Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3570

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
C/16/474830 / KG ZA 19-78
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslissing om tot een ontwikkelovereenkomst te komen is onvoldoende gemotiveerd. De gemeente moet de selectiebeslissing beter motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2019/1259
JAAN 2019/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/474830 / KG ZA 19-78

Vonnis in kort geding van 12 april 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BALLAST NEDAM ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Amsterdam ,

eiseres,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaten mr. E. de Groot en S. Elbertsen,

in welke zaak hebben verzocht te mogen tussenkomen:

1. de besloten vennootschap in oprichting

[tussenkomende partij 1] VOF,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

en haar vennoten:

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[tussenkomende partij 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[tussenkomende partij 3] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [tussenkomende partij 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

verzoekster tot tussenkomst, althans voeging,

advocaat mr. L. Mundt,

Eiseres en gedaagde zullen hierna respectievelijk Ballast en Gemeente Utrecht genoemd worden. De tussenkomende partijen zullen hierna gezamenlijk [tussenkomende partij 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 februari 2019 met producties (20),

  • -

    de incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst (subsidiair voeging),

  • -

    de akte overlegging producties (4) van Gemeente Utrecht,

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 maart 2019,

  • -

    de pleitnota van Ballast,

  • -

    de pleitnota van Gemeente Utrecht,

  • -

    de pleitnota van [tussenkomende partij 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gemeente Utrecht heeft een selectieprocedure uitgeschreven voor de uitgifte van grond in erfpacht en het sluiten van een ontwikkelovereenkomst voor de realisatie van 800 tot 1200 appartementen (sociale huur, middeldure huur en/of koop) aangevuld met onder meer commerciële dienstverlening, leisure en horeca (hierna: de ontwikkeling). De ontwikkeling betreft de Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord, waar een toren gerealiseerd mag worden van 140 meter hoog.

2.2.

In de procesbrief van 23 maart 2018 aan ontwikkelende partijen staat onder meer het volgende:

“(…) De gemeente Utrecht is voor de locatie op zoek naar een slagvaardige samenwerkingspartner, bij voorkeur een consortium van partijen die de ontwikkeling, realisatie, eigendom en exploitatie van het vastgoed zeker kunnen stellen. Daarnaast zoeken wij een partner die zorg kan dragen voor een levendige en toekomstbestendige invulling van de plek. Wij verwachten van u een spraakmakende invulling voor de stad op zowel architectonische kwaliteit als ambitieniveau.(…)”

De procedure is in deze brief als volgt omschreven:

“(…) Om geen partijen uit te sluiten wordt de kavel uitgegeven na een openbare bekendmaking, waarna een niet-openbare selectieprocedure volgt. Met het invullen van het inschrijfformulier geeft u uw belangstelling aan en doet u mee met de voorselectie. Na afloop van de voorselectie zullen er maximaal 5 partijen worden geselecteerd waarna de officiële selectieprocedure wordt gestart. Na het beoordelen van alle plannen en het bepalen van de rangorde nemen wij het besluit tot voorlopige gunning aan één partij. Na deze gunning zullen wij met deze partij een ontwikkelovereenkomst sluiten. Vervolgens wordt een plan uitgewerkt dat zal worden vertaald in een Stedebouwkundig Plan (SP) en een bestemmingsplan. De voorlopige planning en doorlooptijd voor het hele traject treft u aan op de volgende pagina. (…)”

2.3.

Gemeente Utrecht heeft na een voorselectie vijf partijen uitgenodigd om een ontwerp in te dienen, waaronder Ballast en [tussenkomende partij 1] . Het ontwerp moest voldoen aan de (rand)voorwaarden zoals omschreven in de ‘Selectieleidraad Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord” van juni 2018 (hierna: selectieleidraad).

2.4.

De selectieleidraad luidt onder meer als volgt:

1.7 Overige informatie

De gemeente is te allen tijd bevoegd de selectieprocedure stop te zetten, ongeacht in welke fase de selectieprocedure zich bevindt.

De selectie is geen opdracht en kan ook niet als zodanig worden uitgelegd. De kosten die gepaard gaan met deelname zijn geheel voor de deelnemer.

Indien niet aan de in dit document genoemde verklaringen en voorwaarden wordt voldaan, dan wordt de deelnemer uitgesloten zonder recht op vergoeding van welke kosten dan ook.

(…)

2.2.

Selectieprocedure

De selectieprocedure omvat een aantal fasen:

Fase 1: Indienen van de gevraagde informatie

(…)

Fase 2: Toetsen ontvangen informatie

(…)

Fase 3: Kwalitatieve selectie

Van de inzendingen die voldoen aan de vereisten in het aanmeldingsformulier en waarvan de deelnemers tevens alle gevraagde informatie hebben aangeleverd, wordt een kwalitatieve selectie gemaakt van de beste inzending. Kwalitatieve selectie geschiedt aan de hand van het ingediende plan en de toelichtende presentatie van het ingediende plan. Deze kwalitatieve selectie staat uitgelegd in hoofdstuk 2.3.

Fase 4: Verificatie

(…)

Fase 5: Afronding selectie

(…)

2.3

Selectie

2.3.1

Het plan

De deelnemers wordt gevraagd een schetsplan te maken met het doel een kwalitatieve selectie te kunnen maken. Het plan dient minimaal de volgende informatie te bevatten: referentiebeelden, een schetsontwerp en het grondbod (Bijlage 3).

(…)

De selectie vindt plaats door een selectieteam bestaande uit de projectmanager Leidsche Rijn Centrum, de projectleider hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord, stedenbouwkundig supervisor, landschappelijke supervisor, adviseur uitgifte, adviseur mobiliteit, adviseur gezondheid en adviseur duurzaamheid. Daarnaast is er een vertegenwoordiging aanwezig van de omgeving bestaande uit 3 personen.

2.3.2.

Selectiecriteria

De presentatie en het schetsontwerp worden beoordeeld op de onderstaande onderdelen.

A. Beeld, architectuur en stedenbouw (maximaal 20 punten)

 Relevantie voor Leidsche Rijn Centrum: in hoeverre sluit het plan aan bij de architectuur van de overige plannen voor Leidsche Rijn Centrum? In welk mate voldoet de aanbieding aan de meegeven stedenbouwkundige kaders?

 De kwalitatieve beoordeling van referenties van de ontwerpers: in hoeverre heeft het ontwerpend team aantoonbaar ervaring met vergelijkbare projecten (hoogbouw) in een hoog stedelijke omgeving?

 Wordt er met minimaal drie architectenbureaus gewerkt en op welke manier?

 In hoeverre laat het complex een aantrekkelijke uitstraling, hoogwaardige kwaliteit in architectuur, materialisatie en detaillering zien?

 Mate waarin het plein eenheid en samenhang vertoond met de structuur van de openbare ruimte van Leidsche Rijn Centrum (Noord) en waarbij gebruik is gemaakt van een hoogwaardig ontwerp, passend bij de Architectuur. Mate waarin de relatie is vormgegeven tussen de plinten van de bebouwing en het plein en de mate waarin sprake is van een integrale aanpak van bebouwing en onbebouwde ruimte. Tenslotte de mate waarin gekozen is voor een hoogwaardige integratie van bouwkundige elementen, zoals garage – entrees voor auto’s en voetgangers.

Onderbouwing van het beoogde programma (maximaal 10 punten)

 In hoeverre wordt vanuit de visie op het gebied onderbouwd waarom gekozen wordt voor het beoogde programma (geldt zowel voor het woon- als commercieel programma)?

 In hoeverre is er sprake van extra programma sociale huur- en middenhuur (d.w.z. meer dan de gevraagde 20% per categorie)?

 Wat zijn de afzetmogelijkheden van het beoogde programma, en ligt hier een marktrapportage aan ten grondslag?

Financieel grondbod (maximaal 10 punten)

(…)

Duurzaamheid en gezondheid (maximaal 20 punten)

(…)

Participatie en omgevingsmanagement (maximaal 10 punten)

(…)

2.3.3.

Beoordeling van het plan

Het selectieteam (bestaande uit acht leden) kent na afloop van de presentatie elk subonderdeel van onder A (beeld, architectuur en stedenbouw) een cijfer toe. Het gaat om de cijfers 0 (slecht), 1 (matig), 2 (voldoende), 3 (goed) en 4 (zeer goed). Het selectieteam kent na afloop van de presentatie op onderdeel B (onderbouwing van het beoogde programma) een cijfer toe. Het gaat om de cijfers 0 (slecht), 4 (matig), 6 (voldoende), 8 (goed) en 10 (zeer goed). Naast het selectieteam is er ook een vertegenwoordiging aanwezig vanuit de omgeving. Deze vertegenwoordiging kent een cijfer toe aan onder E ‘Participatie en Omgevingsmanagement’. Onderdeel D wordt afzonderlijk beoordeeld door de adviseur duurzaamheid, adviseur mobiliteit en adviseur gezondheid van de gemeente.

Op de onderdelen A+B+C+D+E kunnen maximaal 70 punten worden behaald.

Onderdeel A – Beeld, architectuur en stedenbouw

Het plan kan op onderdeel A een maximale score van 20 punten (5x4) behalen

Onderdeel B – Onderbouwing van het beoogde programma

Het plan kan op de onderdeel B een maximale score van 10 punten behalen.

(…)’

2.5.

Uiteindelijk heeft Gemeente Utrecht drie inschrijvingen beoordeeld, waaronder de inschrijvingen van Ballast en [tussenkomende partij 1] . Ballast heeft het plan ‘Fruitful City’ ingediend, en [tussenkomende partij 1] het plan ‘ [..] ’.

2.6.

Op 6 december 2018 heeft de heer [A] van Gemeente Utrecht telefonisch aan Ballast laten weten dat Ballast niet als beoogde winnaar is geselecteerd. [A] heeft toegezegd dat de brief met de selectiebeslissing en motivering d.d. 4 december 2018 per e-mail naar haar zou worden gestuurd. Ballast heeft de brief van 4 december 2018 op 11 december 2018 ontvangen.

2.7.

In deze brief d.d. 4 december 2018 (door alle partijen ook aangeduid als de Selectiebeslissing) heeft Gemeente Utrecht kenbaar gemaakt dat zij het plan van [tussenkomende partij 1] als beste heeft beoordeeld (met 53,96 van in totaal 70 punten) en dat zij voornemens is om de ontwikkelovereenkomst te sluiten met [tussenkomende partij 1] . Ballast is met haar inschrijving op de tweede plaats geëindigd. Zij heeft in totaal 51,4 punten behaald. In de brief, in tabel 3, worden de scores per onderdeel weergegeven:

Consortium 1 Fruitful City

Beeld, architectuur

stedenbouw 19 11

Onderbouwing

van het beoogde

programma 6 4

Financieel grondbod 0,49 10

Duurzaamheid 6,2 12,9

Visie circulair 1,5 1

Visie Mobiliteit 1 1

Visie Participatie 4 4

Wensen en aandachts-

Punten 4 6

2.8.

Op 10 december 2018 hebben burgemeester en wethouders van Gemeente Utrecht de gemeenteraad geïnformeerd over de selectie van het plan van [tussenkomende partij 1] . In de brief staat dat na het verstrijken van de zogenaamde “Alcatel-termijn” (20 dagen), de termijn waarbinnen afvallende partijen een kort geding tegen de gemeente kunnen aanspannen in verband met de selectie, en na de ondertekening van de ontwikkelingsovereenkomst door zowel de gemeente als het consortium, de selectie definitief is.

2.9.

Op 10 januari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Ballast en Gemeente Utrecht naar aanleiding van de beoordeling. Voorafgaand aan dit gesprek heeft Ballast in een e-mail van 9 januari 2019 aangegeven welke vragen zij naar voren wil brengen. Namens Gemeente Utrecht is toegezegd dat aanvullende informatie zal worden gegeven.

2.10.

Na het gesprek heeft Ballast bij brief van 11 januari 2019 haar bezwaren aan Gemeente Utrecht uiteengezet. Gemeente Utrecht heeft daarop gereageerd bij brief van 18 januari 2019. Zij is ingegaan op de verschillende vragen van Ballast en heeft aangegeven dat zij geen aanleiding ziet om tot een herbeoordeling van de inschrijving van Ballast over te gaan.

2.11.

Na ontvangst van de brief van 18 januari 2019 van Gemeente Utrecht heeft Ballast laten weten dat zij zich niet met de uitslag van de selectieprocedure kan verenigen.

2.12.

Bij brief van 29 januari 2019 heeft de advocaat van Gemeente Utrecht de bezwaren van Ballast van de hand gewezen. In deze brief wordt vermeld wordt dat als Ballast een kort geding procedure aanhangig wil maken, zij dit binnen zeven kalenderdagen na verzending van de brief moet doen. Verder wordt de opmerking gemaakt dat Gemeente Utrecht geen afstand doet van haar recht zich op het standpunt te stellen dat sprake is van een tardieve klacht nu de selectiebeslissing dateert van 4 december 2018.

2.13.

Ter zitting is gebleken dat de ontwikkelovereenkomst tussen Gemeente Utrecht en [tussenkomende partij 1] nog niet tot stand is gekomen. Gemeente Utrecht heeft aangegeven dat zij de uitkomst van deze procedure in kort geding zal afwachten.

3 De vorderingen

3.1.

Ballast vordert in de hoofdzaak, voor zover er nog geen overeenkomst ter zake de Ontwikkeling tussen Gemeente Utrecht en [tussenkomende partij 1] of een derde tot stand is gekomen:

- Gemeente Utrecht te verbieden op basis van de onderhavige Selectiebeslissing een overeenkomst ter zake van de Ontwikkeling met [tussenkomende partij 1] te sluiten, in combinatie met:

Primair:

- Gemeente Utrecht te verbieden een andere inzender dan Ballast als beoogde winnaar aan te wijzen,

Subsidiair:

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden uitsluitend de aanbieding van Ballast opnieuw te (doen) beoordelen op de criteria A en B, althans A en/of B,

  • -

    Gemeente Utrecht te verbieden overige aanbiedingen opnieuw te beoordelen,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden de subscores op de criteria A en B, althans A en/of B, deugdelijk te motiveren, hetgeen ten minste inhoudt dat de subscore op de criteria A en B, althans A en/of B, die zijn behaald door de hoogst scorende (winnende) aanbieder worden meegedeeld aan de andere aanbieders,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden om een opschortende termijn van 20 kalenderdagen in acht te nemen tussen het moment van bekendmaking van de verbeterde motivering en het moment van het sluiten van een overeenkomst met de hoogst scorende (winnende) aanbieding ter zake van de Ontwikkeling,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden het vonnis in kort geding af te wachten als binnen voornoemde termijn van 20 kalenderdagen een kort geding aahangig wordt gemaakt,

Meer subsidiair:

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden alle aanbiedingen opnieuw te (doen) beoordelen op de criteria A en B, althans A en/of B,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden de subscores op de criteria A en B, althans A en/of B, deugdelijk te motiveren, hetgeen ten minste inhoudt dat de subscores op de criteria A en B, althans A en/of B, die zijn behaald door de hoogst scorende (winnende) aanbieder worden medegedeeld aan de andere aanbieders,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden om een opschortende termijn van 20 kalenderdagen in acht te nemen tussen het moment van bekendmaking van de verbeterde motivering en het moment van het sluiten van een overeenkomst met de hoogst scorende (winnende) aanbieder ter zake van de ontwikkeling,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden het vonnis in kort geding af te wachten als binnen voornoemde termijn van 20 kalenderdagen een kort geding aanhangig wordt gemaakt,

Uiterst subsidiair

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden de huidige Selectiebeslissing beter te motiveren, met dien verstande dat in ieder geval óók de subscores die zijn behaald door de hoogst scorende (winnende) aanbieder bekend moeten worden gemaakt,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden om een opschortende termijn van 20 kalenderdagen in acht te nemen tussen het moment van bekendmaking van de verbeterde motivering en het moment van het sluiten van een overeenkomst met de hoogst scorende (winnende) aanbieder ter zake van de Ontwikkeling,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden om een opschortende termijn van 20 kalenderdagen in acht te nemen tussen het moment van bekendmaking van de verbeterde motivering en het moment van het sluiten van een overeenkomst met de hoogst scorende (winnende) aanbieder ter zake van de Ontwikkeling,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden het vonnis in kort geding af te wachten als binnen voornoemde termijn van 20 kalenderdagen een kort geding aanhangig wordt gemaakt,

Waarbij elk gebod en verbod van dit petitum aan Gemeente Utrecht wordt opgelegd op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00,

Gemeente Utrecht te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure.

3.2.

[tussenkomende partij 1] vordert in het incident om primair de verzochte tussenkomst, en subsidiair de verzochte voeging, toe te staan en om Ballast en/of Gemeente Utrecht in de kosten van deze procedure te veroordelen.

3.3.

[tussenkomende partij 1] vordert in de hoofdzaak:

Primair:

Ballast niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van Ballast af te wijzen, met veroordeling van Ballast en/of Gemeente Utrecht in de kosten van deze procedure,

en als voorwaardelijke eis:

  • -

    uitsluitend indien geoordeeld wordt dat een herbeoordeling van de aanbieding van Ballast aan de orde zou zijn, Gemeente Utrecht te gebieden om ook de aanbieding van [tussenkomende partij 1] opnieuw te beoordelen, op dezelfde onderdelen en met toepassing van dezelfde criteria/beoordelingsmaatstaf,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden om een opschortende termijn van 20 dagen in acht te nemen tussen het moment van bekendmaking van de uitslag van de herbeoordeling/nieuwe selectiebeslissing en het moment van het sluiten van een overeenkomst met de hoogst scorende (winnende) aanbieder ter zake van de Ontwikkeling,

  • -

    Gemeente Utrecht te gebieden om, indien binnen de 20 dagen termijn een kort geding aanhangig wordt gemaakt, het vonnis in dit kort geding af te wachten.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Ballast en Gemeente Utrecht geen bezwaar hebben tegen de door [tussenkomende partij 1] verzochte tussenkomst. Daarnaast is voldoende gebleken dat [tussenkomende partij 1] een belang heeft om tussen te komen. De tussenkomst is dan ook toegestaan.

4.2.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de proceskosten in het incident te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De vorderingen van Ballast op Gemeente Utrecht

4.3.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de motivering van de door Gemeente Utrecht genomen selectiebeslissing de uitslag kan dragen. De spoedeisendheid van deze kwestie is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.

4.4.

De vorderingen van Ballast strekken er toe dat Gemeente Utrecht haar inschrijving, althans alle inschrijvingen, op de onderdelen A en B, althans A en/of B, opnieuw beoordeelt. Volgens Ballast moet de selectiebeslissing in ieder geval beter worden geformuleerd, op een wijze dat het voor haar mogelijk wordt gemaakt om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen en te controleren of de beoordeling de selectiebeslissing rechtvaardigt. Volgens Ballast heeft Gemeente Utrecht haar inschrijving niet op een correcte wijze beoordeeld. De systematiek voor het toekennen van punten zoals opgenomen in de selectiedocumenten is niet juist toegepast, waardoor haar inschrijving met onvoldoende punten gewaardeerd. Ook ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling heeft Ballast op verschillende onderdelen bezwaren geuit. Ballast stelt dat de gemaakte fouten tegen de achtergrond van het geringe puntenverschil tussen de eerste en tweede inschrijving (2,56 punten) zodanig zijn dat het reëel is dat bij het herstel ervan Ballast als winnaar uit de bus komt.

4.5.

Zowel Gemeente Utrecht als [tussenkomende partij 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van Ballast. [tussenkomende partij 1] heeft in de eerste plaats twee formele verweren opgeworpen. Deze verweren worden eerst besproken. Daarna komen de inhoudelijke verweren aan de orde. Gemeente Utrecht en [tussenkomende partij 1] hebben nadrukkelijk bestreden dat de inschrijving van Ballast niet op juiste wijze met inachtneming van de beoordelingssystematiek zoals opgenomen in de selectiestukken zou zijn beoordeeld en/of dat de motivering ontoereikend zou zijn.

4.6.

De twee formele weren van [tussenkomende partij 1] houden in dat

  1. de Gemeente Utrecht de aanbieding van Ballast als ongeldig terzijde had moeten leggen en

  2. Ballast een voor haar geldende termijn, waarop zij dit kort geding uiterlijk had kunnen beginnen, heeft laten verstrijken.

Dit moet volgens [tussenkomende partij 1] reeds leiden tot afwijzing van de vorderingen van Ballast. [tussenkomende partij 1] baseert beide verweren niet op het aanbestedingsrecht, dat immers volgens haar toepassing mist, maar op de volgens haar door de Gemeente Utrecht zelf geformuleerde, dus door haar in acht te nemen, spelregels en het door de Gemeente Utrecht bij haar gewekte vertrouwen - samengevat - dat de selectiebeslissing van 4 december 2018 vanaf eind december 2018 niet meer ter discussie gesteld kon worden.

Is de aanbieding van Ballast ongeldig?

4.7.

Volgens [tussenkomende partij 1] had Gemeente Utrecht Ballast moeten uitsluiten van deelname en de inschrijving niet kwalitatief kunnen beoordelen. [tussenkomende partij 1] stelt dat zij heeft geconstateerd dat de inschrijving van Ballast niet voldoet aan de door Gemeente Utrecht gestelde randvoorwaarden, zoals vastgelegd in het Stedenbouwkundig plan en de Strategiekaart.

Zij verwijst naar het Stedenbouwkundig Plan, pagina 17, waar staat:

“Stedenbouwkundige uitgangspunten:

  1. Klassieke bouwblokken

  2. Verticale geleding

  3. Levendige plint (waar mogelijk)

  4. Setbacks (dat wil zeggen, een terugliggende verdieping)/gevelbeëindiging.”

En naar de Strategiekaart waar als eis voor de hoogbouw onder meer wordt vermeld:

“geleding toren: basement (minimaal 20m en maximaal 30% van de hoogte van de toren), romp en beëindiging (tussen 10-15% van de hoogte, setback > 2,5 m)” en

“toren staat visueel op de grond”.

4.8.

Volgens [tussenkomende partij 1] zijn deze eisen als knock-out-bepalingen geformuleerd. Daarvoor beroept zij zich op punt 1.5 van de selectieleidraad waar de randvoorwaarden zijn opgenomen waaraan de inschrijvers gebonden zijn, en meer in het bijzonder naar pagina 8 waar staat:

“De deelnemer dient zich bij de indiening van zijn plan (zie hoofdstuk 2.3) te conformeren aan de bepalingen, zoals vastgelegd in de volgende documenten:

 (…)

 Stedenbouwkundig Plan Leidsche Rijn Centrum Noord fase 1 (2011). (…)

 Strategiekaart (2017)

 (…)”

Het bindende karakter van het Stedenbouwkundig Plan en de Strategiekaart is volgens [tussenkomende partij 1] door Gemeente Utrecht benadrukt in de Nota van Inlichtingen van 3 augustus 2018 waar staat:

“Vraag 13

Wat is de status van het stedenbouwkundig plan van [B] ?

Antwoord

Zowel de Ruimtelijke Strategiekaart ( [B] ) als het Stedenbouwkundig Plan Leidsche Rijn Centrum Noord zijn beide toegevoegd als randvoorwaarden voor deze selectie. Plannen zullen dus te allen tijde moeten voldoen aan beide plannen.”

[tussenkomende partij 1] wijst verder op het aanmeldingsformulier waarin staat dat inschrijvers onvoorwaardelijk moeten voldoen aan de in 1.5 genoemde voorwaarden.

4.9.

[tussenkomende partij 1] komt tot de conclusie dat de inschrijving van Ballast gelet op 1.7 van de selectieleidraad in fase 2 van de selectieprocedure (toetsen ontvangen informatie) uitgesloten had moeten worden van deelname omdat deze op drie onderdelen niet voldoet:

  1. de eis dat klassieke bouwblokken moesten worden toegepast,

  2. de eis dat iedere hoogbouw toren visueel op grond moest staan,

  3. de eis van verschillende niveaus in bebouwing (gebruik van ‘Set Backs’ (een verspringend niveau/verdiepingen die terugvallen).

Volgens [tussenkomende partij 1] heeft zij haar conclusie gebaseerd op de toelichting die Gemeente Utrecht heeft gegeven op haar beoordeling van het plan van Ballast, met name in de brief van 18 januari 2019 in reactie op de brief van Ballast van 11 januari 2019, waarin in staat dat het plan afwijkt van de stedenbouwkundige kaders en de beeldkwaliteitsaspecten welke onderdeel zijn van de Strategiekaart.

4.10.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Op grond van de door [tussenkomende partij 1] genoemde toelichting van de Gemeente Utrecht kan niet worden aangenomen dat het plan van Ballast in het geheel niet voldoet aan de gestelde eisen op de hiervoor vermelde 3 punten en dat dit had moeten leiden tot ongeldigheid van het plan op de door [tussenkomende partij 1] gestelde grondslag. De voorzieningenrechter legt zijn oordeel hierna uit.

Klassieke bouwblokken

4.11.

Uit de door [tussenkomende partij 1] aangehaalde toelichting blijkt dat de Gemeente Utrecht kennelijk van mening is dat Ballast met haar inschrijving binnen de op dit punt gestelde kaders is gebleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet aannemelijk geworden dat zij zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Dat de eis met betrekking het gebruik van klassieke bouwblokken zo strikt moet worden toegepast dat dit betekent dat deze eis maar op één manier kan worden ingevuld, is in ieder geval niet gebleken. Gemeente Utrecht heeft dit niet aangevoerd en ook uit de stellingen van [tussenkomende partij 1] kan dit niet worden afgeleid. Daarmee lijkt er van uitgegaan te kunnen worden dat de inschrijvers tot op zekere hoogte een eigen invulling konden geven aan de gestelde eis, zoals feitelijk ook is gebeurd. De voorzieningenrechter gaat er voorshands van uit dat er voor de inschrijvers geen aanleiding was om de eis van klassieke bouwblokken zo strikt uit te leggen dat er geen beoordelingsmarge resteerde.

4.11.1.

Gebleken is dat de wijze waarop [tussenkomende partij 1] aan het stedenbouwkundige uitgangspunt van de klassieke bouwblokken heeft voldaan Gemeente Utrecht meer aanspreekt dan de invulling die Ballast aan het uitgangspunt heeft gegeven. Gemeente Utrecht heeft in haar brief van 18 januari 2019 uiteengezet waarom het plan van Ballast, waarin is gekozen voor hybride bouwblokken, volgens haar minder geschikt is en onvoldoende aansluit bij de omgeving. Zij heeft hierover aan Ballast het volgende bericht:

“(…) Een belangrijk onderdeel van het Masterplan Leidsche Rijn Centrum is dat het gebied als één centrum moet functioneren en aanvoelen. Als u buiten rondloopt in Leidsche Rijn Centrum ziet u gebouwen in een consistent, samenhangend en enigszins klassiek stedenbouwkundig idioom van de openbare ruimte en de daaraan gelegen gebouwen, die de openbare ruimte vormen. Hierbij is sprake van gesloten bouwblokken met klassieke opbouw en waar mogelijk, formele lanen en staten afgewisseld met informele pleinen en een levendige plintvulling (pagina 9, Stedenbouwkundig Plan Leidsche Rijn Centrum Noord fase 1).

Het plan Fruitful City voldoet daar onvoldoende aan. Bij het plan Fruitful City is gekozen voor hybride bouwblokken, waar het interieur van de bouwblokken en openbare ruimte in elkaar overlopen en waar de laagbouw van het plan en de hoogbouw teveel verschillende architectonische talen spreken. Deze kenmerken van uw plan komen niet terug in de inmiddels gerealiseerde plannen van Leidsche Rijn Centrum. (…)

Volgens Gemeente Utrecht voldoet het plan van Ballast dus onvoldoende aan de stedenbouwkundige eisen. Dat is een waarde-oordeel (namelijk niet voldoende) maar is geen constatering dat in het geheel niet aan de eisen is voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit dan ook niet dat het plan buiten de gestelde kaders is getreden. De toelichting van Gemeente Utrecht over de toepassing van het centrale plein in het plan maakt dat niet anders. In de brief van Gemeente Utrecht staat hierover:

“De architectonische expressie wijkt sterk af van het gerealiseerde deel van Leidsche Rijn Centrum en daarmee ook van de stedenbouwkundige uitgangspunten. Het verkleinen van het groene plein en het veranderen van het karakter van het plein en de omvang is in strijd met de uitgangspunten, verzwakt de relatie met de rest van Leidsche Rijn Centrum maar vooral levert dit geen kwaliteiten op die bijdragen aan een goede openbare ruimte. Ten aanzien van het plein is de gemeente van mening dat de centrale openbare ruimte onaanvaardbaar wordt verkleind. In de Strategiekaart die onderdeel is van de selectiestukken, staat op pagina 4 dat het [plein] ondanks de aanwezigheid van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] gezien moet worden als één pleinruimte. Met het verkleinen van het plein en het creëren van amorfe pleinranden oordeelt de gemeente dat er nauwelijks sprake meer is van één pleinruimte. (…)”

Uit deze toelichting blijkt dat Ballast in de visie van Gemeente Utrecht de grenzen van de gestelde eisen (te weten één pleinruimte) heeft opgezocht, Zij oordeelt immers dat er “nauwelijks sprake is van één pleinruimte”. Zij oordeelt echter niet dat er géén pleinruimte is voorzien. Nu onweersproken is dat ook in het plan van [tussenkomende partij 1] een kleiner plein is toegepast, wat een aanwijzing vormt dat de inschrijvers ook van de mogelijkheid tot die aanpassing uitgingen, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond hiervan evenmin worden aangenomen dat Ballast in haar plan zozeer is afgeweken dat aan de gestelde eisen niet is voldaan.

Torens

4.12.

Gemeente Utrecht heeft in de brief van 18 januari 2019 over het plan van Ballast geschreven dat dit plan beperkt voldoet aan de eis dat de torens visueel op de grond moeten staan. Zij heeft vermeld dat de torens grotendeels op de onderbouwblokken staan en slechts deels naar de grond lopen. Hieruit valt af te leiden dat de inschrijving van Ballast kennelijk wel enigszins voldoet aan de op onderdeel 2. gestelde eis.

Ballast heeft bovendien gesteld dat er (in ieder geval) wat de torens betreft ruimte was om af te wijken van het Stedenbouwkundige plan en de Strategiekaart. Zij heeft gewezen op de Nota van Inlichtingen van 3 augustus 2018 waarin staat:

Vraag 50

Inrichtingsplan en matenplan; in de randvoorwaarden zijn de regels t.b.v. de plint en torenposities omschreven. Mogen we hier, mits gemotiveerd, vanaf wijken mocht blijken dat om de circulaire ambitie te behalen een aanpassing in het volume een positieve invloed heeft op bijvoorbeeld bezonning of energieopwekking?

Vraag 51

Er wordt in de randvoorwaarden van [B] gesproken over de realisatie van torens of wandbebouwing voor de hoogbouw. Betekent dit dat er, mits gemotiveerd, afgeweken mag worden van de regels welke specifiek voor de torens zijn opgesteld

Antwoord (bij zowel 50 als 51)

De ontwikkelaar is vrij om niet te kiezen voor torens maar te werken met bijvoorbeeld een wandbebouwing langs de [straatnaam 3] en [straatnaam 4] mits in de architectonische uitwerking op de in de Ruimtelijke Strategiekaart voorgeschreven parcelering wordt aangehouden.”

[tussenkomende partij 1] heeft haar verweer op dit punt vervolgens niet verder aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook worden aangenomen dat een redelijk geïnformeerde inschrijver hieruit heeft mogen afleiden dat gemotiveerd afwijken van de voor de torens gestelde stedenbouwkundige eisen was toegestaan.

‘Set Backs’

4.13.

Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat Ballast in haar plan verdiepingen geleidelijk heeft laten teruglopen. Gemeente Utrecht heeft in reactie daarop aangegeven dat de toepassing van een hoekige teruggang de voorkeur verdiende. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat in het plan van Ballast in ieder geval sprake is van een teruglopende gevel, zoals de eis luidt. Dit betekent dat de stelling van [tussenkomende partij 1] dat Ballast niet heeft voldaan aan de eis als vermeld onder 3., dat verschillende niveaus moeten worden aangebracht in de bebouwing, niet kan worden gevolgd.

4.14.

De conclusie is voorshands dat Gemeente Utrecht de inschrijving van Ballast terecht niet ongeldig heeft verklaard.

Is de termijn voor het instellen van de vordering verstreken?

4.15.

[tussenkomende partij 1] heeft vervolgens naar voren gebracht dat Ballast het onderhavige kort geding te laat aanhangig heeft gemaakt en dat haar vorderingen om die reden moeten worden afgewezen. Volgens [tussenkomende partij 1] had Ballast voortvarender moeten handelen en heeft zij haar rechten verwerkt om tegen de selectiebeslissing op te komen. [tussenkomende partij 1] wijst er op dat de selectiebeslissing al op 4 december 2018 is genomen, op 6 december 2018 mondeling is medegedeeld aan Ballast en op 11 december 2018 per e-mail aan haar is verstuurd. Ballast heeft vervolgens eerst in haar brief van 22 januari 2019, 42 dagen na de voorlopige selectiebeslissing, te kennen gegeven dat zij zich niet met de uitslag kan verenigen. Volgens [tussenkomende partij 1] is dit te laat en had Gemeente Utrecht bij haar het vertrouwen gewekt dat de selectiebeslissing na ommekomst van “de Alcatel-termijn (20 dagen)” definitief is. [tussenkomende partij 1] stelt verder dat zij pas op 28 januari 2019 heeft vernomen dat sprake is van bezwaren van de zijde van Ballast en dat zij er op dat moment geen rekening meer mee hield dat een kort geding procedure gevoerd zou worden of dat de ontwikkelingsovereenkomst niet met haar gesloten zou worden.

4.16.

De voorzieningenrechter verwerpt ook dit verweer. Geoordeeld wordt dat er geen grond is om aan te nemen dat Ballast haar recht om bezwaar te maken tegen de selectiebeslissing heeft verwerkt. Voor rechtsverwerking is een enkel tijdsverloop onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat in de selectiedocumenten een termijn is genoemd. Wel heeft Gemeente Utrecht Ballast in haar brief van 29 januari 2019 nog de gelegenheid gegeven om binnen zeven kalenderdagen een procedure aanhangig te maken. Gemeente Utrecht was dus kennelijk de mening toegedaan dat deze termijn geboden moest worden. Ballast is vervolgens tijdig met deze procedure gestart. De indruk die de Gemeente Utrecht mogelijk bij [tussenkomende partij 1] heeft gewekt over het definitief zijn van de selectiebeslissing na ommekomst van “de Alcatel-termijn (20 dagen)”, regardeert Ballast niet.

4.17.

De conclusie is dat ook dit tweede formele verweer van [tussenkomende partij 1] moet worden verworpen. Een afweging van de wederzijdse belangen kan niet tot een ander oordeel leiden.

Uitgangspunten voor de inhoudelijke beoordeling

4.18.

Allereerst dient de voorzieningenrechter stil te staan bij het toe te passen beoordelingskader.

4.18.1.

Het staat vast dat Gemeente Utrecht geen formele procedure als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 heeft gevolgd. Dit is door de inschrijvers, waaronder Ballast, ook geaccepteerd. Daarmee vormt dit tussen partijen geen inzet van dit geding. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter de vorderingen in het licht van het toepasselijk recht moet beoordelen, in welk verband de vragen kunnen rijzen of bij dit project een Europese aanbesteding vereist is en welke gevolgen aan een positieve beantwoording van de eerste vraag verbonden moeten worden. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter dit onderwerp aan de orde gesteld. Ballast heeft daarop laten weten dat eigenlijk een Europese aanbesteding moeten had plaatsvinden, terwijl zowel Gemeente Utrecht als [tussenkomende partij 1] van mening zijn dat van een aanbestedingsplicht geen sprake is (omdat - kort samengevat - de Gemeente grond in erfpacht uitgeeft en daarvoor geld ontvangt in plaats van goederen of diensten in te kopen tegen betaling). Gemeente Utrecht heeft daarbij aangevoerd dat zij heeft getoetst aan de criteria van het bekende “Müller-arrest” van het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2010:168). De voorzieningenrechter oordeelt dat hij in het kader van dit kort geding (en dus voorshands oordelend) onvoldoende aanknopingspunten heeft voor een beoordeling van de vorderingen in het licht van het Europees aanbestedingsrecht.

4.18.2.

Uit alles blijkt wel dat Gemeente Utrecht de beginselen van het aanbestedingsrecht bij de door haar uitgeschreven selectieprocedure heeft willen volgen. Bij de inrichting van de procedure heeft zij immers aansluiting gezocht bij de systematiek van het aanbestedingsrecht en zij heeft gecommuniceerd met aan het aanbestedingsrecht ontleende termen als “Alcatel-termijn”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit dat Gemeente Utrecht er op bedacht moest zijn dat de inschrijvers er van uit gingen dat de aanbestedingsrechtelijke beginselen zoveel mogelijk van toepassing zouden zijn. Gelet hierop wordt tot uitgangspunt genomen dat in de onderhavige procedure, overeenkomstig de regels die geleden bij een aanbestedingsprocedure, de inschrijvers gelijk behandeld moeten worden en dat de procedure transparant moet zijn zodat een eerlijke mededinging wordt bevorderd. De voorzieningenrechter overweegt in dit kader als volgt.

4.19.

Vooropgesteld moet worden dat het (selectieteam) van Gemeente Utrecht in beginsel de door de inrichting van de selectieprocedure toegestane beoordelingsvrijheid heeft. Het is aan haar voorbehouden om scores toe te kennen aan de verschillende onderdelen van de inschrijving. De rechterlijke toets is slechts marginaal. Getoetst wordt of de uitgevoerde beoordeling – de puntenscore plus motivering – van de inschrijving voldoende grondslag vindt in de stukken van de selectieprocedure. Aan het aangewezen selectieteam komt als overwogen de nodige vrijheid toe, temeer nu de leden geacht mogen worden te zijn aangewezen vanwege hun specifieke deskundigheid. Slechts als sprake is van procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden die met zich brengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is eventueel plaats voor ingrijpen. Daarbij is het niet aan de voorzieningenrechter om kwalificaties als “matig” of “voldoende” aan specifieke onderdelen van de inschrijving te hechten.

Het uitgangspunt dient te zijn dat Gemeente Utrecht

  • -

    i) bij de selectieleidraad zodanige criteria moet hebben geformuleerd dat het voor inschrijvers volstrekt duidelijk is aan welke eisen zij moeten voldoen,

  • -

    ii) de inschrijving met een zo objectief systeem als mogelijk beoordeelt,

  • -

    iii) haar uiteindelijke keus zodanig motiveert dat het daarmee voor de inschrijvers mogelijk is gemaakt om (a) de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen en (b) te controleren of de beoordeling de (voorlopige) selectiebeslissing rechtvaardigt.

4.20.

Ballast heeft bezwaar gemaakt tegen de uit de beslissing van Gemeente Utrecht blijkende beoordeling op de onderdelen A (beeld architectuur en stedenbouw) en B (onderbouwing van het beoogde programma). Ter nadere onderbouwing heeft Ballast aangevoerd dat Gemeente Utrecht gebruikt heeft gemaakt van meerdere subgunningscriteria en per subgunningscriterium een cijfer heeft toegekend, maar dat zij niet de scores van [tussenkomende partij 1] per subgunningscriterium heeft verstrekt. Zonder deze informatie over de scores van [tussenkomende partij 1] is volgens Ballast de uitslag van de selectie onnavolgbaar en waarborgt de motivering die Gemeente Utrecht heeft gegeven niet dat kan worden gecontroleerd of er goed is beoordeeld. Volgens Ballast valt niet in te zien dat deze gegevens bedrijfsvertrouwelijk zijn.

Ballast heeft verder aangevoerd dat ook als Gemeente Utrecht rechtmatig zou kunnen besluiten om deze informatie niet te verstrekken, dan evenzeer geldt dat de gunningsbeslissing onnavolgbaar is. De scores op de hoofdcriteria van onderdeel B zijn volgens haar onbegrijpelijk zonder nadere uitwerking per subcriterium. Volgens Ballast geeft de onderbouwing van de score van Ballast op dit onderdeel B geen blijk van een juiste toepassing van de puntensystematiek. Bovendien zijn aan haar inschrijving ten onrechte onvoldoende punten toegekend, aldus Ballast. Het bezwaar van Ballast heeft dus een aspect dat ziet op de motivering van de beslissing en een aspect dat ziet op de inhoud van de beslissing.

Onmogelijke scores op de subcriteria van onderdeel B?

Inleiding

4.21.

Uit de selectieleidraad blijkt dat de volgende scores behaald konden worden op onderdeel B: 0 (slecht), 4 (matig), 6 (voldoende), 8 (goed) en 10 (zeer goed). In de 2e Nota van Inlichtingen wordt vervolgens vermeld dat de drie subcriteria in gelijke mate zouden meewegen. Anders dan bij onderdeel A waar in totaal 20 punten konden wordt gescoord, verdeeld over 5 subcriteria (waarvan in de selectieleidraad wordt vermeld dat de puntenverdeling (4x5) is) is voor onderdeel B niet expliciet vermeld hoeveel punten per subcriterium behaald konden worden. Alleen het totaal van maximaal 10 punten wordt vermeld. Gemeente Utrecht heeft in de brief van 18 januari 2019 echter aangegeven dat 3,33 punten per onderdeel gescoord kunnen worden. De brief, waarin wordt geantwoord op vragen van Ballast, luidt als volgt:

“Algemeen:

Wij verzoeken om een onderbouwde beoordeling en onze score op ieder sub selectiecriterium zoals vermeld in de selectieleidraad (blz 13), ook afgezet tegen het winnende consortium. Ieder onderdeel zou daarbij goed zijn voor 3,33 punten. Zie het antwoord op vraag 3 van NvI van 5 oktober 2018. (…)

Reactie gemeente

In de 2e Nota van Inlichtingen is het volgende aangegeven:

De gemeente zal bij de beoordeling van de plannen op onderdeel B (onderbouwing van het beoogde programma) de drie verschillende onderdelen in gelijke mate laten meewegen en met een maximum van 10 punten in totaal. Het is aan de ontwikkelende partij zelf om de drie onderdelen integraal te bekijken en te komen met een voorstel.

Het is correct dat u per subcriterium 3,33 punten had kunnen ontvangen. Ten aanzien van de beoordeling van de subonderdelen van selectiecriterium B (onderbouwing van het beoogde programma) verstrekken wij u de scores van de verschillende subonderdelen voor het plan Fruitful City. Ten aanzien van de scores van het winnende plan verwijzen wij naar tabel 3 op pagina 5 van de brief d.d. 4 december 2018 met kenmerkt [.] .

De beoordeling van het winnende plan op de subonderdelen maakt onderdeel uit van een ander plan en zullen wij derhalve niet verstrekken.

Vanuit de visie op het gebied is de gemeente van mening dat deze onvoldoende is toegespitst op uw programma voor de hoogbouwkavel. Wat betreft extra programma sociaal- middenhuur scoort het plan Fruitfull City slecht aangezien het aandeel in bovenstaande woningbouw categorieën boven het vereiste percentage, minimaal is te noemen.

Tabel 2. Scores plan Fruitful City selectiecriterium B (Onderbouwing van het beoogde programma)

Subonderdeel Score

In hoeverre wordt vanuit de visie op het gebied

Onderbouwd waarom gekozen wordt voor het

Beoogde programma (geldt zowel voor het woon-

Als commercieel programma)? 2

In hoeverre is er sprake van een extra programma

sociale huur- en middenhuur (d.w.z. meer dan de

gevraagde 20% per categorie)? 1

Wat zijn de afzetmogelijkheden van het beoogde

Programma, en ligt hier een marktrapportage

aan ten grondslag 1

De visie van Ballast

4.22.

Volgens Ballast is de haar voor onderdeel B toegekende score 4 (matig) onbegrijpelijk. Aangezien per onderdeel 3,33 punten behaald konden worden, is onduidelijk hoe de hiervoor vermelde subscores van 2,1 en 1 tot stand zijn gekomen. De score 1 op een subcriterium bestaat immers niet. Uitgaande van een per subcriterium te behalen cijfer van 0-4-6-8-10 geldt dat als Ballast op alle subcriteria de laagste beoordeling ‘4’ had toegekend gekregen, zij drie maal 1,33 punten en aldus (afgerond) 4 punten hebben kunnen scoren. Een dergelijke beoordeling is er echter niet geweest. Volgens Ballast was een verdeling van 2,67 + 1,33 + 1,33 = 5,33 in plaats van de verdeling 2-1-1 logisch geweest. Ballast merkt in dit verband tevens op dat de 8 punten die [tussenkomende partij 1] op dit onderdeel heeft behaald uit meerdere combinaties kan zijn opgebouwd. De door Gemeente Utrecht gegeven motivering is volgens Ballast ontoereikend om in voldoende mate te kunnen controleren of Gemeente Utrecht bij [tussenkomende partij 1] correct te werk is gegaan. Ballast begrijpt niet waarom dit niet bekend kan worden gemaakt.

Het verweer van Gemeente Utrecht

4.23.

Volgens Gemeente Utrecht berust de uitleg die zij heeft gegeven in haar brief van 18 januari 2019, inhoudende dat per subcriterium op onderdeel B een 3,33 kon worden behaald, op een fout. Gemeente Utrecht stelt dat zij hiermee niet meer heeft willen zeggen dan dat ieder onderdeel in gelijke mate zou worden meegewogen. Gemeente Utrecht wijst er daarbij op dat bij onderdeel A wel expliciet wordt vermeld dat aan elk subonderdeel een cijfer wordt toegekend. Zij stelt verder dat het selectieteam op grond van aan haar toevertrouwde deskundigheid bij de inschrijving van Ballast zelfstandig tot een totaalscore van 4 voor het onderdeel B heeft kunnen komen. Het gaat volgens haar – in overeenstemming met de selectieleidraad – om een integrale beoordeling en niet om een beoordeling per afzonderlijk onderdeel, waarbij de drie criteria in gelijke mate zijn meegenomen. Uitsluitend ter controle heeft het selectieteam daarna nog de beoordeling per onderdeel volgens de verdeling 1-2-3 gedaan. Dit bevestigde de score van in totaal 4. Deze systematiek is bij iedere inschrijver op gelijke wijze uitgevoerd, aldus Gemeente Utrecht.

De visie van [tussenkomende partij 1]

4.24.

sluit zich aan bij Gemeente Utrecht. Ook zij heeft bestreden dat de puntensystematiek bij onderdeel B onjuist zou zijn toegepast. Volgens [tussenkomende partij 1] is duidelijk dat elk subcriterium met dezelfde factor meeweegt, maar neemt dat niet weg dat één score wordt toegekend voor het gehele onderdeel B en geen score per subcriterium. [tussenkomende partij 1] merkt daarbij op dat als de wijze waarop de punten voor onderdeel B zijn toegekend zoals toegelicht in de 2e Nota van Inlichtingen voor Ballast niet duidelijk was, zij daar aanvullende vragen over had moeten stellen.

De beoordeling

4.25.

Op grond van de tekst van de selectieleidraad, in combinatie met de toelichting in de 2e Nota van Inlichtingen, geldt dat in totaal 10 punten behaald kunnen worden voor onderdeel B (met een verdeling van 0-4-6-8-10). Ook staat vast dat de drie subcriteria in gelijke mate meewegen. De selectieleidraad voorziet niet in het aanbrengen van scores op de subcriteria en geeft geen antwoord op de vraag hoe de beoordeling op de subcriteria vervolgens tot uitdrukking komt bij de integrale beoordeling van onderdeel B. Volgens Gemeente Utrecht heeft het selectieteam bij de beoordeling onderkend dat de gelijke weging van de subcriteria moet worden geborgd en is het om die reden zelfstandig overgegaan tot een beoordeling van de subcriteria overeenkomstig een puntenverdeling van 1-2-3 welke puntenverdeling niet is gebaseerd op of overeenkomt met de puntenverdeling voor het geheel. Vast staat dat deze wijze waarop de beoordeling mede heeft plaatsgevonden niet volgt uit de selectieleidraad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de selectieleidraad dat onderdeel B uitsluitend integraal wordt beoordeeld met een door de selectiecommissie vast te stellen score, waarbij juist niet is gekozen voor een methode waarbij scores op de subcriteria moeten leiden tot de integrale score. Uit de toelichting van Gemeente Utrecht volgt dat de selectiecommissie de eigen bedachte score in de reeks 1-2-3 heeft benut als een extra controle op een juiste toepassing van het uitgangspunt dat de subcriteria in gelijke mate meewegen bij de integrale beoordeling. De voorzieningenrechter heeft geen reden te twijfelen aan deze toelichting. Gemeente Utrecht heeft vervolgens echter niet kunnen uitleggen waarom deze wijze van beoordelen een waarborg is voor de gelijke weging en ook niet hoe de vertaalslag naar de totaalscore in de verdeling van 0-4-6-8-10 kon worden gemaakt. Verder is niet duidelijk gemaakt hoe de scores bij de andere inschrijvers tot stand zijn gekomen en hoe de verschillende inschrijvingen kunnen worden vergeleken. Het is daarmee onvoldoende transparant hoe de totaalscore voor de inschrijvers op onderdeel B tot stand is gekomen. Deze onduidelijkheid wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet geheeld door de beoordelingsvrijheid die het selectieteam heeft. Het selectieteam had immers een controlemechanisme nodig voor de gelijke weging van de verschillende subcriteria maar kan niet voldoende overtuigend uitleggen hoe dit mechanisme heeft gewerkt. Het is dan ook onvoldoende transparant dat het selectieteam op juiste wijze tot haar beoordeling per onderdeel is gekomen.

Aan [tussenkomende partij 1] kan wel worden toegegeven dat van een inschrijver kan worden verwacht dat hij pro-actief dient te handelen in het geval hij meent of behoort te menen dat er sprake is van onduidelijkheden of onvolkomenheden in de procedure. Gelet op het stadium in de procedure waarin de puntenverdeling nader naar voren is gekomen, maakt dit echter geen verschil. In dit geval kan niet worden aangenomen dat Ballast eerder had moeten klagen.

4.26.

Er bestaat geen grond voor de uitleg die Ballast geeft op grond van de stukken uit de selectieprocedure welke uitleg Gemeente Utrecht aanvankelijk heeft gevolgd. Deze uitleg houdt in dat voor onderdeel B moet worden aangesloten bij de wijze van beoordeling als vermeld bij onderdeel A, een score naar rato van elk subcriterium. Zoals Ballast heeft betoogd is het gevolg van deze aanpak bij onderdeel B, dat dit resultaten geeft met decimalen, terwijl volgens de selectieleidraad een verdeling van 0-4-6-8-10 moet worden gehanteerd. Ook in dat geval ontstaat onvoldoende aansluiting op de selectieleidraad. De voorzieningenrechter komt daarom tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen beoordelen of Gemeente Utrecht de juiste selectiebeslissing heeft genomen. Daarbij speelt ook een rol dat de beslissing niet duidelijk is gemotiveerd omdat niet kenbaar is gemaakt hoe de subcriteria van de inschrijving van [tussenkomende partij 1] zijn beoordeeld door het selectieteam, terwijl niet duidelijk is gemaakt waarom met de bekendmaking van deze scores bedrijfsvertrouwelijke gegevens worden prijsgegeven. Zonder deze informatie is de beslissing inderdaad onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd.

4.27.

De conclusie is voorshands dat niet duidelijk is geworden hoe de inschrijving van Ballast is beoordeeld en dat niet gecontroleerd kan worden of de beoordeling de selectiebeslissing rechtvaardigt. Dit betekent dat selectiebeslissing in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd. Van Gemeente Utrecht zal worden verlangd dat zij deze motivering alsnog verstrekt, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. In de motivering zal Gemeente Utrecht dan ook moeten aangeven op welke wijze de selectiecommissie de vertaling van de beoordeling op de subcriteria naar het totaal heeft verricht, waarbij inzichtelijk moet worden gemaakt hoe dit voor Ballast maar (in ieder geval) ook voor de hoogst scorende inschrijver is geschied. Gemeente Utrecht zal daartoe worden veroordeeld als hierna in de beslissing te melden.

Is de inschrijving van Ballast op het derde subcriterium van onderdeel B inhoudelijk juist beoordeeld?

De visie van Ballast

4.28.

Ballast heeft tevens inhoudelijke kritiek geuit op de toekenning van scores voor het derde subcriterium van onderdeel B, het criterium dat luidt ‘Wat zijn de afzetmogelijkheden van het beoogde programma, en ligt hier een marktrapportage aan ten grondslag?’ Volgens Ballast is bij de beoordeling niet de juiste maatstaf gehanteerd.

4.28.1.

Ballast legt uit hoe zij de eis heeft begrepen en daar invulling aan heeft gegeven. Ballast voert aan dat zij haar afzetmogelijkheden in de inschrijving heeft beschreven en daarbij de 57-pagina’s tellende marktrapportage ‘Markt- en doelgroep onderzoek Leidsche Rijn – Utrecht’ van [organisatie 1] heeft gevoegd. Dit rapport is volgens haar specifiek voor dit project opgesteld. Ballast stelt dat zij daarnaast een enquête bij de doelgroepen heeft uitgevoerd om de afzetmogelijkheden te verifiëren en dat de resultaten daarvan bij de inzending zijn meegestuurd. Ballast heeft tenslotte een “Marktrapportage Hoogbouwkavel” laten opstellen door [naam makelaarskantoor] , waarbij de afzetmogelijkheden van het aangeboden woningprogramma zijn onderbouwd. Ballast stelt dat zij verder concrete afnemers ten tonele heeft gevoerd. Zij heeft aangegeven dat [organisatie 2] het sociale programma zouden willen afnemen en [organisatie 3] de middeldure huurwoningen, wat de hardheid en juistheid van de ingediende marktrapportages onderschrijft.

4.28.2.

Ballast verwijst vervolgens naar de brief van Gemeente Utrecht van 18 januari 2019 waar de volgende toelichting wordt gegeven:

“De gemeente heeft bij subonderdeel 3 van B gevraagd de afzet mogelijkheden inzichtelijk te maken voor het beoogde programma. In de aanbiedingsbrief wordt door Ballast Nedam gesteld dat 60% van het beoogde programma is verzekerd middels een afnemer. Uit de ingediende stukken valt hooguit op te maken dat dit zou kunnen gelden voor de woningbouwcategorieën sociaal en middenhuur, waarbij de gemeente opmerkt dat er enkel een verklaring van [organisatie 2] ligt die opgevat kan worden als een intentie tot afname van de sociale woningbouw en niet ook van [organisatie 3] voor wat betreft de categorie middenhuur. Dat zou betekenen dat de afzet van iets meer dan 40% van het programma is verzekerd. Ook in de mondelinge toelichting op het plan tijdens de presentatie is aangegeven dat voor de marktwoningen (circa 690 koop- en huurwoningen) nog geen beoogd afnemer bekend is.”

4.28.3.

Ballast leidt hieruit af dat niet de afzetmogelijkheden aan de hand van de ingediende marktrapportages zijn beoordeeld, maar de omvang/hardheid van de intenties van [organisatie 2] en [organisatie 3] . Volgens haar waren die intenties niet meer, en konden deze ook niet meer zijn, dan een ondersteuning van de marktrapportages en moesten de marktrapportages beoordeeld worden. Een analyse van de afzetmogelijkheden is iets wezenlijk anders dan de omvang en/of hardheid van toezeggingen van marktpartijen, aldus Ballast. Dat een onjuiste maatstaf is gehanteerd klemt volgens Ballast temeer omdat zij wel afnemers heeft, maar daarover geen nadere informatie heeft ingediend omdat zij er van uit ging dat dat niet ter zake deed. Ballast stelt verder dat het bij een juiste beoordeling onbestaanbaar is dat zij voor dit subcriterium van onderdeel B minder dan een 8 (goed) zou scoren. Een score van 10 (uitstekend) zou eerder gerechtvaardigd zijn. In aanmerking genomen dat de verschillende subcriteria gelijk wegen komt Ballast in haar berekening dan tot een score op dit subcriterium van 3,33 althans 2,67.

Met betrekking tot de eerste twee subcriteria van onderdeel B voert Ballast ook aan dat zij vraagtekens heeft bij de puntentoekenning. Na vergelijking met de scores van [tussenkomende partij 1] op alle subcriteria kan echter pas duidelijk worden of zij al dan niet is benadeeld, aldus Ballast.

Het standpunt van Gemeente Utrecht en [tussenkomende partij 1]

4.29.

Gemeente Utrecht en [tussenkomende partij 1] hebben als verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een evidente fout bij de beoordeling en dat er dus geen reden is om Ballast op onderdeel B meer punten toe te kennen. Volgens hen heeft het selectieteam gelet op haar beoordelingsvrijheid in redelijkheid tot de gegeven scores voor de verschillende subcriteria van onderdeel B kunnen komen. Voor wat betreft subcriterium 1 “In hoeverre wordt vanuit de visie op het gebied onderbouwd waarom gekozen wordt voor het beoogde programma (geldt zowel voor het woon- als commercieel programma)” hebben zij verwezen naar de motivering die Gemeente Utrecht heeft gegeven in de brief van 18 januari 2019.

Ten aanzien van subcriterium 3 van onderdeel B is opgemerkt dat dit criterium tweeledig is: er werd volgens hen gekeken naar de afzetmogelijkheden en er werd gekeken naar marktrapportages. Gemeente Utrecht stelt verder dat uit de formulering duidelijk blijkt dat het haar te doen was om de afzetmogelijkheden. Deze zijn immers relevant voor de uiteindelijke realisatie en exploitatie van het plan, zoals ook blijkt uit de uitnodiging voor deelname waarin staat:

“De gemeente Utrecht is voor de locatie op zoek naar een slagvaardige samenwerkingspartner, bij voorkeur een consortium van partijen die de ontwikkeling, realisatie, eigendom en exploitatie van het vastgoed zeker kunnen stellen.”

Volgens Gemeente Utrecht betekent dit dat partijen een marktrapportage moesten opstellen om de afzetmogelijkheden te onderbouwen, maar dat zij de afzetmogelijkheden ook op een andere manier konden concretiseren, bijvoorbeeld door middel van intentieverklaringen. De afzetmogelijkheden konden dus apart beschreven en onderbouwd worden, wat door zowel [tussenkomende partij 1] als Ballast ook is gedaan. Het spreekt volgens Gemeente Utrecht voor zich dat naar mate de afzetmogelijkheden concreter werden onderbouwd, het plan beter zou scoren.

De beoordeling

4.30.

In het geval bij de beoordeling door Gemeente Utrecht niet de juiste maatstaf is gehanteerd dan is er reden voor ingrijpen door de rechter. Dit kan dan worden aangemerkt als een evidente onjuistheid in de beoordeling die met zich kan brengen dat de selectiebeslissing niet juist is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is echter niet aannemelijk geworden dat hiervan sprake is.

4.31.

De tekst van het derde selectiecriterium onder B biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende steun voor de door Ballast bepleite uitleg daarvan. Dat het alleen ging om een analyse van de afzetmogelijkheden uitsluitend aan de hand van de ingediende marktrapportages, blijkt daaruit niet.

Integendeel hieruit blijkt veeleer dat is bedoeld dat de afzetmogelijkheden apart onderbouwd konden worden en dit onder andere met een marktrapportage kon worden gedaan, zoals Gemeente Utrecht en [tussenkomende partij 1] ook hebben betoogd. Het spreekt voor zich dat een inschrijver op de vraag “wat zijn de afzetmogelijkheden” kan antwoorden dat die maximaal zijn omdat er al afspraken met afnemers zijn gemaakt. Uit de motivering van Gemeente Utrecht blijkt ook voldoende duidelijk op welke wijze de beoordeling door Gemeente Utrecht heeft plaatsgevonden. Aangegeven is dat [tussenkomende partij 1] meer afzetmogelijkheden heeft kunnen concretiseren dan Ballast. Een afzetzekerheid is immers de maximaal bereikbare afzetmogelijkheid. Dit betekent dat op basis van de inhoudelijke bezwaren van Ballast ten aanzien van onderdeel B geen aanleiding is voor een herbeoordeling van de inschrijvingen.

Onderdeel A – Beeld, architectuur en stedenbouw

4.32.

Ballast en [tussenkomende partij 1] hebben elk hun plan ingediend, respectievelijk het plan Fruitful City en het plan [..] . Bij de dagvaarding zijn de producties 18 tot en met 20 gevoegd waarop schetsen van de beide plannen staan afgebeeld.

4.33.

Op grond van de selectieleidraad diende Gemeente Utrecht op onderdeel A, met een onderverdeling in vijf subcriteria, punten toe te kennen, in totaal 20 (4 x5). Ballast heeft voor haar plan Fruitful City in totaal 11 van de 20 punten ontvangen en [tussenkomende partij 1] voor haar plan [..] in totaal 19 van de 20 punten. De verschillende subonderdelen zijn in het plan van Ballast als volgt beoordeeld: 1, 2, 3, 3, 2. Dit past binnen de door de selectieleidraad voor de beoordeling van subcriteria van onderdeel A voorgeschreven puntenreeks van 1 tot en met 4.

4.34.

De vraag die nu voor ligt is of Gemeente Utrecht in redelijkheid tot deze scores heeft kunnen komen. Volgens Ballast is dat niet het geval. Zoals al eerder is overwogen is de rechterlijke toets slechts marginaal. Aan het selectieteam komt de nodige vrijheid toe, temeer omdat de leden geacht mogen worden te zijn aangewezen vanwege hun specifieke deskundigheid. Alleen als sprake is van procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden, dan wel dat sprake is van gelet op de motivering onbegrijpelijke uitkomst, die met zich brengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is eventueel plaats voor ingrijpen.

4.35.

Ballast voert allereerst aan dat de selectiebeslissing onrechtmatig jegens haar is omdat zij bij gebrek aan motivering op het niveau van de subcriteria van [tussenkomende partij 1] op geen enkele manier kan nagaan of Gemeente Utrecht een rechtvaardig puntenverschil heeft verbonden aan de geconstateerde verschillen. Zij stelt dat [tussenkomende partij 1] een tamelijk vergelijkbaar plan heeft ingediend en tamelijk vergelijkbare keuzes heeft gemaakt ten aanzien van de stedenbouwkundige strategiekaart als het gaat om de vormgeving van het centrale plein en de vormgeving van de hoogbouw. Het grote verschil in punten tussen de beide plannen begrijpt zij dan ook niet zonder de onderbouwing op subcriteriumniveau.

Volgens Ballast heeft het selectieteam in ieder geval verkeerde elementen betrokken bij de beoordeling van haar eerste subcriterium van selectiecriterium A. te weten:

“Relevantie voor Leidsche Rijn Centrum: in hoeverre sluit het plan aan bij de architectuur van de overige plannen voor Leidsche Rijn Centrum? In welke mate voldoet de aanbieding aan de meegegeven stedenbouwkundige kaders?”

De stedenbouwkundige kaders kennen op zich geen beperkingen als het gaat om de architectuur van de laagbouw, de hoogbouw en de eventuele verschillen daartussen, aldus Ballast. Omdat Leidsche Rijn geen hoogbouw kent, zou elke vorm van hoogbouw afwijkend zijn van het bestaande Leidsche Rijn, aldus Ballast Ballast stelt dat zij wordt afgerekend op een norm die vooraf niet bekend is gemaakt.

4.36.

In de selectiebeslissing van 4 december 2018 heeft Gemeente Utrecht de volgende onderbouwing gegeven van de puntentoekenning:

“Het plan van Fruitful City creëert een karakteristieke skyline voor Leidsche Rijn Centrum Noord en voor de stad Utrecht als geheel. Door alle hogere gebouwen af te schuinen met groene terrassen, en door gebruik te maken van verschillende gebouwhoogtes en kunsttoepassingen in licht ontstaat er een compositie die we nog niet kennen in de stad Utrecht. Met betrekking tot de torens is de selectiecommissie echter van mening dat er ten onrechte niet gekozen is voor een consistente benadering van de verschillende niveaus in het plan. De architectuur van de torens, boven de stedelijke laag van zes verdiepingen, wijkt te zeer af van de architectuur die men ervaart op ooghoogte binnen het plan. Hierdoor wijkt het plan in dit opzicht dan ook teveel af van de meegegeven stedenbouwkundige kaders.

In het plan van Fruitful City wordt gekozen voor een verkleining van de centrale pleinruimte. Deze keuze wordt gekoppeld aan een toename van openbare ruimte binnen twee van de drie bouwblokken in het plan. Dit zorgt ervoor dat het verschil tussen publieke ruimte en collectieve ruimte diffuus wordt en daarmee niet aansluit bij de stedenbouwkundige principes van Leidsche Rijn Centrum.

Binnen het plan van Fruitful City wordt gestreefd naar een stedelijk karakter; echter dit gaat ten koste van het (deels verkleinde) plein. Tijdens de presentatie is de keuze voor de omvorming van de centrale groene ruimte naar een meer stedelijk plein onvoldoende overtuigend gemotiveerd. De perspectiefbeelden laten een bruisend plein zien; de maquette toonde echter een benauwende openbare ruimte.

In het plan Fruitful City is gekozen voor een maximaal woonprogramma (1.200 woningen) waarbij alle niet-woon programma ingepast is op de begane grond. De levendigheid van het plein is dan ook zeker voorstelbaar. Er is bewust gekozen om de gemeenschappelijkheid vorm te geven op straatniveau. De daken binnen het plan zijn niet publiek toegankelijk, voor een deel wel collectief voor bewoners. Dit geeft dan ook weinig extra beleving voor bezoekers. Dit is een gemiste kans, zeker omdat de in het plan gevormde skyline uitnodigd om verschillende niveaus te ervaren.

(…)

De detaillering en materialisering van de openbare ruimte wordt uitgebreid omschreven in het plan, maar voldoende vergelijkbare informatie ontbreekt als het gaat om de kwaliteit van de gevels. De visualisaties en renders overtuigen onvoldoende dat de beoogde kwaliteit ook daadwerkelijk gehaald zal worden.”

Gemeente Utrecht heeft verder in haar brief van 18 januari 2019 in antwoord op vragen van Ballast nader toegelicht hoe het selectieteam tot de beoordeling van het plan van Ballast is gekomen. Hiervoor onder 4.14 is weergegeven wat Gemeente Utrecht als toelichting aan Ballast heeft laten weten. Ook tijdens de mondelinge behandeling zijn de plannen en verschillen daartussen aan de orde geweest.

4.37.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de onderbouwing van Gemeente Utrecht in voldoende mate een verklaring voor het puntenverschil tussen het plan van Ballast en het plan van [tussenkomende partij 1] kan worden gevonden. Voor Ballast moet op grond hiervan duidelijk zijn geworden hoe Gemeente Utrecht tot haar beoordeling is gekomen. Gemeente Utrecht heeft gewezen op de Strategiekaart en het Stedenbouwkundig Plan Leidsche Rijn Noord waarin de architectonische en stedenbouwkundige kaders zijn geschetst, die de inschrijvers in acht moesten nemen. Gemeente Utrecht heeft er daarnaast onweersproken op gewezen dat in de selectieleidraad wordt aangegeven dat een belangrijk uitgangspunt is dat sprake is van samenhang tussen Leidsche Rijn Centrum Noord en Leidsche Rijn Centrum Kern wat zal worden versterkt door in beide gebieden de karakteristieken van de bouwblokken en openbare ruimte op elkaar af te stemmen. Uit de motivering van Gemeente Utrecht blijkt op welke wijze het selectieteam het plan aan deze kaders heeft getoetst en hoe zij tot de conclusie is gekomen dat in het plan van Ballast op een aantal punten van deze kaders is afgeweken. De stedenbouwkundige uitgangspunten zoals opgenomen in het Stedenbouwkundig Plan, te weten (1) klassieke bouwblokken, (2) verticale geleding, (3) levendige plint (waar mogelijk), (4) Setbacks (dat wil zeggen, een terugliggende verdieping/gevelbeëindiging) komen daarin terug. Ook het belang van de centrale pleinruimte blijkt uit de stukken en bij de beoordeling is rekening gehouden met de kaders op dit punt. Dit alles neemt niet weg dat Gemeente Utrecht geen reden had om de scores van [tussenkomende partij 1] op de subcriteria niet kenbaar te maken, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er mede gelet op het aanzienlijke puntenverschil dat beiden plannen op onderdeel A hebben toegekend gekregen geen aanleiding om aan te nemen dat dit tot een andere uitkomst zal leiden.

4.38.

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat Gemeente Utrecht in redelijkheid conform de bekendgemaakte gunningssystematiek tot haar beoordeling op onderdeel A heeft kunnen komen.

Conclusie

4.39.

De conclusie is dat de selectiebeslissing om met [tussenkomende partij 1] een ontwikkelingsovereenkomst te sluiten onvoldoende is gemotiveerd. De vraag of een herbeoordeling moet plaatsvinden kan daarmee ook (nog) niet aan de orde zijn. De voorzieningenrechter zal een voorziening treffen die er op neer komt dat Gemeente Utrecht de selectiebeslissing beter moet motiveren, met dien verstande dat Gemeente Utrecht (de selectiecommissie) motiveert hoe zij tot de integrale score is gekomen met in acht neming van de beoordeling van de gelijkwaardige subcriteria op onderdeel B, waarbij de motivering ook inzichtelijk dient te maken hoe die beoordeling bij de hoogste inschrijver tot stand is gekomen.

4.40.

Gemeente Utrecht zal een termijn van 20 kalenderdagen in acht moeten nemen tussen het moment van bekendmaking van de verbeterde motivering en het moment van het sluiten van een ontwikkelingsovereenkomst met de hoogst scorende inschrijver en het vonnis in kort geding moeten afwachten als binnen deze termijn van 20 kalenderdagen een kort geding aanhangig wordt gemaakt.

4.41.

De in verband met de vorderingen door Ballast gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Het is voldoende aannemelijk dat Gemeente Utrecht – zoals zij stelt – dit vonnis zal nakomen, zodat een prikkel tot nakoming van dit vonnis in de vorm van het opleggen van een dwangsom niet nodig is.

4.42.

Ten overvloede wordt overwogen dat als Gemeente Utrecht geen ontwikkelingsovereenkomst wil sluiten op basis van de huidige documenten, het haar vrij staat om de procedure af te breken en als dit wenst een nieuwe procedure op te starten.

4.43.

Gemeente Utrecht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Ballast worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ballast worden begroot op:

- dagvaarding € 81,83

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.536,83

4.44.

De door Ballast gevorderde nakosten zullen worden begroot op de wijze als in het dictum vermeld.

De vorderingen van [tussenkomende partij 1] op Ballast en Gemeente Utrecht

4.45.

In het voorgaande ligt besloten dat de vorderingen van [tussenkomende partij 1] zoals weergegeven onder 3.3. moeten worden afgewezen.

4.46.

[tussenkomende partij 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Ballast en Gemeente Utrecht. Deze proceskosten worden voor Ballast begroot op € 543,00 voor salaris advocaat en voor Gemeente Utrecht op nihil. Niet gebleken is dat tussenkomst van [tussenkomende partij 1] voor Gemeente Utrecht tot meer werkzaamheden heeft geleid.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

5.1.

staat [tussenkomende partij 1] toe om tussen te komen in de procedure tussen Ballast en Gemeente Utrecht,

5.2.

compenseert de kosten in het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

In de hoofdzaken

5.3.

verbiedt Gemeente Utrecht op basis van de genomen selectiebeslissing een ontwikkelingsovereenkomst met [tussenkomende partij 1] of een andere inschrijver te sluiten,

5.4.

gebiedt Gemeente Utrecht om de selectiebeslissing op onderdeel B beter te motiveren, op de wijze als hiervoor in onderdeel 4.39 is overwogen,

5.5.

gebiedt Gemeente Utrecht om een opschortende termijn van 20 kalenderdagen in acht te nemen tussen het moment van bekendmaking van de verbeterde motivering en het moment van het sluiten van een ontwikkelingsovereenkomst met de hoogst scorende inschrijver, en om het vonnis in kort geding af te wachten als binnen deze termijn van 20 kalenderdagen een kort geding aanhangig wordt gemaakt,

5.6.

veroordeelt Gemeente Utrecht in de proceskosten, aan de zijde van Ballast tot op heden begroot op € 1.536,83,

5.7.

veroordeelt Gemeente Utrecht in de na dit vonnis voor Ballast ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.8.

wijst het meer of anders door Ballast gevorderde af,

5.9.

wijst de vorderingen van [tussenkomende partij 1] tegen Ballast en Gemeente Utrecht af,

5.10.

veroordeelt [tussenkomende partij 1] in de proceskosten aan de zijde van Ballast begroot op € 543,00,

5.11.

veroordeelt [tussenkomende partij 1] de proceskosten aan de zijde van Gemeente Utrecht begroot op nihil,

5.12.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.1

1 type: HH (4182)