Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3627

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-07-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
UTR 17/3577
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep van eisers tegen het gewijzigde maatwerkvoorschrift ten behoeve van de supermarkt is gegrond, omdat dit besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij heeft onderzocht of het oude maatwerkvoorschrift, waarin het gebruik van Quiet Trucks was voorgeschreven voor bevoorrading van de supermarkt voor 7:00 uur in de ochtend, niet naleefbaar was voor de derde-partij en in hoeverre er alternatieven zijn. Voor de geluidaspecten heeft de rechtbank de StAB als deskundige benoemd en zij volgt de conclusies van de StAB. Uit het deskundigenrapport van de StAB volgt dat het aannemelijk is dat aan de voorzijde van de laad- en lossluis van de supermarkt de geluidsnorm uit het maatwerkvoorschrift wordt overschreden. Verder is het aannemelijk dat aan de achterzijde van de laad- en lossluis, waar eisers wonen, het maximale geluidsniveau voor de nachtperiode uit het Activiteitenbesluit wordt overschreden.

Verweerder moet alsnog onderzoeken of het wijzigen van het maatwerkvoorschrift in het belang van de bescherming van het milieu is en daarbij de belangen van alle betrokkenen afwegen. Ook moet verweerder nader akoestisch onderzoek (laten) verrichten over de geluidaspecten. De termijn hiervoor bedraagt zes maanden. Geen overschrijding van de redelijke termijn, dus bestaat er geen aanleiding voor een schadevergoeding. Proceskostenvergoeding bestaat alleen uit reiskosten. De kosten van de door eisers ingeschakelde deskundige in de zienswijzenprocedure tegen het ontwerpbesluit komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3577

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juli 2019 in de zaak tussen

1 [eiser 1] , te [woonplaats] ,

2 [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal, verweerder

(gemachtigden: G. Wagelmans en M.A. Wijnen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., gemachtigde mr. J.P.C. Obbink.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder gewijzigde maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de activiteiten binnen de inrichting van de derde-partij gelegen aan de [adres] te [woonplaats] .

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door
[A] , geluidsdeskundige van het [adviesbureau 1] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

De rechtbank heeft op 20 juli 2018 besloten het onderzoek te heropenen en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige te benoemen voor het uitbrengen van een advies.

Op 11 december 2018 heeft de StAB schriftelijk advies uitgebracht.

Eisers hebben op 17 januari 2019 gereageerd op het definitieve advies van de StAB.

Verweerder heeft op 4 februari 2019 gereageerd op het rapport van de StAB en bij haar reactie een aanvullende rapportage van het [adviesbureau 1] van 3 februari 2019 ingebracht.

Verweerder heeft bij brief van 18 februari 2019 een aanvullend reactie gegeven en aanvullende informatie aangeleverd.

Bij brief van 17 april 2019 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor een nadere zitting op 10 mei 2019 en daarnaast aan partijen gevraagd zich op een aantal mogelijke uitkomsten van de procedure voor te bereiden voor deze zitting. De rechtbank heeft partijen verzocht geen nadere stukken meer in te dienen.

Bij brief van 18 april 2019 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over de gewijzigde samenstelling van de meervoudige kamer.

Bij brief van 25 april 2019 hebben eisers een schriftelijke reactie ingediend en meegedeeld dat zij niet op de zitting zullen verschijnen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2019. Eisers zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
G. Wagelmans , bijgestaan door [A] van het [adviesbureau 1] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en drs. [C] , bijgestaan door de gemachtigde. Verder zijn ing. [D] en ing. [E] , beiden als geluidsdeskundige werkzaam bij de StAB, verschenen.

Overwegingen

Feiten en grondslag besluitvorming

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De derde-partij

exploiteert een supermarkt gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (de inrichting). Bij besluit van 8 december 2015 heeft verweerder voor de activiteiten binnen de inrichting de volgende maatwerkvoorschriften gesteld:

1. Het oostelijk parkeerterrein dient tussen 18:30 uur en 7:00 uur doelmatig afgesloten te zijn. (…)

2. Binnen de inrichting mogen van maandag tot en met zaterdag tussen 6:00 en 7:00 uur maximaal twee vrachtwagens per dag komen laden en lossen. De betreffende vrachtauto’s moeten voldoen aan de Quiet-truckcertificering/PIEK-programma. De maximaal toegestane geluidsniveaus (LAmax) zijn hieronder in de gele markering weergegeven (overeenkomstig akoestisch rapport 20140599/D03/SB van 4 mei 2015 en 20140599/D04/SB van 12 oktober 2015.

Rekenpunt

Omschrijving

Dag norm: 70

Avond norm: 65

Nacht norm: 60

014

[adres]

74

64

65

015

[adres]

79

61

70

016

[adres]

73

53

65

017

[adres]

69

51

61

Aan het besluit van 8 december 2015 liggen twee akoestische rapporten ten grondslag van [adviesbureau 2] , van respectievelijk 4 mei 2015 en van 12 oktober 2015.

1.2

Bij brief van 22 december 2016 heeft [adviesbureau 3] , namens derde-partij, verweerder verzocht om het middelvoorschrift met betrekking tot de Quiet-truckcertificering te laten vervallen (het oude maatwerkvoorschrift), omdat dit voorschrift in de praktijk niet kan worden nageleefd door de derde-partij. Verzocht is om uitsluitend een doelvoorschrift te stellen, waarin wordt vastgelegd dat de maximaal toegestane geluidsbelasting van 70 dB(A) niet mag worden overschreden. Bij dit verzoek heeft de derde-partij een akoestisch onderzoek van [adviesbureau 4] B.V. ( [adviesbureau 4] ) van 20 december 2016 gevoegd. Nadat verweerder de derde-partij daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, heeft zij het verzoek aangevuld met twee aanvullende akoestische rapporten van [adviesbureau 4] van 10 februari 2017, met de kenmerken M.2016.1353.01.R001 en M.2016.1353.02.R001.

1.3

Verweerder heeft het [adviesbureau 1] verzocht om te adviseren over het verzoek tot wijziging van het oude maatwerkvoorschrift. Het [adviesbureau 1] heeft op 6 april 2017 gerapporteerd. Vervolgens heeft verweerder een ontwerpbesluit dat strekt tot wijziging van de maatwerkvoorschriften van 8 december 2015 ter inzage gelegd. Hiertegen hebben eisers op 30 mei 2017 zienswijzen ingediend, waarbij zij een rapport van [adviesbureau 5] van 31 januari 2017 hebben gevoegd. Op 1 augustus 2017 heeft het [adviesbureau 1] schriftelijk gereageerd op de ingediende zienswijzen. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2.1

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het oude maatwerkvoorschrift niet naleefbaar is gebleken en dat uit de akoestische onderzoeken van [adviesbureau 4] en het [adviesbureau 1] blijkt dat ook zonder de Quiet-truckcertificering kan worden voldaan aan de destijds vastgestelde verhoogde geluidsnormering, mede vanwege de gerealiseerde laad-/ en lossluis waardoor inpandig kan worden geladen en gelost.

2.2

Verweerder heeft de maatwerkvoorschriften bij het bestreden besluit als volgt vastgesteld:

1. Het oostelijk parkeerterrein dient tussen 18:30 uur en 7:00 uur doelmatig afgesloten te zijn. (…)

2. Binnen de inrichting mogen van maandag tot en met zaterdag tussen 6:00 en 7:00 uur maximaal twee vrachtwagens per dag komen laden en/of lossen, indien gebruik wordt gemaakt van de laad-/loshal. De maximaal toegestane geluidsniveaus (LAmax) welke gelden ten tijde van deze periode zijn hieronder weergegeven:

[adres] 70 dB(A)

[adres] 61 dB(A)

3. Het is niet toegestaan om voor 7:00 uur buiten de laad-/lossluis, in de onmiddellijke nabijheid van en ten behoeve van de inrichting te laden en/of lossen.

4. De roldeuren van de laad-/lossluis dienen gesloten te zijn op het moment dat een vrachtwagen de motor aan- of uitzet en gedurende het daadwerkelijk overladen van goederen. De roldeur aan de achterzijde dient dus pas geopend te worden op het moment dat de laad- en loshandelingen zijn afgerond en de chauffeur de motor van de vrachtwagen heeft gestart.

Ontvankelijkheid van het beroep, relativiteit en hoor- en wederhoor

3. Derde-partij heeft het standpunt ingenomen dat eisers geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit omdat dit besluit voor hen geen gevolgen van enige betekenis heeft.

4. Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 28 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1066)

en van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271), is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit.

De rechtbank is van oordeel dat eisers rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de het laden en lossen ten behoeve van de inrichting. Zij wonen immers op korte afstand van de uitgang van de laad- en lossluis. De in het bestreden besluit vastgestelde maatwerkvoorschriften, waarbij onder meer het voorschrift met betrekking tot het gebruik van gecertificeerde Quiet-trucks is vervallen, staat een verandering in het laden en lossen toe en dat kan dus gevolgen hebben voor eisers. Dat de in het maatwerkvoorschrift neergelegde (hogere) geluidgrenswaarden niet expliciet op hun woningen betrekking hebben, doet daar niet aan af. Eisers kunnen dan ook als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

6. De rechtbank volgt de derde-partij ook niet in het standpunt dat eisers geen belang hebben bij een beoordeling van hun beroep. Eisers beogen immers met deze procedure te bereiken dat de wijziging van het oude maatwerkvoorschrift ongedaan wordt gemaakt, omdat zij menen dat het gebruik van Quiet-trucks voor hun woningen leidt tot een lagere geluidsbelasting. Nu het ongedaan maken van de wijziging van het oude maatwerkvoorschrift met deze procedure kan worden bereikt, hebben eisers belang bij de beoordeling van hun beroep.

7. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eisers kunnen worden ontvangen in hun beroep.

8. Ook het relativiteitsvereiste staat niet in de weg aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van eisers. De derde-partij heeft gesteld dat het relativiteitsvereiste, zoals vastgelegd in artikel 8:69a van de Awb, aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, beogen eisers met deze procedure te bereiken dat de wijziging van het voorschrift met betrekking tot het gebruik van gecertificeerde Quiet-trucks ongedaan wordt gemaakt. Eisers stellen zich op het standpunt dat zonder Quiet-trucks de geluidsbelasting op hun woningen in strijd komt met de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Deze normen zien naar het oordeel van de rechtbank op de bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden van een inrichting. Deze normen strekken daarom ter bescherming van de belangen van eisers. Artikel 8:69a van de Awb staat dan ook niet in de weg aan een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit.

9. Eisers hebben bij brief van 25 april 2019 gereageerd op de brief van de rechtbank van 17 april 2019. In hun brief hebben eisers inhoudelijk gereageerd op het rapport van de StAB van 11 december 2018 en het rapport van het [adviesbureau 1] van 3 februari 2019. Zij betogen dat deze mogelijkheid van een inhoudelijke reactie, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, hun niet mag worden ontnomen.

10. De derde-partij en verweerder hebben zich op het standpunt gesteld dat de brief van eisers van 25 april 2019 buiten beschouwing moet worden gelaten vanwege de regieaanwijzing van de rechtbank in de brief van 17 april 2019.

11. De rechtbank stelt voorop dat zij met haar brief van 17 april 2019 regie heeft willen voeren om de behandeling van het beroep in goede banen te leiden zonder opnieuw veel schriftelijke stukken te ontvangen. De bedoeling was om met partijen op de nadere zitting van gedachten te wisselen over de mogelijke uitkomsten van deze zaak en wat die betekenen voor partijen. Er is echter geen wettelijke regel of ongeschreven rechtsbeginsel dat eisers belet om nadere stukken in te dienen. Hoewel verweerder en de derde-partij niet meer schriftelijk hebben gereageerd op de brief van eisers heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor toegepast door de inhoud van deze brief met hen te bespreken tijdens de zitting op 10 mei 2019 en hebben zij op dat moment alsnog de gelegenheid gehad om hierop mondeling te reageren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de brief van eisers van 25 april 2019 buiten beschouwing te laten.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep

12. Voor het wettelijk kader wijst de rechtbank op de bijlage bij deze uitspraak.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1696) heeft verweerder beleidsruimte bij de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. Dit volgt ook uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3307). In die uitspraak is verder overwogen dat een wijziging van voorschriften, die op zichzelf een verruiming van de geluidnormen inhoudt, in het belang van de bescherming van het milieu kan zijn.

13. Aan de rechtbank ligt dus de vraag voor of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het oude maatwerkvoorschrift, over het gebruik van Quiet-trucks, te laten vervallen.

14. Verweerder heeft aan zijn besluit om dit voorschrift te schrappen twee redenen ten grondslag gelegd. De eerste reden is dat volgens verweerder van de derde-partij niet verwacht kan worden om de supermarkt voor 7:00 uur in de ochtend door Quiet-trucks te laten bevoorraden, omdat de derde-partij het gebruik van de vervoersmiddelen niet in de hand heeft. De tweede reden is dat met het gebruik van vrachtwagens met een euro 6 motor dezelfde geluidsniveaus gehaald kunnen worden. Verweerder heeft zich hiervoor gebaseerd op de geluidsrapporten van [adviesbureau 4] en het [adviesbureau 1] .

15. Eisers voeren over de eerste reden van verweerder aan dat hij zijn stelling, dat niet van de derde-partij verwacht kan worden om Quiet-trucks te laten gebruiken niet, heeft onderbouwd. Bovendien is deze wijziging van het maatwerkvoorschrift niet in het belang van de bescherming van het milieu. Quiet-trucks zijn immers BBT, aldus eisers.

16. De rechtbank overweegt dat op verweerder een zware motiveringsplicht rust bij wijziging van een bestaand maatwerkvoorschrift. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of naleving van dit voorschrift wel of niet van de derde-partij kan worden verlangd. De enkele omstandigheid dat de derde-partij heeft verklaard dat haar leveranciers niet over de vereiste Quiet-trucks beschikken, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Dat zou namelijk betekenen dat het oude maatwerkvoorschrift van het begin af aan niet realistisch is geweest. Verweerder had op basis van eigen onderzoek zich een oordeel moeten vormen over de naleefbaarheid van het oude maatwerkvoorschrift. Verweerder had bijvoorbeeld kunnen onderzoeken in hoeverre de stelling van de derde-partij dat zij het niet in haar macht heeft om de supermarkt in de vroege ochtend te laten bevoorraden door middel van Quiet-trucks juist is en in hoeverre er alternatieven zijn. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij een dergelijk onderzoek heeft verricht en wat de uitkomsten daarvan zijn, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de derde-partij bij wijziging van het oude maatwerkvoorschrift in redelijkheid zwaarder moet wegen dan het belang van omwonenden bij handhaving van dat maatwerkvoorschrift. De beroepsgrond slaagt. Gelet hierop kan het argument van eisers dat het oude maatwerkvoorschrift zonder meer had moeten blijven gelden omdat Quiet-trucks BBT zijn, onbesproken blijven.

17. Eisers voeren over de tweede reden van verweerder aan dat hij er ten onrechte vanuit gaat dat met het gebruik van vrachtwagens met een euro 6 motor dezelfde geluidsbelasting kan worden gehaald. Eisers betogen dat een euro 6 motor niets zegt over de geluidbelasting, maar uitsluitend betekenis heeft voor de uitstoot van de vrachtwagen. Eisers hebben diverse argumenten aangevoerd waarom de akoestische onderzoeken waarop verweerder zich voor de bestreden besluitvorming heeft gebaseerd niet zorgvuldig zijn verricht. Zij hebben onder meer de directe en indirecte hinder van de inrichting, de toegepaste meetcorrecties op de door [adviesbureau 4] verrichte metingen en de gehanteerde bronvermogens in de geluidsberekeningen van het [adviesbureau 1] betwist onder verwijzing naar het bij hun zienswijzen ingediende contra-expertiserapport van [adviesbureau 5] .

18. De rechtbank heeft aanleiding gezien om over de geluidsaspecten een geluidsdeskundige van de StAB te benoemen. De StAB heeft op 11 december 2018 een advies, met kenmerk StAB-40628, uitgebracht. Volgens de StAB is in de akoestische rapportages van [adviesbureau 4] en het [adviesbureau 1] met name aan de zijde van de [straat] , maar ook aan de zijde van de [straat] , uitgegaan van een te gering invloedgebied voor het bepalen van de directe hinder van de inrichting door laad- en losactiviteiten. In de laatste rapportage van het [adviesbureau 1] van 29 november 2018 is variant 1a opgenomen waarin het invloedgebied overeenkomt met de door de StAB gehanteerde invloedssfeer van de inrichting. Het in dit rapport van het [adviesbureau 1] gehanteerde bronvermogen van een langzaam rijdende vrachtwagen is volgens de StAB realistisch. De StAB concludeert verder dat aan de zijde van de [straat] in de akoestische onderzoeken ten onrechte geen rekening is gehouden met andere piekgeluiden dan het aandrijfgeluid van de vrachtwagens, zoals het afblazen van remlucht. Ook concludeert de StAB dat [adviesbureau 4] terecht rekening heeft gehouden met een gevelreflectiecorrectie van 3 dB, maar de correctie voor de meetafstand is ten onrechte toegepast. Het voorgaande leidt volgens de StAB tot de conclusie dat de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau uit het maatwerkvoorschrift van 24 augustus 2017 bij woningen aan de zijde van de [straat] en die uit het Activiteitenbesluit bij maatgevende woningen aan de zijde van de [straat] worden overschreden.

19. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3819), mag een rechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige, als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

20.1

De rechtbank is van oordeel dat het verslag van de StAB zorgvuldig tot stand is gekomen en ook geen gebreken bevat zoals onder 19 beschreven. De rechtbank zal de StAB volgen in haar conclusies en overweegt daartoe als volgt.

20.2

Volgens de StAB ligt het in de rede om het geluid van aanrijdende vrachtwagens mee te nemen als directe geluidhinder vanaf het punt waarop de vrachtwagen de voor het verkeer normale, doorgaande rijroute over de [straat] verlaat. De rechtbank kan dit oordeel over de inrichtingsgrens aan de voorkant van de laad- en lossluis van de supermarkt, gelet op de specifieke verkeerssituatie en de krapte van de weg, volgen. In wat verweerder en de derde-partij daarover hebben aangevoerd, ziet de rechtbank gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt geen aanleiding de StAB niet te volgen.

Uitgaande van deze inrichtingsgrens kan het argument van verweerder dat het aandrijfgeluid van de vrachtwagen wordt afgeschermd door de oplegger waardoor de piekbelasting lager is onbesproken blijven. Dat argument is immers alleen relevant als de inrichtingsgrens wordt aangehouden zoals verweerder heeft gehanteerd, maar daar gaat de rechtbank dus niet in mee.

Over het door de deskundigen van de StAB geconstateerde piekgeluid dat optreedt door het afblazen van remlucht heeft de rechtbank op de zitting vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat hiervoor een voorschrift moet worden gesteld.

De rechtbank volgt de StAB ook in haar oordeel over de correcties. [adviesbureau 4] heeft terecht en conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (HMRI 1999) een gevelreflectiecorrectie van 3 dB toegepast. [adviesbureau 4] had echter niet ook een correctie van 2 dB voor de meetafstand mogen toepassen, omdat de HMRI 1999 expliciet voorschrijft dat voor het toepassen van deze correctie het referentieniveau niet in de nabijheid van belangrijk reflecterende vlakken (gebouwen) mag zijn gelegen. Op de zitting hebben de deskundigen van de StAB toegelicht dat in de situatie waarin [adviesbureau 4] geluidsmetingen heeft verricht wel sprake was van reflecterende vlakken, namelijk de gevels van de woningen aan de [straat] .

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat aan de voorkant van de laad- en lossluis van de supermarkt de geluidsnorm uit het maatwerkvoorschrift wordt overschreden.

20.3

Volgens de deskundigen van de StAB geldt dat aan de achterkant van de laad- en lossluis van de supermarkt tot de directe hinder moet worden gerekend het moment dat de vrachtwagens na het laden en lossen met de achterwielen uit de kuil van de laad- en losruimte zijn gereden en de vrachtwagens zich volledig op de openbare weg bevinden. De rechtbank heeft op de zitting haar constatering dat het [adviesbureau 1] in het rapport van 3 februari 2018 in de berekende variant 1a dezelfde inrichtingsgrens heeft gehanteerd met partijen besproken. De deskundigen van de StAB hebben hierover op de zitting toegelicht dat het [adviesbureau 1] bij de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in variant 1a het juiste invloedgebied heeft gehanteerd, tot 15 meter vanaf de gevel van de supermarkt, maar dat er voor de piekbronnen een korter invloedgebied, namelijk 9 meter, is gehanteerd. De deskundigen van de StAB hebben toegelicht dat er een grotere afstand dan 9 meter overbrugd moet worden voordat de vrachtwagen volledig uit de kuil is gereden. Om die reden heeft het [adviesbureau 1] het maximale geluidniveau aan de achterkant van de laad- en lossluis van de supermarkt niet juist berekend. Dit betekent volgens de StAB dat de geluidsbelasting aan de achterkant hoger is dan het [adviesbureau 1] heeft berekend. Ook uit de berekening van het [adviesbureau 1] volgt al een overschrijding van de normen uit het Activiteitenbesluit. Volgens de StAB is die overschrijding gelet op het gehanteerde onjuiste invloedgebied voor piekbronnen nog groter. De rechtbank neemt ook deze conclusie van de StAB over.

20.4

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat aan de voorkant van de laad- en lossluis van de supermarkt een overschrijding van de geluidsnorm uit het bestreden besluit optreedt en dat aan de achterkant van de laad- en lossluis sprake is van een overschrijding van het maximale geluidsniveau voor de nachtperiode uit het Activiteitenbesluit. De beroepsgrond van eisers slaagt.

Conclusie

21. De rechtbank is, gelet op wat zij onder 16 en onder 20 heeft overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat het onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft onder deze omstandigheden niet in redelijkheid kunnen besluiten om het maatwerkvoorschrift over het gebruik van Quiet-trucks te laten vervallen.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Dit betekent dat het oude maatwerkvoorschrift weer van kracht is.

22.1

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Ook ziet zij geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat bij een verandering van de (toegestane) geluidsbelasting aan de voorkant van de laad- en lossluis van de supermarkt ook belangen van derden, die niet aan deze procedure deelnemen, een rol (kunnen) gaan spelen. Verder is het denkbaar dat partijen gelet op hun verschil in standpunten en het feit dat dit geschil tussen partijen al langer loopt het oordeel van de rechtbank snel aan de hogerberoepsrechter willen voorleggen. Toepassing van de bestuurlijke lus zou dat vertragen. Bovendien hebben verweerder en de derde-partij op de zitting gezegd dat er aparte maatwerkvoorschriften gesteld kunnen gaan worden voor de voorkant en voor de achterkant van de laad- en lossluis van de supermarkt, waarvoor verweerder mogelijk aparte besluiten gaat nemen. Ook dat is een reden om geen bestuurlijke lus toe te passen.

22.2

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om, zoals eisers hebben verzocht, de aanvraag tot wijziging van het maatwerkvoorschrift af te wijzen. Het is immers nu aan verweerder om met inachtneming van deze uitspraak en door het verrichten van nader onderzoek een nieuw besluit te nemen. De rechtbank kan en wil niet vooruitlopen op dat door verweerder te verrichten nadere onderzoek. De rechtbank draagt verweerder daarom op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarvoor nader moeten onderzoeken of het laten vervallen van het voorschrift over het gebruik van Quiet trucks in het belang van de bescherming van het milieu is en de belangen van omwonenden bij handhaving van dat voorschrift moet afwegen tegen de belangen van de derde-partij bij schrapping daarvan. Ook dient verweerder nader akoestisch onderzoek te (laten) verrichten over de geluidsaspecten, zoals die hierboven zijn besproken. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes maanden.

23. Eisers hebben de rechtbank verzocht om, gelet op de naderende afloop van de redelijke termijn, zo spoedig mogelijk en binnen de redelijke termijn uitspraak te doen en als dat niet lukt om hen een schadevergoeding toe te kennen.

24. De rechtbank stelt voorop dat voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties de redelijke termijn is bepaald op vier jaar. Hierbij staat zowel voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen twee jaar en voor hoger beroep geldt ook twee jaar.

In de uitspraak van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:246) heeft de Afdeling overwogen dat een totale lengte van de procedure van in beginsel twee jaar redelijk is in zaken waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van de Awb. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Tegen het bestreden besluit stond geen bezwaar maar beroep open. De redelijke termijn van twee jaar is aangevangen nadat eisers op 31 augustus 2017 pro forma beroep hebben ingediend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn nog niet is overschreden en wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

25. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

26. Eisers hebben verzocht om de kosten van de door hen ingeschakelde deskundige
[F] van [adviesbureau 5] te vergoeden ter hoogte van € 659,45 en daarnaast de door hen gemaakte reiskosten van € 56,- in totaal.

27.1

De rechtbank stelt, mede op basis van de overgelegde declaratie, vast dat eisers de kosten van de deskundige hebben gemaakt in de zienswijzenprocedure tegen het ontwerpbesluit. De rechtbank overweegt verder dat de Awb niet voorziet in een regeling voor vergoeding van de kosten die een belanghebbende heeft gemaakt anders dan in de bezwaarprocedure of in de (hoger) beroepsprocedure. Uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2730) volgt dat kosten voor het inschakelen van deskundigen bij de indiening van zienswijzen in de regel voor rekening van de belanghebbenden blijven. Slechts in bijzondere gevallen komen deze kosten voor vergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb in aanmerking. Eisers hebben geen bijzondere omstandigheden gesteld en de rechtbank is daarvan ook niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

27.2

De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken. Op grond van artikel 1, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen de reiskosten van eisers voor vergoeding in aanmerking. Eisers hebben de reiskosten begroot op € 56,-, bestaande uit tweemaal een retour á € 28,-. De rechtbank is van oordeel dat dit overeenkomt met de kosten van een retour vanaf het bij de woonplaats van eisers dichtstbijzijnde treinstation Nijmegen naar Utrecht (openbaar vervoer, tweede klasse) en veroordeelt verweerder in deze kosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 56,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, mr. drs. R. in ‘t Veld en
mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

Op grond van artikel 8.42, eerste lid, van de Wet Milieubeheer (Wm) kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de voorschriften kan aanvullen, wijzigen of intrekken indien dat nodig is ter bescherming van het milieu.

Op grond van artikel 8.40, eerste lid, van de Wm worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Daarbij kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften de bij of krachtens artikel 2.22, tweede en derde lid, gestelde regels over activiteiten met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede de artikelen 2.23, 2.30, eerste lid, 2.31, eerste lid, onder b, 2.33, eerste lid, onder b, en 4.1 van die wet van overeenkomstige toepassing zijn (…).

Op grond van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting dat de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen mag blijkens de tabel niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Het maximaal geluidsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen mag blijkens de tabel niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

In artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, is bepaald dat aan een omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

Op grond van artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1˚, van de Wabo, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag (…) bij de beslissing in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast.

Ingevolge artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) stelt het bevoegd gezag de beste beschikbare technieken vast, indien op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting geen BBT-conclusies of informatiedocumenten als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijn, of indien de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen.