Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
UTR 18/1483
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor realiseren van kleinschalig hotel. Rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de belangen van vergunninghouder een zwaarder gewicht mocht toekennen dan aan belangen van eiseres. Verlenen van omgevingsvergunning is niet in strijd met goede ruimtelijke ordening. Uit vastgestelde hotelbeleid blijkt dat gemeente inzet op een uitbreiding van ongeveer 1000 hotelkamers en de realisatie daarvan stimuleert in of nabij de binnenstad. Geen onacceptabele druk op woon- en leefklimaat van de omgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/1483

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigden: mr. N. Oosterweghel en mr. H. Kavi)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. P.J.G. Poels.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde-partij] (verder: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een kleinschalig hotel op het perceel [adres] en [adres] te [woonplaats] (verder: het perceel).

Bij besluit van 13 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 26 januari 2017 heeft vergunninghouder een aanvraag omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de realisatie van een kleinschalig hotel op het perceel. Het perceel betreft een gemeentelijk monument.

Bij het besluit van 15 mei 2017 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het door eiseres tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft zij aangevoerd dat vergunninghouder er in het recente verleden blijk van heeft gegeven dat hij zich niet houdt aan wet- en regelgeving en dat zij er van uitgaat dat dit thans niet anders zal zijn. Er is overlast door de toename van de toeristen. Ter zitting heeft zij daar aan toegevoegd dat de belangen van omwonenden en dus die van haar onvoldoende zijn meegewogen door verweerder. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de woonomgeving al zwaar is belast en dat een hotel daarin niet past. Verder vreest eiseres toekomstige ontwikkelingen op dit perceel.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het perceel als kleinschalig hotel, zoals door vergunninghouder is aangevraagd, in strijd is met het geldende bestemmingsplan ‘Binnenstad’. De gronden waarop het perceel is gelegen, hebben de bestemming “wonen”, binnen welke bestemming een kleinschalig hotel niet past.

4. De rechtbank overweegt dat verweerder bevoegd was om, ondanks de strijdigheid met het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning aan vergunninghouder te verlenen. Verweerder heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt en de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

5. De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Hierover verschillen partijen van mening. Bij de beoordeling van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo een zogenoemde discretionaire (dat wil zeggen een vrije) bevoegdheid van verweerder betreft. Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid moet verweerder nagaan of met realisering van de uitbreiding de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. De bestuursrechter moet het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechter beoordeelt of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.1

Verweerder heeft de aangevraagde vergunning verleend en daarbij overwogen dat de realisering van een kleinschalig hotel met zes kamers past binnen het ter zake gevoerde hotelbeleid en de daarin vastgelegde visie ten aanzien van kleinschalige hotels, te weten de Beleidsnota Hotels Utrecht 2010-2020. Verweerder heeft in dat verband ook gewezen op de in artikel 37.1 van het bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid om de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van de uitbreiding van het aantal kleinschalige hotels in het plangebied. Verweerder is daarbij van oordeel dat in dit geval ook wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die in artikel 37.1 van het bestemmingsplan zijn opgenomen.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat hij aan de belangen van vergunninghouder een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen dan aan de belangen van eiseres als omwonende en dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het vastgestelde hotelbeleid blijkt dat de gemeente Utrecht inzet op een uitbreiding van ongeveer 1000 hotelkamers tot 2020 en de realisatie daarvan onder meer stimuleert in of nabij de binnenstad.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisering van een kleinschalig hotel met zes kamers niet zal leiden tot een onacceptabele extra druk op het woon- en leefklimaat van de omgeving. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat de realisering van het hotel slechts leidt tot een geringe toename van het aantal kamers ten opzichte van de op grond van het bestemmingsplan toegestane uitoefening van een Bed & Breakfast (maximaal 4 kamers). Daarbij komt dat geluiden die samenhangen met de bedrijvigheid van een kleinschalig hotel horen bij een centrum-stedelijke omgeving. Gelet daarop zal binnen deze omgeving op een afstand van zo’n vijf tot tien meter tussen het hotel en de appartementen van de omwonenden, waaronder dat van eiseres, niet snel sprake zijn van onevenredige toename van de overlast.

6. Eiseres heeft nog aangevoerd dat zij vreest dat vergunninghouder zich niet zal houden aan de gestelde voorschriften, zoals dat ook in het verleden meerdere keren is gebeurd. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de vrees van eiseres op dit punt, overweegt de rechtbank dat dit een kwestie van handhaving is die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Ook de bij eiseres bestaande vrees dat er in de toekomst sprake zal zijn van uitbreiding van activiteiten, kan hier niet aan de orde komen. In dit beroep kan slechts aan de orde komen de beslissing van verweerder zoals die is genomen op de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning.

7. De rechtbank is op grond van wat hiervoor is overwogen van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

8. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. M.P. Glerum, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.