde aan die herkenning kan worden toegekend, dient te worden bekeken in het licht van de gehele bewijsvoering. De rechtbank is van oordeel, dat het opgeven signalement in de aangifte van [slachtoffer] , de latere herkenning van verdachte door [slachtoffer] middels de fotoconfrontatie niet uitsluit. Dat aangever minder, of geen persoonspecifieke kenmerken heeft benoemd in zijn aangifte, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de latere herkenning niet betrouwbaar is. De kenmerken die ten tijde van de aangifte zijn benoemd zijn niet in tegenspraak met de bij het verhoor op 13 maart 2019 aan [slachtoffer] getoonde foto van verdachte. Dit, in samenhang met de hieronder genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van het medeplegen, maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de herkenning van verdachte door aangever [slachtoffer] . De rechtbank stelt vast dat de man, die zich voor heeft gedaan als de broer van medeverdachte, de verdachte is. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] meermalen heeft geslagen. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte de mobiele telefoon van [slachtoffer] in de put heeft gegooid en deze daarmee heeft vernield. De rechtbank heeft immers geen reden om te twijfelen aan de aangifte van [slachtoffer] . De desbetreffende telefoon wordt door verbalisanten gevonden in de put, waardoor de aangifte van [slachtoffer] door een objectief bewijsmiddel wordt ondersteund.

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen omdat enerzijds niet uit het WhatsAppgesprekken kan worden afgeleid dat medeverdachte aan verdachte informatie heeft verstrekt over de aankomst van [slachtoffer] en anderzijds omdat de aanwezigheid van verdachte in de woning op 9 februari 2019 niet volgt uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank leidt uit de bovenstaande bewijsmiddelen (I tot met VI) en uit het dossier af dat medeverdachte op 8 februari 2019 met meerdere mensen contact heeft gehad voor het hebben van een, zoals de rechtbank dit kwalificeert, seksdate voor geld. De rechtbank leidt af, in het bijzonder uit het weergeven WhatsAppgesprek onder IV dat medeverdachte een afspraak had gemaakt met een voor de rechtbank onbekend gebleven persoon (nummer [nummer 3] ). Uit het WhatsAppgesprek, weergegeven onder bewijsmiddel VI, leidt de rechtbank af dat medeverdachte, gelet op de tijdstippen, op het zelfde moment ook een afspraak probeerde te maken met [slachtoffer] . Op basis van de aangifte van [slachtoffer] , stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] naar medeverdachte is gegaan en dat zij elkaar daadwerkelijk hebben ontmoet. Uit het WhatsAppgesprek leidt de rechtbank namelijk af dat medeverdachte met de andere, onbekend gebleven, persoon rond 23:01 uur een afspraak had gemaakt. Uit het gesprek volgt ook dat die persoon tegen medeverdachte om 23.02 uur zegt dat hij met ongeveer 10 minuten zou arriveren. Uit dat gesprek valt verder af te leiden dat er iets niet goed is gegaan en dat medeverdachte niet boos is op die persoon. De rechtbank leest dit gehele WhatsAppgesprek met nummer [nummer 3] , in samenhang met het WhatsAppgesprek tussen verdachte en medeverdachte, weergeven in de bewijsmiddelen onder V. Medeverdachte zegt om 23:03 uur tegen verdachte [verdachte] dat ‘hij’ er met 10 minuten is en om 23:12, bijna 10 minuten later: “hij is er dus opgelet bel je zo” De rechtbank neemt op grond van het bovenstaande aan dat medeverdachte tegen verdachte heeft gezegd dat de desbetreffende persoon waarmee zij mee had afgesproken met 10 minuten zou arriveren; zij geeft middels dit WhatsAppgesprek concrete informatie over de aankomsttijd van die desbetreffende persoon. De rechtbank volgt in zoverre de lezing van de raadsman dat geen informatie wordt verstrekt over de aankomsttijd van [slachtoffer] maar van een onbekend gebleven persoon waarmee medeverdachte contact had met nummer [nummer 3] . De rechtbank volgt niet de verklaring van verdachte ter zitting, dat medeverdachte en hij het hadden over hun dealer, die over ongeveer 10 minuten zou komen. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de inhoud van de WhatsAppgesprekken tussen medeverdachte en de andere (onbekend gebleven) mannen, waarin zij contact heeft om tot een seksdate te komen. De rechtbank vindt de verklaring van verdachte over de inhoud van dat specifieke appcontact ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat, toen [slachtoffer] aankwam bij de woning te Utrecht, medeverdachte op hem stond te wachten. Vervolgens heeft medeverdachte [slachtoffer] naar een woning gebracht waar zij geen sleutel van had, zij klopte op de deur. Deze deur werd opengedaan door de man die later door aangever wordt herkend als verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niets wist van de afspraak tussen [slachtoffer] en zijn vriendin, zijnde medeverdachte. Maar ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig in het licht van de eerder genoemde WhatsAppgesprekken en de fotoherkenning van verdachte door [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat het verdachte is geweest die op 9 februari 2019 in de woning was.

De rechtbank acht, alles in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat medeverdachte op 9 februari 2019 getracht heeft om een willekeurig persoon te bewegen om op die bewuste avond af te spreken voor de seksdate tegen betaling, waarvan [slachtoffer] uiteindelijk slachtoffer is geworden. Medeverdachte heeft [slachtoffer] naar een woning gebracht waar verdachte al aanwezig was. Verdachte heeft vervolgens aangever geslagen, geprobeerd af te persen en de mobiele telefoon van verdachte vernield. Dit maakt dat de rechtbank bewezen acht dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte en acht daarmee ook beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 op 9 februari 2019 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 500 euro, die geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde hebbende verdachte en/of zijn mededader(s):

- een afspraak (voor seks) met deze [slachtoffer] heeft gemaakt;

- [slachtoffer] heeft meegenomen naar een woning;

- heeft geschreeuwd je maakt nu 500 euro over;

- deze [slachtoffer] (meermalen) heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 op 9 februari 2019 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon, die geheel aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is: Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1: medeplegen van poging tot afpersing.

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie heeft rekening gehouden met de richtlijn van het Openbaar Ministerie in soortgelijke zaken. Daarnaast heeft zij de aard van de bewezenverklaarde feiten in haar eis meegenomen. Verdachte heeft samen een ander, geprobeerd het slachtoffer geld afhandig gemaakt door hem angst aan te jagen, fysiek pijn te doen en de mobiele telefoon van het slachtoffer te vernielen. De officier van justitie ziet geen strafverminderende omstandigheden waar rekening mee kan worden gehouden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, dan verzoekt de verdediging om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen niet langer dan de duur dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, samen met een ander een slachtoffer geprobeerd af te persen waarbij verdachte veel geweld heeft gebruikt. Ook heeft verdachte de mobiele telefoon van het slachtoffer kapot gemaakt. Medeverdachte heeft, door het maken van een afspraak voor het hebben van seks tegen betaling, slachtoffer naar een woning laten komen. Het slachtoffer is in die woning direct geconfronteerd met verdachte die hem meermalen heeft geslagen waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen en pijn heeft gehad. De rechtbank houdt ook rekening met het gegeven dat dit soort feiten, gezien de context waarin die zich afspelen, doorgaans niet aan het licht komen omdat slachtoffers door schaamte of angst ervoor kiezen om geen aangifte te doen. Verdachte heeft samen met anderen misbruik gemaakt van de zwakkere positie van dit slachtoffer. De rechtbank rekent de verdachte deze feiten dan ook zwaar aan, zeker gelet op het toegepaste geweld door verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak niet volstaan kan worden met een andere dan vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafoplegging kennisgenomen van de justitiële documentatie van 17 juni 2019. De rechtbank houdt in de strafoplegging hier verder niet in strafverzwarende of strafverminderende zin rekening mee. Over verdachte is geen rapportage door de reclassering of soortgelijke instelling opgemaakt. De rechtbank heeft hierdoor geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen omdat niet naar voren is gebracht dat verdachte gebaat is bij het oplossen van eventuele problematiek onder bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

Dhr. [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 2403, 61. Dit bedrag bestaat uit € 1153,61 materiële schade en € 1250,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om toewijzing van het gehele bedrag aan materiele schade en immateriële schade.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade – mobiele telefoon

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de mobiele telefoon ter hoogte van in totaal € 90,00 komt daarom voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 90,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot de dag van volledige betaling.

Materiële schade – medische kosten

De rechtbank zal de benadeelde partij dhr. [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde medische kosten nu deze vordering niet voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte, samen met een ander, door middel van het gebruik van geweld en dreiging met geweld heeft afgeperst. De benadeelde partij heeft hierdoor letsel opgelopen, daarmee is door verdachte rechtstreeks immateriële schade toegebracht. De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. Gelet op door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding van € 750,00 toe, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor het overige deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van dhr. [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 840,00, onderverdeeld in € 90,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 16 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de immateriële schade van een bedrag van € 750,00, naar burgerlijk recht met zijn/haar mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 317, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde schade van de benadeelde partij dhr. [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 840,00, bestaande uit € 90,00 euro aan materiële schade en € 750,00 euro aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen immateriële schadebedrag, te weten: € 750,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 840,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 16 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en E.W.A. Vonk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.F. Deug griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 9 februari 2019 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld te weten [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 500 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] of aan een derde toebehoorde

- een afspraak (voor seks) met deze [slachtoffer] heeft gemaakt,

- [slachtoffer] heeft meegenomen naar een woning,

- heeft geschreeuwd ten [slachtoffer] : 'je maakt nu 500 euro over',

- deze [slachtoffer] (meermalen) heeft geslagen/gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2 hij op of omstreeks 9 februari 2019 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 mei 2019 en 15 mei 2019, genummerd PL0900-2019074244, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland District [.] , basisteam [.] , doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 417. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 93.

3 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 94.

4 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 95.

5 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 112.

6 Een geschrift, te weten: bewijs van ontvangst, pagina 270.

7 proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] pagina 99 en de daarbij opgenomen foto pagina 101.

8 Een proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , pagina 99.

9 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 102.

10 een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris, pagina 3.

11 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 200.

12 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 203.

13 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 204.

14 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 209.

15 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 237.

16 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 239.

17 Een geschrift, te weten een kopie van een WhatsAppgesprek, pagina 240.

18 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 145.