Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3530

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
NL18.11942
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijslevering. Bewijs geleverd. Toewijzing koopsom, afwijzing tegenvordering,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.11942

Vonnis van 2 augustus 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat M.J.H. Mühlstaff,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
verweerster op de vordering,
eiseres van de tegenvordering,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat G.W.L. den Haan heeft zich onttrokken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 februari 2019,

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juli 2019,

  • -

    de brief van 3 juli 2019 aan [verweerster] met de mededeling dat hij binnen een termijn van twee weken een advocaat kan stellen.

1.2.

Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat zij vonnis zal wijzen.

2 De verdere beoordeling

op de vordering en de tegenvordering

2.1.

De rechtbank blijft bij dat wat zij in het tussenvonnis heeft overwogen en gaat daarop verder. Zij heeft in het tussenvonnis bepaald dat [eiseres] moet bewijzen dat en tot welke hoogte de uitkomsten van het boekenonderzoek door de belastingdienst zijn verdisconteerd in de koopprijs. [eiseres] heeft drie getuigen laten horen: haar bestuurder de heer [A] , de voormalige boekhouder van [bedrijfsnaam] de heer [B] en de heer [C] van de belastingdienst.

2.2.

De rechtbank oordeelt dat [eiseres] is geslaagd in het leveren van het bewijs. De heer [A] heeft verklaard dat hij in augustus of september 2017 met de bestuurder van [verweerster] , de heer [verweerster] , heeft gesproken over de overname van de aandelen. Toen hebben zij een akkoord bereikt over de koopprijs. Over de totstandkoming van de koopprijs en de rol van het toen lopende boekenonderzoek van de belastingdienst verklaart [A] :

“In augustus of september 2017 had ik hem dus eindelijk aan tafel gekregen om over de koop te praten. We zijn toen samen door de showroom gelopen en hebben ieder voor zich een prijs bepaald voor de auto's die er stonden. Ook de gereedschappen, voorraad en apparatuur hebben we gewaardeerd. Zo zijn we samen tot een waardering van het vermogen gekomen. We hebben alles in het bedrijf doorgelopen en een lijst gemaakt. We kwamen tot de conclusie dat er ongeveer € 500.000 overbleef. Daarmee bedoel ik het bedrag dat overblijft als je van het vermogen de openstaande kosten aftrekt. Ik wilde de helft van dat bedrag als koopsom voor mijn aandelen. [verweerster] wilde niet meer dan € 175.000 betalen. Ik ben daar vrijwel meteen mee akkoord gegaan omdat ik wist dat hij ook door moest en omdat ik het graag wilde afsluiten. In de opstelling van het vermogen en de kosten is de uitkomst van het boekenonderzoek meegenomen. Toen was ongeveer wel duidelijk wat eruit zou komen. Van de boekhouder, de heer [B] , had ik begrepen dat er een bedrag van maximaal € 30.000 door de belasting zou worden opgelegd. Dit bedrag van € 30.000 is tussen [verweerster] en mij besproken en meegenomen in het overzicht van de kosten.”

2.3.

De heer [B] heeft als getuige de verklaring van de heer [A] op essentiële onderdelen bevestigd. Hij heeft verklaard dat er op 7 juni 2017 een gesprek plaatsvond tussen de heer [C] van de belastingdienst en de heer [verweerster] , [A] en hemzelf:

“Na het gesprek van 7 juni 2017 was voor ons wel duidelijk wat ongeveer het bedrag aan naheffingen zou zijn. Dat lag rond de € 30.000. De heer [C] heeft dat niet zo uitgesproken, die heeft gezegd dat we de aanslagen moesten afwachten. Maar als je een beetje kunt rekenen en kijkt naar de posten die zijn besproken dan was het wel zo ongeveer duidelijk. Ik heb op 7 juni 2017 met de heer [A] en [verweerster] besproken dat de naheffingen op zo'n bedrag zouden uitkomen, mits de aan te leveren informatie naar tevredenheid van de Belastingdienst zou zijn. (…)

In een telefoongesprek met [A] heb ik tegen hem gezegd dat hij in de koopsom van de aandelen wel alles moet meenemen. Ik heb daarbij specifiek het boekenonderzoek genoemd.”

2.4.

De heer [C] heeft verklaard over het verloop van het boekenonderzoek. Zijn verklaring heeft geen betekenis voor de bewijsopdracht in die zin dat hij de verklaringen van [A] en [B] bevestigt of daar iets anders over verklaart.

2.5.

[verweerster] heeft ervoor gekozen geen advocaat meer te stellen nadat zijn advocaat zich op 20 juni 2019 (vóór het getuigenverhoor) had onttrokken. Hij heeft dus niets tegenover de verklaringen gezet. [eiseres] heeft dan ook bewezen dat er in de koopprijs rekening is gehouden met de uitkomst van het boekenonderzoek tot een bedrag van
€ 30.000.

2.6.

[verweerster] heeft als bijlage bij het verweerschrift de drie naheffingsaanslagen ingebracht die door de belastingdienst zijn opgelegd na het boekenonderzoek. Die aanslagen tellen op tot een totaal van € 33.901,- inclusief boetes. Dat ligt dichtbij het bedrag waarmee partijen rekening hebben gehouden bij het bepalen van de koopprijs. Mede gelet op het feit dat er nog een onderhandelingsslag heeft plaatsgevonden nadat het verschil tussen vermogen en kosten was vastgesteld (van € 250.000 naar € 175.000), is niet aannemelijk dat de koopprijs verder omlaag zou zijn gegaan als er rekening was gehouden met € 33.901 in plaats van € 30.000.

2.7.

Dit betekent dat [verweerster] de schade, die hij heeft geleden door schending van de fiscale garanties, al vergoed heeft gekregen. De uitkomst van het boekenonderzoek is immers verdisconteerd in de koopprijs. De rechtbank heeft de overige aanspraken van [verweerster] op schadevergoeding al in het tussenvonnis verworpen. De conclusie is dan ook dat [verweerster] ten onrechte zijn betalingsverplichting van de koopsom heeft opgeschort en dat [verweerster] geen recht op betaling van schadevergoeding heeft. De rechtbank veroordeelt [verweerster] tot betaling van het restant van de koopsom: € 98.000,-. Gelet op artikel 3.2 van de Koopovereenkomst is daarvan € 88.000 op dit moment opeisbaar. De overige delen van de koopsom (telkens € 2.000) zijn opeisbaar aan het einde van ieder maand, de eerste op 31 augustus 2019.

2.8.

In het tussenvonnis van 21 februari 2019 heeft bij provisionele beslissing een voorschot op betaling van de koopsom toegekend aan [eiseres] van € 40.000,00. Dit provisioneel vonnis verliest zijn werking en wordt vervangen door deze definitieve beslissing in de hoofdzaak (zodra deze onherroepelijk is), zie HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5056.

2.9.

[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente vanaf het moment van in gebreke blijven. [eiseres] heeft voor toewijzing van die vordering voldoende gesteld en [verweerster] heeft geen verweer gevoerd. [eiseres] stelt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht en vordert € 1.755,00 aan buitengerechtelijke kosten. [verweerster] heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde bedrag overeenkomt met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en wijst dat bedrag toe.

Uit de hiervoor opgenomen overwegingen volgt dat de tegenvorderingen van [verweerster] worden afgewezen.

2.10.

[eiseres] heeft ten slotte gevorderd dat [verweerster] de kosten betaalt van het door [eiseres] gelegde conservatoir beslag. Op grond van artikel 706 Rv kunnen de kosten van conservatoir beslag worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Gelet op de overwegingen hiervoor is geen sprake van niet, onnodig of onrechtmatig beslag. De rechtbank zal ook deze vordering toewijzen. Toegewezen wordt
€ 1.707,00 voor salaris advocaat en € 73,37 + € 106,54 + € 169,78 = € 349,69 aan deurwaarderskosten.

2.11.

[verweerster] heeft (grotendeels) ongelijk gekregen, zowel wat betreft de vordering als de tegenvordering. Zij moet haar eigen proceskosten betalen en aan [eiseres] de proceskosten vergoeden. De rechtbank begroot de kosten van [eiseres] voor de vordering op:

- betekening oproeping € 85,44

- griffierecht 1.950,00

- getuigenkosten 10,00

- salaris advocaat 5.121,00 (3,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.166,44

De rechtbank begroot de kosten van [eiseres] voor de tegenvordering op:

- salaris advocaat 853,50 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 1.707,00)

Totaal € 853,50

3 De beslissing

De rechtbank

op de vordering

3.1.

veroordeelt [verweerster] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 88.000,00 (achtentachtig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over de deelbedragen, genoemd in artikel 3.2 van de Koopovereenkomst, met ingang van de de dag volgend op de dag die in dat artikel is overeengekomen als de uiterste dag van betaling, tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [verweerster] daarnaast om aan [eiseres] te betalen:

€ 2.000,- uiterlijk op 31 augustus 2019;

€ 2.000,- uiterlijk op 30 september 2019;

€ 2.000,- uiterlijk op 31 oktober 2019;

€ 2.000,- uiterlijk op 30 november 2019;

€ 2.000,- uiterlijk op 31 december 2019;

telkens vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf de dag volgend op de uiterste dag van betaling, tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [verweerster] daarnaast om aan [eiseres] te betalen een bedrag van
€ 1.755,00 voor buitengerechtelijke kosten,

3.4.

veroordeelt [verweerster] in de beslagkosten van in totaal € 2.056,69,

3.5.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 7.166,44,

3.6.

veroordeelt [verweerster] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

op de tegenvordering

3.9.

wijst de vorderingen af,

3.10.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 853,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2019.

Type: HAB/4727

Coll.: JvdB/4223