Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:363

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
16/706264-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf voor een zware mishandeling met de dood tot gevolg. De 25-jarige Lucas de Ruwe kreeg vorig jaar juli in een eethuis aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht twee harde klappen op zijn hoofd. Door die klappen heeft hij ernstig hersenletsel opgelopen, met als gevolg dat hij vijf dagen later overleed.

Het slachtoffer ging na het stappen met twee vrienden nog een hapje eten. Op het moment dat ze bij het eethuis aankwamen liep de 26-jarige verdachte naar buiten met zijn bestelling. Er ontstond een woordenwisseling tussen hen en de verdachte. De beveiliger van het eethuis heeft ze toen uit elkaar gehouden. De verdachte is vervolgens scheldend weggelopen. Tweeëneenhalve minuut later loopt de verdachte het eethuis binnen en deelt onverwacht, op laffe wijze, twee harde klappen uit. Ook daarna probeert hij het slachtoffer te trappen en slaan, maar wordt door omstanders weggetrokken. Volgens de officier van justitie is er juridisch gezien sprake van zogenoemde ‘voorbedachte raad’, omdat de verdachte rustig heeft nagedacht over de twee klappen die hij ging uitdelen. De rechtbank oordeelt dat er inderdaad aanwijzingen zijn dat hij zich heeft kunnen bezinnen en met een vooropgezet plan terugkwam in het eethuis. Toch kan de rechtbank dit niet met zekerheid vaststellen omdat er ook sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte handelde uit een hevige opwelling of een driftbui. De verdachte is scheldend weggelopen en komt kort daarna het eethuis binnenstormen. Ook het blijven doortrappen en slaan wijst op een gemoedstoestand waarin hij niet gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn daad. De rechtbank spreekt hem daarom vrij van dat onderdeel van de verdenking.

Door de blinde woede van de verdachte is er op schokkende wijze een einde gekomen aan het leven van Lucas. De verdachte heeft de nabestaanden en vrienden van Lucas onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Zij moeten verder leven, met hun verdriet en woede. Zowel de ouders als zijn broer en zus hebben hun verdriet tijdens de zitting op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het strafblad van de man en het feit dat hij vanaf het begin geen openheid van zaken heeft willen geven. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de genoemde ‘voorbedachte raad’ niet bewezen is. Ook bepaalt de rechtbank dat de verdachte de nabestaanden ruim 27.000 euro en twee vrienden van Lucas 6.000 euro aan schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706264-18

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 oktober 2018 en 18 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.R.G. Nijpels en van hetgeen verdachte en mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de ouders en de broer en zus van [slachtoffer] en mr. B.A.A. Postma, advocaat te Amersfoort, namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 7 juli 2018 te Utrecht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd;

en voor het geval het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden,

subsidiair:

op 7 juli 2018 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, met de dood tot gevolg;

en voor het geval het subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden,

meer subsidiair:

op 7 juli 2018 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld, met de dood tot gevolg.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een veroordeling terzake de primair ten laste gelegde moord op, dan wel doodslag van, [slachtoffer] . Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Binnen deze kwalificatie van het subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

De raadsvrouw merkt op dat verdachte het slachtoffer met de blote vuist tegen het hoofd heeft geslagen. Dit slaan kan naar de uiterlijke verschijningsvorm niet geacht worden te zijn gericht op de dood van het slachtoffer. Verdachte was zich er ook geen moment van bewust dat het slachtoffer als gevolg van het slaan met de blote vuist zwaar lichamelijk letsel zou oplopen dan wel dat het slachtoffer zou komen te overlijden; laat staan dat hij de kans daarop bewust heeft aanvaard.

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft geslagen in een opwelling op het moment dat hij de eetgelegenheid [eetgelegenheid] betrad en de jongens zag die hem even daarvoor hadden geslagen en hem zijn eten wilden afpakken. Verdachte stond na de eerste aanvaring met de drie jongens kort bij te komen in de Mimosastraat. Na even naar zijn muziek geluisterd te hebben, heeft verdachte zijn tasje en hoedje neergelegd en is vervolgens nog een broodje voor zichzelf gaan halen. Bij binnentreden van deze eetgelegenheid zag verdachte het slachtoffer en heeft hem in een opwelling direct geslagen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde voorbedachte rade merkt de raadsvrouw op dat de tijdspanne tussen het bij zinnen komen in de Mimosastraat en de hernieuwde ontmoeting met de drie jongens in de [eetgelegenheid] daarvoor te kort is. Verdachte wist ook niet dat de drie jongens in de [eetgelegenheid] aanwezig waren. Het lijkt er veeleer op dat de besluitvorming en uitvoering van de mishandeling in plotselinge drift heeft plaatsgevonden.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als mishandeling met de dood tot gevolg.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de hierna opgesomde wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 7 juli 2018 in de eetgelegenheid [eetgelegenheid] aan de Amsterdamsestraatweg te Utrecht aanwezig is geweest. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in deze grillroom [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) een klap heeft gegeven.2

Naar aanleiding van het uitlezen van de camerabeelden van de eetgelegenheid [eetgelegenheid] is het volgende gerelateerd (uitgaande van de werkelijke tijd):

7 juli 2018, 02:21:55 uur:

Ik zag dat verdachte de eetgelegenheid binnen stapte. Verdachte droeg een zwarte muts. Verdachte droeg op zijn rechterhand een tatoeage.

7 juli 2018, 02:22:44 uur:

Ik zag dat de verdachte een bestelling plaatste bij de medewerker van de eetgelegenheid.3

7 juli 2018, 02:23:15 uur:

Ik zag dat de verdachte de eetgelegenheid verliet en buiten de winkel wachtte op zijn bestelling.

7 juli 2018, 02:25:57 uur:

Ik zag dat de medewerker van de eetgelegenheid met de bestelling van de verdachte naar buiten liep.4

7 juli 2018, 02:26:11 uur:

Ik zag dat de verdachte de bestelling overhandigd kreeg en vervolgens uit beeld verdween.

7 juli 2018, 02:27:42 uur:

Ik zag dat het slachtoffer, [slachtoffer] , met zijn twee vrienden de eetgelegenheid binnenstapte.5

7 juli 2018, 02:30:06 uur:

Ik zag dat de verdachte de eetgelegenheid weer binnen stapte. Ik zag dat hij zijn zwarte pet niet op had.

7 juli 2018, 02:30:07 uur:

Ik zag dat de verdachte het slachtoffer direct bij binnenkomst een vuistslag gaf. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechter vuist. Ik zag dat deze vuistslag terecht kwam op de linkerzijde van het gezicht van het slachtoffer ter hoogte van de kaak/slaap.6

7 juli 2018, 02:30:09 uur:

Ik zag dat na de eerste vuistslag de verdachte nog een vuistslag gaf. Ik zag dat deze vuistslag terecht kwam op de linker achterzijde van het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat dit ter hoogte van de hals was.

7 juli 2018, 02:36:10 uur (De rechtbank begrijpt: 02:30:10 uur):

Ik zag dat na de tweede vuistslag het slachtoffer met zijn rechterhand naar zijn voorhoofd greep. Ik zag dat in de tussentijd de verdachte al vechtend bij het slachtoffer probeerde te komen. Ik zag dat dit door de vrienden van het slachtoffer en de beveiliger van de eetgelegenheid werd verijdeld.7

7 juli 2018, 02:30:18 uur:

Ik zag dat het slachtoffer wankelde. Ik zag dat hij zijn evenwicht verloor en ten val kwam.

7 juli 2018, 02:30:19 uur:

Ik zag dat het slachtoffer op een gedeelte van de toonbank terecht kwam. Ik zag dat in de tussentijd de verdachte in bedwang werd gehouden.8

7 juli 2018, 02:30:24 uur:

Ik zag dat een vriend het slachtoffer overeind probeerde te helpen, maar dit niet lukte. Het slachtoffer bleef bewusteloos op de grond liggen.9

Ter terechtzitting zijn de hiervoor beschreven camerabeelden getoond. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte, zonder zijn pas in te houden, naar [slachtoffer] kijkt en zonder enige aarzeling uithaalt en [slachtoffer] hard op zijn hoofd raakt. Direct daaropvolgend deelt verdachte een tweede vuistslag uit.

Op de camerabeelden is ook te zien dat [slachtoffer] ten tijde van de binnenkomst van verdachte en de eerste vuistslag die hij te incasseren kreeg, op zijn telefoon keek.10

[slachtoffer] is diezelfde dag overgebracht naar de spoedeisende hulpafdeling van het UMC Utrecht. Beeldvormend onderzoek (CT) van de hersenen toonde een diffuse bloeding onder het zachte hersenvlies, met een beginnende ophoping van hersenvocht in het kader van een verstoorde afvoer. Hiervoor werd een “externe Ventrikel Drain’ geplaatst in de schedelholte. Hernieuwde beeldvorming (CT) toonde een toename van bloed rond de hersenstam.

Op 8 juli 2018 werd de sedatie afgebouwd waarbij epileptische activiteit werd gezien. Hierop werd een anti-epilepticum gestart en de sedatie hervat.

Beeldvormend onderzoek (CTA) van de hersenslagaders toonde op 9 juli 2018 een vaatverwijdering ter hoogte van de linker wervelslagader. Daarbij bleek sprake van een diffuus gezwollen brein als gevolg van doorgemaakt zuurstoftekort.

Op 11 juli 2018 werd de sedatie opnieuw gestaakt met heroptreden van epileptische activiteit. De elektrische activiteit van de hersenen bleek sterk afwijkend en was geassocieerd met een zeer slechte neurologische prognose. Hierop werd in overleg met de familie besloten om de behandeling te staken.

Op 12 juli 2018 werd hersendood vastgesteld.11

Bij sectie werd diffuus bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen vastgesteld, met een collectie gestold bloed aan de hersenbasis. Deze bloeduitstorting was bij leven ontstaan door een scheur in een bloedvat. Na het verwijderen van de bloedstolsels was er plaatselijk in de linkerwervelslagader een gebied sterk verdacht voor een defect. Een scheur in een bloedvat aan de hersenbasis of op het niveau van de hals kan zowel een traumatische oorsprong als een ziekelijke oorsprong hebben of een combinatie van beide. Bij een traumatische oorsprong ontstaat er door inwerking van uitwendig mechanisch geweld op de hoofd/hals regio, zoals een slag/klap, een snelle zijwaartse beweging en een draai (rotatie) al of niet met hyperextensie/hyperflexie van het hoofd. Dit kan leiden tot een plotse rek op het bloedvat, waardoor deze kan scheuren. Wanneer er een ziekelijke afwijking van een bloedvat is, kan deze eerder/makkelijker scheuren.12

Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door verwikkelingen (herseninklemming) van een bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen, ontstaan door een scheur in een bloedvat van de schedelbasis.13

Gezien de afwezigheid van ziekelijke vaatwandafwijkingen bij neuropathologisch onderzoek is deze scheur traumatisch van oorsprong.14

De getuige [getuige 1] verklaarde als volgt:

Ik werk als toezichthouder bij [eetgelegenheid] . Op 7 juli 2018 tussen 02.00 uur en 02.30 uur kwam er een taxi aanrijden. Uit de taxi stapten drie jongens. Ik zag dat de verdachte de jongens tegemoet liep. Ik hoorde plotseling de ene kanker na de andere kanker. Ik keek toen om en zag de vier jongens bij elkaar. Ik ben er naar toegelopen. Ik heb tegen de drie jongens gezegd dat ze binnen moesten gaan eten. Tegen die andere jongen heb ik gezegd dat hij naar huis moest.15 Het eerste contact tussen de drie jongens en de verdachte bestond uit veel mond, geen handgemeen. Het was alleen je kanker moeder dit, je kanker moeder dat. Allebei de partijen waren bezig. Op straat was er niet gevochten. Het was haantjesgedrag. Er is geen klap uitgedeeld, want ik kwam er gelijk bij om ze uit elkaar te halen.16

Op een later moment verklaarde deze getuige aanvullend:

Ik zag dat de jongens uit de taxi stapten en ik zag ze al een beetje gek doen met elkaar. Ze waren aan het dollen, ze waren gezellig aan het doen. Ik ben naar binnen gegaan bij [eetgelegenheid] om een bak koffie te halen. Voordat ik het wist hoorde ik je kanker moeder je kankermoeder dat. Ik was bij [eetgelegenheid] binnen en het akkefietje is buiten begonnen. De jongens waren alle vier buiten.17 Toen ik buiten kwam was het al bezig. Het was alleen grof taalgebruik. Ik heb geen klap gezien. Ik heb de verdachte weggeduwd, zo van wegwezen. Tegen de jongens heb ik gezegd ga lekker naar binnen hapje eten. Verdachte was emotioneel en opgefokt een beetje. Ik duwde hem weg en hij bleef schelden van dit dat.18 Hij flipte, maar hij liep wel de straat uit.19

De getuige [getuige 2] verklaarde als volgt:

Ik kwam met mijn auto van de andere kant en ik zag een groep jongen bakkeleien. Ik had honger en ik liep naar binnen. Er waren een aantal jongens die een beetje ruzie aan het maken waren. Ik parkeerde schuin voor die tent. De jongens waren uit een taxi gestapt. Die jongens waren aan het schelden toen ik uitstapte. Ik hoorde dat ze dingen riepen met kanker enzo.20

Bewijsoverwegingen

Opzet toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er buiten de [eetgelegenheid] , nadat verdachte zijn bestelling had gekregen, een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en de groep waar [slachtoffer] toe behoorde. Vast staat ook dat door beide partijen over en weer is gescholden. De toezichthouder van [eetgelegenheid] heeft vervolgens de partijen gescheiden, waarna [slachtoffer] en zijn twee vrienden de [eetgelegenheid] zijn binnengegaan. Verdachte vertrok scheldend richting de Mimosastraat.

Vervolgens komt verdachte, nauwelijks tweeëneenhalve minuut nadat [slachtoffer] en zijn vrienden in de [eetgelegenheid] zijn, ook weer de [eetgelegenheid] in. Zonder zijn pas in te houden kijkt verdachte naar [slachtoffer] en haalt direct en zonder enige aarzeling uit met zijn rechterhand en raakt [slachtoffer] hard op zijn hoofd. De vrienden van [slachtoffer] en de toezichthouder van [eetgelegenheid] proberen tussenbeide te komen, maar verdachte deelt een tweede vuistslag uit. Hoewel [slachtoffer] op dat moment al in elkaar is gezakt, probeert verdachte al vechtend nog steeds bij zijn slachtoffer te komen, hetgeen hem wordt belet door de toezichthouder en vrienden van [slachtoffer] .

Uit de camerabeelden volgt ook dat [slachtoffer] de vuistslagen niet heeft zien aankomen. Een eerste vuistslag kwam terecht op de linkerzijde van zijn gezicht ter hoogte van de kaak/slaap. De tweede vuistslag kwam terecht op de linker achterzijde van zijn hoofd, ter hoogte van de hals.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd, de slaap en de hals, zeer kwetsbare gebieden van het menselijk lichaam betreffen. Verdachte heeft deze kwetsbare gebieden hard geraakt, zonder dat [slachtoffer] dit zag aankomen. Hij kon zich dan ook niet verweren en/of schrap zetten tegen het naderende geweld. Deze vuistslagen hebben voor [slachtoffer] een fatale afloop gehad.

De rechtbank is van oordeel dat dergelijke klappen naar de uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

Het verweer van de raadsvrouw dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet wordt verworpen.

Voorbedachten raad

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachten raad”.

De rechtbank overweegt hiertoe dat er wel indicaties zijn waardoor gesproken zou kunnen worden van een situatie waarbij verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit; een zogeheten periode van “rustig beraad en kalm overleg”. De rechtbank ziet dergelijke indicaties onder meer in de omstandigheid dat de verklaring van verdachte dat hij eerst zou zijn geslagen door het groepje waar [slachtoffer] toe behoorde, niet wordt ondersteund door enige andere verklaring. De getuigen verklaren daarentegen alleen over een verbale woordenwisseling. Bij verdachte is evenmin letsel waargenomen. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachte eerst door één van de drie jongens zou zijn geslagen.

Daarnaast heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat hij in de [eetgelegenheid] werd aangevallen door [slachtoffer] en zijn vrienden en dat hij als reactie daarop heeft teruggeslagen. Het uitkijken van de camerabeelden heeft uitgewezen dat deze verklaring aantoonbaar onjuist is. Dit doet verdere afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte.

De verklaring van verdachte, dat hij in de Mimosastraat even is gaan zitten omdat hij zich door de klap onwel voelde, is eveneens aantoonbaar onjuist: verdachte is niet gaan zitten, maar blijven staan, zo blijkt uit de camerabeelden die zich in het dossier bevinden. Verdachte heeft daar zijn pet afgedaan en zijn eerder gedane bestelling neergezet. Daarna is verdachte teruggelopen naar de [eetgelegenheid] . De tussenliggende periode van het vertrek van verdachte bij de [eetgelegenheid] - tevens het moment van binnenkomst van de drie jongens - en het moment waarop verdachte de [eetgelegenheid] weer binnenkomt bedraagt een kleine tweeëneenhalve minuut. De woordenwisseling was toen al voorbij en verdachte had zich in deze periode kunnen bezinnen over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Tenslotte kan een dergelijke indicatie worden gevonden in de omstandigheid dat uit de camerabeelden niet blijkt van enige aarzeling of twijfel bij verdachte. Verdachte gaat in rechte lijn en met versnelde pas recht op [slachtoffer] af en haalt onmiddellijk uit.

Daarentegen staat ook vast dat er voorafgaande aan het gebeuren in de [eetgelegenheid] , kort daarvoor buiten een woordenwisseling/scheldpartij heeft plaatsgevonden tussen verdachte en de drie vrienden, waarbij over en weer is gescholden en waarna verdachte al scheldend vertrok. Dit incident heeft bij verdachte tot een hevige gemoedstoestand kunnen leiden. De wijze waarop verdachte kort na dit incident de [eetgelegenheid] min of meer komt binnenstormen en vervolgens ook blijft doortrappen en slaan nadat [slachtoffer] al op de grond ligt, kan ook duiden op een gemoedstoestand van een hevige opwelling en/of hevige drift. Dit geldt als een contra-indicatie voor het kunnen aannemen van voorbedachten raad.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich enige tijd heeft beraden op een door hem genomen besluit. Eerder lijkt het zo te zijn dat de besluitvorming en de uitvoering in een plotselinge hevige drift of gemoedsopwelling hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte niet de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Dat betekent als gezegd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachten raad” komt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft gehad.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

op 7 juli 2018 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk meermaals met kracht tegen het hoofd en de nek te stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

7 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem subsidiair bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft opgemerkt dat de strafeis van de officier van justitie buitensporig hoog is en niet past bij hetgeen doorgaans door de rechtspraak in dergelijke gevallen wordt opgelegd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Met twee harde slagen heeft verdachte in de nacht van 7 juli 2018 [slachtoffer] dermate ernstig hersenletsel toegebracht dat hij ten gevolge daarvan vijf dagen later is overleden.

Na een avondje stappen is op die avond aan het leven van [slachtoffer] op een abrupte en schokkende wijze een einde gekomen. Die nacht was er sprake van een voorafgaande woordenwisseling en scheldpartij tussen verdachte en [slachtoffer] en zijn vrienden, vlakbij de eetgelegenheid [eetgelegenheid] , waar verdachte net zijn bestelling had gehaald. Door tussenkomst van de toezichthouder van deze eetgelegenheid werd dit geschil snel gesust en werd verdachte weggestuurd. [slachtoffer] en zijn vrienden wachtten vervolgens in de [eetgelegenheid] in een zichtbaar vrolijke stemming op hun bestelling. Plotseling en uit het niets kwam verdachte binnen en sloeg [slachtoffer] onverhoeds op een laffe wijze en zo hard dat hij bewusteloos in elkaar zakte en vijf dagen later overleed.

Een futiele aanleiding; een ruzietje op straat, met een verschrikkelijk gevolg. [slachtoffer] heeft de klappen van verdachte niet zien aankomen. Schokkend is ook de blinde woede bij verdachte. Nadat [slachtoffer] door de eerdere slagen van verdachte al in elkaar is gezakt, gaat verdachte door. Al trappend en schoppend moet hij door anderen uit de buurt van [slachtoffer] worden gehouden.

Het handelen van verdachte heeft aan de nabestaanden en vrienden van [slachtoffer] onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Zij moeten verder leven, met hun verdriet en hun woede.

[slachtoffer] was geliefd bij velen, maar hen rest nu slechts het koesteren van dierbare herinneringen aan hem. Er kunnen geen herinneringen meer bijkomen. Het leven van [slachtoffer] is abrupt ten einde gekomen. Zowel de ouders van [slachtoffer] als zijn broer en zus hebben hun verdriet ter terechtzitting op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat door dit feit ook anderen in de omgeving en de samenleving hierdoor ernstig geschokt zijn.

Dergelijk volstrekt zinloos uitgaansgeweld schokt de rechtsorde in het algemeen en leidt tot grote gevoelens van onveiligheid en verontwaardiging in de samenleving.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 3 december 2018, ten nadele van verdachte;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia van 12 september 2018, opgesteld door R. Bout, GZ-psycholoog;

- een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 6 september 2018, opgesteld door T. den Boer, psychiater;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 15 januari 2019, opgesteld door C.P.M. Cruijen, reclasseringswerker.

Uit de rapportages Pro Justitia is gebleken dat verdachte functioneert op licht verstandelijk

beperkt niveau. In tegenstelling tot de psychiater is de psycholoog van mening dat de

gedragsproblematiek van verdachte is te classificeren als een gedragsstoornis, te weten

een antisociale gedragsstoornis voortkomend uit de verstandelijke beperking van verdachte.

Beide onderzoekers komen echter tot de gevolgtrekking dat dit verschil met name een

nuanceverschil en classificatieverschil is, met beperkte forensische repercussies. Dit blijkt

ook uit de advisering die gelijkluidend is. Door beide deskundigen wordt geen relatie gezien

tussen de vastgestelde licht verstandelijke beperking en het ten laste gelegde feit. Evenmin is

bij verdachte een stoornis in de agressieregulatie vastgesteld.

Beide onderzoekers komen tot het advies verdachte toerekeningsvatbaar te achten voor het

hem ten laste gelegde.

Het risico op geweld kan niet los gezien kan worden van de eventuele keuzes die verdachte

maakt, terwijl deze keuzes niet het gevolg zijn van psychopathologisch bepaalde

beperkingen. Gelet hierop zien beide onderzoekers geen grond om een interventie met het

oog op het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst te adviseren.

Uitgaande van bovengenoemde bevindingen van beide onderzoekers komt ook de

reclassering tot het advies verdachte toerekeningsvatbaar te achten voor het ten laste gelegde

waardoor interventies niet zijn geïndiceerd. Indien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf

zal worden opgelegd zal tijdens zijn faseringstraject opnieuw onderzoek kunnen worden

gedaan of interventies dan wel een behandeling geïndiceerd zijn.

Verder weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte vanaf het eerste begin

geen openheid van zaken heeft gegeven, maar daarentegen steeds met wisselende

verklaringen de schuld buiten zichzelf heeft trachten te leggen.

Zo heeft de verdachte ook na het tonen van de camerabeelden ter zitting nog steeds

volgehouden dat hij opnieuw bij de [eetgelegenheid] naar binnen ging om (nog) een broodje te halen. Uit

de beelden blijkt als gezegd dat dat niet klopt: hij ging immers in een rechte lijn naar binnen

en heeft zonder aarzelen uitgehaald naar de nietsvermoedende [slachtoffer] . Zonder deze te

herhalen heeft de rechtbank hiervoor ook al andere tegenstrijdigheden in verdachtes

verklaring benoemd. Deze - met het dossier tegenstrijdige - uitlatingen

lijken erop te zijn gericht de eigen verantwoordelijkheid af te zwakken. Dit maakt dat de

rechtbank, die er wel van uitgaat dat verdachte dit gevolg niet heeft gewild, twijfels heeft

over de spijtbetuiging van verdachte.

Verder weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat uit het feitencomplex blijkt dat

verdachte - hoewel geen sprake is geweest van ‘kalm beraad en rustig overleg’- pas enige tijd

na het eerdere incident op straat bij [eetgelegenheid] naar binnen komt stormen en doelbewust op [slachtoffer]

af gaat.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat verdachte blijkens de over hem opgemaakte rapportages

zijn handelen volledig kan worden toegerekend.

Gelet op al het voorgaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Bij haar oordeel heeft de rechtbank betrokken dat zij, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, komt tot een bewezenverklaring van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de dood tot gevolg hebbend. Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van de voorbedachten rade, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

10 BENADEELDE PARTIJEN

Mevrouw [benadeelde 1] (de moeder van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 7.923,29. Dit bedrag bestaat uit

€ 2.923,29 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade (shockschade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 2] (de vader van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 11.639,19. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 3] (de broer van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.000,- immateriële schade (shockschade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

Mevrouw [benadeelde 4] (de zus van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 7.385,-. Dit bedrag bestaat uit € 2.385,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade (shockschade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 5] (een vriend van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 13.155,-. Dit bedrag bestaat uit € 6.155,- materiële schade en € 7.000,- immateriële schade (shockschade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 6] (een vriend van [slachtoffer] ) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.085,-. Dit bedrag bestaat uit € 1.085,- materiële schade en € 7.000,- immateriële schade (shockschade), ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van alle vorderingen op het standpunt gesteld dat deze voor toewijzing in aanmerking komen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de verschillende vorderingen de volgende opmerkingen gemaakt.

Opmerkingen van de raadsvrouw ten aanzien van het materiële deel van de vorderingen:

De materiële vordering van [benadeelde 2] kan integraal worden toegewezen.

Ten aanzien van het materiële vorderingen van [benadeelde 1] , de moeder van het slachtoffer, en [benadeelde 4] , de zus van het slachtoffer, heeft de raadsvrouw zich op dat standpunt gesteld dat de kostenposten “mogelijke kosten voor nog te verwachten therapieën” dient te worden afgewezen. Deze posten zijn niet onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 5] merkt de raadsvrouw op dat de gevorderde schade moet worden afgewezen vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de door verdachte gepleegde handelingen jegens het slachtoffer en de door deze benadeelde partij geleden schade.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 6] merkt de raadsvrouw op dat de gevorderde schade moet worden afgewezen nu het gaat om een te ver verwijderd verband tussen de gevorderde schade in relatie tot het feit.

Opmerkingen van de raadsvrouw ten aanzien van de immateriële delen van de vorderingen (shockschade):

Ten aanzien van de gevorderde shockschade door [benadeelde 1] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft de raadsvrouw opgemerkt dat er geen ruimte is voor het toekennen van deze schade. Bij shockschade gaat het om psychisch letsel dat het gevolg is van het waarnemen of direct geconfronteerd worden met de ernstige gevolgen van een onrechtmatige daad die is gepleegd jegens een ander en ten gevolge waarvan die ander is overleden of is gewond.

Omdat de moeder, de broer en de zus van het slachtoffer niet bij het delict aanwezig zijn geweest, dient de door hen gevorderde shockschade te worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade door [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat deze vorderingen eveneens dienen te worden afgewezen. De raadsvrouw is van mening dat niet is voldaan aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria, namelijk dat er sprake dient te zijn van een nauwe en affectieve relatie tussen het slachtoffer en de getuige. Daarvoor is meer vereist dan het zijn van een goede vriend.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde 1]

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost shockschade (immateriële schade) ter hoogte van € 5.000 komt voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 1] niet direct bij de gebeurtenis op 7 juli 2018 aanwezig is geweest. Zij is evenwel direct daarna in het ziekenhuis geconfronteerd met het geweld dat op haar zoon was uitgeoefend. Vijf lange dagen heeft zij volstrekt machteloos moeten toezien hoe er voor het leven van [slachtoffer] werd gevochten, totdat het tenslotte niet langer meer kon. Dat zij hierdoor getraumatiseerd is geraakt en aldus rechtstreekse schade heeft opgelopen, staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten “eigen risico ziektekostenverzekering”, “medicatie (eigen bijdrage apotheek)”, “kosten dierenpension”, “rouwboeket”, “kosten eten ziekenhuis”, “parkeerkosten ziekenhuis, extra benzinekosten” en “reiskosten in verband met strafzaak” (materiële schade) ter hoogte van € 923,29 komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 5.923,29 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.923,29, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 64 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Met betrekking tot de toekomstige kostenposten “medische kosten in toekomst, te verwachten therapieën” en “reis- en parkeerkosten in verband met eventueel vervolg van strafzaak” (totaal € 2.000,-) heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij ter terechtzitting de rechtbank verzocht over deze kostenposten een oordeel te vellen, in de zin van een niet-ontvankelijkheidverklaring. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

Vordering [benadeelde 2]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten bestaande uit de kosten van lijkbezorging en medische kosten die verband houden met de ziekenhuisopname en het overlijden van [slachtoffer] (materiële schade), komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank waardeert deze schade op € 11.639,19 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 11.639,19, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 93 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Vordering [benadeelde 3]

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost shockschade (immateriële schade) ter hoogte van € 5.000,- komt voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 3] niet direct bij de gebeurtenis op 7 juli 2018 aanwezig is geweest. Hij is evenwel direct daarna in het ziekenhuis geconfronteerd met het geweld dat op zijn broer was uitgeoefend. Vijf lange dagen heeft hij volstrekt machteloos moeten toezien hoe er voor het leven van [slachtoffer] werd gevochten, totdat het tenslotte niet langer meer kon. Dat hij hierdoor getraumatiseerd is geraakt en aldus rechtstreekse schade heeft opgelopen, staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 5.000,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Vordering [benadeelde 4]

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost shockschade (immateriële schade) ter hoogte van € 5.000,- komt voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 4] niet direct bij de gebeurtenis op 7 juli 2018 aanwezig is geweest. Zij is evenwel direct daarna in het ziekenhuis geconfronteerd met het geweld dat op haar broer was uitgeoefend. Vijf lange dagen heeft zij volstrekt machteloos moeten toezien hoe er voor het leven van [slachtoffer] werd gevochten, totdat het tenslotte niet langer meer kon. Dat zij hierdoor getraumatiseerd is geraakt en aldus rechtstreekse schade heeft opgelopen, staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost “eigen risico zorgverzekering” (materiële schade) ter hoogte van € 385,- komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 5.385,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 4] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.385,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 61 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Met betrekking tot de toekomstige kostenposten “medische kosten aan mogelijk benodigde extra therapieën” en “reis en parkeerkosten in verband met eventueel vervolg van strafzaak” (totaal € 2.000,-) heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij ter terechtzitting de rechtbank verzocht over deze kostenposten een oordeel te vellen, in de zin van een niet-ontvankelijkheidverklaring. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

Vordering [benadeelde 5]

De schade voor zover die betrekking heeft op de materiele schadeposten “eigen risico zorgverzekering” en “kosten rechtsbijstand” ter hoogte van € 885,- komt voor vergoeding in aanmerking. De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost shockschade (immateriële schade) ter hoogte van € 2.500,- komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 5] direct bij de gebeurtenis op 7 juli 2018 aanwezig is geweest en dat [slachtoffer] voor hem een zeer naaste jeugdvriend was. Naar het oordeel van de rechtbank was er dan ook voldoende sprake van een nauwe en affectieve relatie tussen hen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 3.385,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente (met uitzondering van de schadepost “kosten rechtsbijstand”) , vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 5] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.885,- ,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met38 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel (namelijk het meerdere aan immateriële schade alsmede de schade aan inkomstenderving) een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank staat de gevorderde materiële schadepost in een te ver verwijderd verband met betrekking tot het gepleegde feit.

Vordering [benadeelde 6]

De schade met betrekking tot materiele schadeposten “eigen risico zorgverzekering” en “kosten rechtsbijstand” ter hoogte van € 885,- komt voor vergoeding in aanmerking.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost shockschade (immateriële schade) ter hoogte van € 2.500,- komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 6] direct bij de gebeurtenis op 7 juli 2018 aanwezig is geweest en dat [slachtoffer] voor hem een zeer naaste jeugdvriend was. Naar het oordeel van de rechtbank was er dan ook voldoende sprake van een nauwe en affectieve relatie tussen hen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 3.385,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente (met uitzondering van de schadepost “kosten rechtsbijstand”), vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 6] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.885,-,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 38 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 6] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 5.923,29;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 5.923,29 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 64 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

[benadeelde 2]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 11.639,19 ;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 11.639,19 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 93 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 5.000,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 4]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 4] toe tot een bedrag van € 5.385,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 4] aan de Staat € 5.385,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 61 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    verklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

[benadeelde 5]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 5] toe tot een bedrag van € 3.385,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 5] aan de Staat € 2.885,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 38 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    verklaart [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

[benadeelde 6]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 6] toe tot een bedrag van € 3.385,-,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 6] aan de Staat € 2.885,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 38 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. J.W. Veenendaal en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 februari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 7 juli 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] (meermaals) (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de nek, althans het lichaam, te slaan en/of stompen;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het voorgaande niet tot een veroordeling zou leiden:

hij op of omstreeks 7 juli 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk (meermaals) (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de nek, althans het lichaam, te slaan en/of stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het voorgaande niet tot een veroordeling zou leiden:

hij op of omstreeks 7 juli 2018 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meermaals) (met kracht) in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de nek, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende einddossier met nummer 2018194640 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2019.

3 Pag. 73 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

4 Pag. 74 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

5 Pag. 75 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

6 Pag. 76 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

7 Pag. 77 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

8 Pag. 77 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

9 Pag. 78 (proces-verbaal van bevindingen camerabeelden)

10 De ter terechtzitting bekeken camerabeelden van de eetgelegenheid [eetgelegenheid] .

11 Pag. 138 (schouwverslag GGD Regio Utrecht)

12 Pag. 146 (voorlopig sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)

13 Pag. 147 (voorlopig sectierapport van het NFI)

14 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het NFI van 13 december 2018, pag. 6-7.

15 Pag. 209 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] )

16 Pag. 210 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] )

17 Pag. 213 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] )

18 Pag. 214 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] )

19 Pag. 215 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] )

20 De verklaring van de getuige [getuige 2] , zoals afgelegd op 14 december 2018 ten overstaan van de rechter-commissaris van deze rechtbank, pag. 2.