Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:355

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
UTR 18/2014
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het vervangen van de centrale menger niet aan te duiden is als het geheel of gedeeltelijk veranderen van de werking van de inrichting. Het vervangen van de menger is daarom niet vergunningplichtig. Er is daarom geen sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wabo. Verweerder heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2014

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Wolff).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] BV, te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. R. van Eck.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning vervangen van een menger in de inrichting van [derde-partij] aan de [adres] te [vestigingsplaats] en te handhaven op de energievoorschriften uit de revisievergunning van [derde-partij] , afgewezen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [A] en [B] . Derde-partij (hierna: [derde-partij] ) heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [C] en [D] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [derde-partij] heeft een biologische

diervoederfabriek op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] . Eiser woont op het naastgelegen perceel [adres] . Eind oktober 2017 is de centrale menger in de fabriek vervangen. Op 30 oktober 2017 heeft eiser bij verweerder een handhavingsverzoek ingediend. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit gedeeltelijk gegrond en

gedeeltelijk ongegrond verklaard en neemt daarbij de motivering van de bezwaarschriftenadviescommissie over. Het bezwaar van eiser voor zover dat gericht was tegen het afwijzen van het verzoek om handhaving ten aanzien van de energievoorschriften uit de revisievergunning is ongegrond verklaard. Het bezwaar van eiser voor zover dat gericht was tegen het afwijzen van het verzoek om handhaving ten aanzien van het zonder omgevingsvergunning vervangen van de menger is gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit op dit punt herroepen en het verzoek om handhaving met een gewijzigde motivering afgewezen. Verweerder baseert het bestreden besluit onder andere op een vergelijkend onderzoek tussen een oude en de nieuwe centrale menger, opgesteld door [bedrijfsnaam] B.V. Volgens het bestreden besluit past het vervangen van de menger binnen de voor [derde-partij] geldende vergunning.

3. Eiser heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden op twee punten, namelijk (1) het vervangen van de centrale menger zonder omgevingsvergunning en (2) het door [derde-partij] niet naleven van de energievoorschriften 2.11 tot en met 2.17 uit de revisievergunning. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat zijn beroep enkel ziet op de afwijzing door verweerder van het handhavingsverzoek ten aanzien van het vervangen van de centrale menger. De rechtbank zal dan ook niet ingaan op het handhavingsverzoek ten aanzien van het naleven van de energievoorschriften. De rechtbank beperkt zich tot beantwoording van de vraag of het vervangen van de centrale menger vergunningplichtig is, en daarmee grond biedt voor handhavend optreden, en zal alleen de beroepsgronden die in dit kader zijn aangevoerd bespreken.

4. Eiser voert aan dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het rapport van [bedrijfsnaam] is een andere lintmenger dan de oude menger uit de fabriek in [woonplaats] met de nieuwe paddelmenger vergeleken en volgens eiser is onvoldoende aangetoond dat deze andere lintmenger hetzelfde is als de oude lintmenger. Eiser stelt verder dat uit het rapport van [bedrijfsnaam] niet kan worden geconcludeerd dat er geen consequenties zijn voor het productieproces en er dus geen omgevingsvergunning vereist is. Volgens eiser zijn er wel consequenties, omdat de nieuwe menger een grotere capaciteit heeft dan de oude menger.

5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting of mijnbouwwerk.

6.1.

Het standpunt van eiser dat de vergelijking in het rapport van [bedrijfsnaam] niet gebruikt kan worden omdat de vergelijking niet is gemaakt met exact dezelfde lintmenger als die voorheen door [derde-partij] gebruikt werd, volgt de rechtbank niet. Uit het rapport van [bedrijfsnaam] blijkt dat de producent van de oude lintmenger in de jaren ’90 zijn faillissement heeft aangevraagd, zodat er geen gegevens meer voorhanden waren met betrekking tot de specificaties van deze menger. [bedrijfsnaam] heeft wel van een oud-medewerker van deze producent een maatschets van het type van de oude lintmenger van [derde-partij] ontvangen. [bedrijfsnaam] heeft vervolgens voor de vergelijking een andere lintmenger gevonden en gebruikt die qua bouwvorm en mengprincipe nagenoeg gelijk is aan de oude lintmenger van [derde-partij] . Deze lintmenger is vergeleken met de (nieuwe) paddelmenger van [derde-partij] . Volgens [bedrijfsnaam] kan deze machine dienen als referentie voor de waardes van het energieverbruik. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen, zodat er ook geen aanleiding bestaat om eiser te volgen in zijn betoog dat de vergelijking door [bedrijfsnaam] niet te gebruiken is.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat het vervangen van de centrale menger niet vergunningplichtig is en overweegt daartoe als volgt. Uit het rapport van [bedrijfsnaam] blijkt dat er door het vervangen van de menger geen wijziging optreedt in het productieproces. De nieuwe menger is energiezuiniger en heeft een kortere draaitijd. In theorie betekent dit dat er meer batches gemengd kunnen worden per tijdperiode, maar door [bedrijfsnaam] is gemotiveerd dat dit bij [derde-partij] niet mogelijk is omdat de capaciteiten van de totale fabriek lay out hiervoor ontoereikend zijn. Dit wordt ook bevestigd in een controlerapport van toezichthouder [B] van 29 maart 2018. In dit controlerapport is een vergelijking gemaakt van de productie in de weken 45 tot en met 47 in 2016 (met de oude menger) ten opzichte van de weken 45 tot en met 47 in 2017 (met de nieuwe menger). Uit de vergelijking blijkt dat [derde-partij] niet meer is gaan produceren na het vervangen van de menger. Het productieproces of de productiecapaciteit worden door de nieuwe menger dus niet vergroot of veranderd. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Nu de rechtbank concludeert dat het vervangen van de menger niet aan te duiden is als het geheel of gedeeltelijk veranderen van de werking van de inrichting, is het vervangen van de menger niet vergunningplichtig. Er is daarom geen sprake van een overtreding van

artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wabo. Verweerder heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en

mr. J.G. Nicholson, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.