Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3504

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1115
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Boete ANW wegens schending inl.plicht, niet onderbouwd dat sprake is van psychische klachten wardoor (-) over de gehele periode geen melding kon maken bij vw van gewijzigde leefsituatie, normale verwijtbaarheid, beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1115

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),

en

de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.080,72.

Bij besluit van 1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres ontving met ingang van juli 2011 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandewet (Anw). Bij besluiten van 12 december 2017 heeft verweerder de nabestaandenuitkering ingetrokken over de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 april 2017 en de over die periode betaalde nabestaandenuitkering teruggevorderd tot een bedrag van € 42.419,76. Hieraan lag ten grondslag dat verweerder zich op het standpunt stelde dat eiseres met de heer [A] een gezamenlijke huishouding voerde in die periode. Deze rechtbank heeft op 25 april 20191 het beroep tegen de intrekking van de nabestaandenuitkering ongegrond verklaard. Eiseres is hiertegen in hoger beroep gegaan, maar hierop is nog geen uitspraak gedaan.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zodat de hoogte van de boete wordt vastgesteld op 50% van het schadebedrag met een maximum van € 5.466,67, dat op basis van normale verwijtbaarheid. Gelet op de aflossingscapaciteit van eiseres is de bestuurlijke boete door verweerder verlaagd tot € 1.080,72 (€ 90,06 x 12 maanden).

4. Voor het opleggen van een boete is vereist dat een betrokkene zowel objectief als subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het overtreden van de inlichtingenplicht. Bovendien zal de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan zal daarbij zo nodig rekening moeten houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

5. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van deze rechtbank van 15 maart 2019 volgt dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat als gevolg daarvan haar ten onrechte een nabestaandenuitkering is uitgekeerd.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres psychiatrische klachten heeft, onder behandeling staat van een psychiater en medicatie gebruikt. Gelet op de gronden van beroep ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiseres als gevolg daarvan niet in staat was om te kunnen beoordelen of sprake was van een wijziging in haar woon- en leefsituatie en of zij in staat was hiervan tijdig melding te maken bij verweerder, zodat – zoals eiseres stelt – sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel van verminderde verwijtbaarheid.

7. De rechtbank stelt voorop dat van eiseres niet werd gevergd dat zij zich bewust was van het feit dat zij juridisch gezien een gezamenlijke huishouding voerde. Het is immers aan verweerder om de feiten juridisch te duiden, maar dan moet eiseres wel de juiste feiten aan verweerder doorgeven. Dat heeft zij niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat er geen reden is om te oordelen dat verwijtbaarheid volledig ontbreekt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres bij brief van 1 september 2016 (gedingstuk 3.1) is gewezen op het controleren en doorgeven van de juiste leefsituatie. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres zich moeten realiseren dat er sprake was van een gewijzigde situatie vanaf juli 2014 die relevant kon zijn voor het recht op uitkering en had zij dit moeten doorgeven aan verweerder. Eiseres heeft niet aan verweerder doorgegeven dat haar leefsituatie is veranderd.

Ook voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid heeft verweerder geen grond hoeven zien. Met de door eiseres overgelegde verklaringen van haar psychiater en huisarts en de informatie over het medicijngebruik heeft eiseres niet aangetoond dat zij over de gehele periode van 1 juli 2014 tot en met 30 april 2017 niet in staat was om verweerder in te lichten over haar feitelijke woonsituatie. De psychiater heeft uitsluitend verklaard dat eiseres bij hem onder behandeling is. De huisarts heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat eiseres mogelijk onder druk mensen binnen laat en een verklaring heeft ondertekend en dat zij al jaren lijdt aan een psychische ziekte en medicatie gebruikt die haar gedrag kan verklaren. De verklaring lijkt vooral te zien op het huisbezoek dat op 15 november 2018 bij eiseres heeft plaatsgevonden. Beide artsen hebben niet verklaard dat eiseres vanwege haar problematiek en medicijngebruik niet in staat kan worden geacht om in de gehele periode in geding de wijziging in haar leefsituatie bij verweerder te melden. Uit deze stukken blijkt dan ook niet dat de schending van de inlichtingenverplichting eiseres niet, dan wel verminderd kan worden verweten. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres niet heeft aangetoond dat sprake is van volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel verminderde verwijtbaarheid. Verweerder heeft derhalve terecht de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

8. Nu geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid is verweerder bij de vaststelling van de fictieve draagkracht terecht uitgegaan van een boetebedrag van 12 keer de voor eiseres toepasselijke beslagvrije voet. Eiseres heeft dit, behoudens op het punt van de verminderde draagkracht, verder ook niet bestreden.

9. Dat wat verder is aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 UTR 18/3754