Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3476

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
29-08-2019
Zaaknummer
UTR 19/521
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:1880, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Exploitatievergunning voor horecabedrijf in de vorm van kleinschalig hotel. Horecaverordening kent geen bepaling die er toe strekt dat aanvrager van omgevingsvergunning dezelfde moet zijn als aanvrager van de exploitatievergunning. Woon- en leefklimaat in de omgeving van hotel wordt niet op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloed door de aanwezigheid van hotel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/521

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2019 in de zaak tussen

de Vereniging van Eigenaren […] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),

en

de burgemeester van Utrecht, verweerder

(gemachtigden: mr. N. Oosterweghel en mr. H. Kavi).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. P.J.G. Poels.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij (verder: vergunninghouder) een exploitatievergunning verleend voor een horecabedrijf in de vorm van een kleinschalig hotel op het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding] te [vestigingsplaats] .

Bij besluit van 10 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is besloten dat de adressering van het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding] / [nummer-/letteraanduiding] te [vestigingsplaats] moet zijn.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [A] .

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Bij besluit van 15 mei 2017 heeft verweerder aan [A] een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie, in afwijking van het bestemmingsplan, van een kleinschalig hotel op het perceel. De tegen dat besluit ingediende bezwaarschriften zijn door verweerder niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard. De tegen de besluiten op bezwaar ingestelde beroepen heeft de rechtbank bij uitspraken van heden ongegrond verklaard (zaak nrs. UTR 18/1212, UTR 18/1207, UTR 18/1483 en UTR 18/1485).

1.2

Bij besluit van 15 augustus 2017 heeft verweerder aan [A] ook een omgevingsvergunning verleend voor het brandveilig gebruiken van een hotel op het perceel. De tegen dat besluit ingestelde beroepen heeft de rechtbank bij uitspraken van heden ongegrond verklaard (zaak nrs. UTR 17/3834 en UTR 17/3949).

1.3

Vergunninghouder heeft op 11 mei 2017 een aanvraag voor een horeca-exploitatievergunning bij verweerder ingediend ten behoeve van de vestiging van het hotel op het perceel. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend. Het door eiseres tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank stelt allereerst vast dat de verleende exploitatievergunning alleen geldt voor het exploiteren van een hotel met een zestal kamers, gelegen op de eerste en tweede verdieping van het pand op het perceel. Dat in het besluit op bezwaar aan de adressering [straatnaam] nummer [nummer-/letteraanduiding] is toegevoegd, betekent niet dat de exploitatievergunning ook ziet op onder meer de werfkelder. Het primaire besluit laat wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen over, nu daarin expliciet wordt vermeld voor welke lokaliteiten/kamers de vergunning geldt.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat de exploitatievergunning moet worden geweigerd, omdat de vestiging van het hotel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Binnenstad’. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

3.1

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de Horecaverordening Utrecht 2015 weigert de burgemeester de exploitatievergunning indien de exploitatie of vestiging van een horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een ter inzage gelegd bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit, een beheersverordening, een exploitatieplan of daarmee gelijk te stellen regelingen.

3.2

Door de omgevingsvergunning die op 15 mei 2017 is verleend en door de rechtbank in stand wordt gelaten, is het gebruik van het pand voor hoteldoeleinden niet (langer) strijdig met het ter plaatse planologisch toegestane gebruik. Met die omgevingsvergunning is de grond om de exploitatievergunning te weigeren krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Horecaverordening Utrecht 2015 opgeheven. Dat die omgevingsvergunning nog niet rechtens onaantastbaar is, doet hier niet aan af. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.

4. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de persoon van de aanvrager van de exploitatievergunning niet overeenkomt met de aanvrager van de omgevingsvergunning. Al om die reden moet de exploitatievergunning worden geweigerd, aldus eiseres. Zij heeft daarvoor verwezen naar artikel 4 van de Horecaverordening, waarin is bepaald dat de exploitatievergunning uitsluitend wordt verleend aan en op naam wordt gezet van de houder. Aangezien de omgevingsvergunning door [A] is aangevraagd, gaat eiseres er van uit dat het bedrijf voor rekening en risico van [A] wordt geëxploiteerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Als houder van de exploitatievergunning wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Horecaverordening Utrecht 2015 aangemerkt de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt geëxploiteerd. In dit geval is de exploitatievergunning verleend aan [naam derde-partij] , zodat zij als houder van die vergunning moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de omgevingsvergunning is aangevraagd door en verleend aan [A] (eigenaar van het pand) betekent niet dat de exploitatie van het hotel ook voor zijn rekening en risico moet komen en dat hij daarom de aanvraag om een exploitatievergunning had moeten doen. De Horecaverordening Utrecht 2015 kent, net als overigens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geen bepaling die ertoe strekt dat de aanvrager van de omgevingsvergunning dezelfde moet zijn als de aanvrager van de exploitatievergunning. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.

5. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het hotel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Artikel 9, eerste lid, onder d, van de Horecaverordening Utrecht 2015 bepaalt dat de burgemeester de exploitatievergunning weigert indien naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat, de openbare orde of veiligheid in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

5.2

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van deze bepaling beoordelingsruimte toekomt, die de rechter moet respecteren en daarom slechts terughoudend kan toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure de vraag moet beantwoorden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het woon- en leefklimaat niet ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed.

5.3

Bij de besluitvorming op de aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een horecaonderneming moet door verweerder worden beoordeeld of de situering van het bedrijf op de beoogde plaats inbreuk maakt op de te beschermen woon- en verblijfskwaliteit van die plaats of in het gebied waartoe die plaats behoort. Bij de beoordeling van de vraag of de exploitatie van het hotel zich al dan niet verdraagt met het woon- en leefklimaat ter plaatse is van belang in welke mate er overlast is te duchten van het hotel, maar ook in welke mate de komst van het hotel de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen komen tot het oordeel dat verweerder aan de door haar gevreesde overlast een te gering gewicht heeft toegekend. Eiseres stelt last te ondervinden door de toename van toeristen. Er dreigen, aldus eiseres, Amsterdamse praktijken te ontstaan, ook omdat er in de omgeving al veel hotels en horecagelegenheden zijn. Verder had verweerder bij zijn beoordeling moeten betrekken dat [A] al diverse malen heeft getoond dat hij zich niet aan de regels houdt, wat ook blijkt uit de dwangsom die eerder aan hem is opgelegd.

5.5

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hier sprake is van een kleinschalig hotel met logiesverstrekking op de eerste en tweede verdieping van het pand, waarbij alleen ontbijt aan de hotelgasten wordt aangeboden. Gelet op de omvang van het hotel en de afstand van het hotel tot de percelen van de omwonenden, acht verweerder het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van dusdanige overlast dat deze zal leiden tot een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat de vestiging van het hotel slechts leidt tot een geringe toename van het aantal kamers ten opzichte van de op grond van het bestemmingsplan al toegestane uitoefening van een Bed & Breakfast. Verder kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat het hotel wordt gevestigd in een centrum-stedelijke omgeving, waarvoor in het algemeen geldt dat een bepaalde druk voor de omgeving daaraan inherent is. Ook de door eiseres geuite vrees dat vergunninghouder zich niet zal houden aan de opgelegde voorschriften, geeft de rechtbank, hoewel gezien de voorgeschiedenis begrijpelijk, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het hotel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Dit is immers een kwestie van handhaving.

6. Eiseres heeft ten slotte meer algemeen aangevoerd dat zij vreest dat de grenzen steeds verder zullen worden opgerekt. Eiseres vreest een verdere uitbreiding van het aantal kamers en de komst van een restaurant. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres gewezen op de Beleidsnota Hotels Utrecht 2010-2020 (“A Room with a View”), waarin wordt opgemerkt dat het herziene horecakader bepleit dat ergens waar een hotel is toegestaan, automatisch ook een restaurant is toegestaan.

6.1

De rechtbank overweegt dat verweerder moet beslissen op de aanvraag om een exploitatievergunning, zoals die is ingediend. De aanvraag waarop verweerder in dit geval moest beslissen ziet op het exploiteren van een hotel met 6 kamers, gelegen op de eerste en tweede verdieping van het pand. De aanvraag ziet niet op het exploiteren van een restaurant, zodat verweerder daarover ook geen beslissing heeft genomen en ook niet hoefde te nemen.

De bij eiseres bestaande vrees dat, al dan niet binnen afzienbare tijd, sprake zal zijn van uitbreiding van activiteiten, is onvoldoende om aan te nemen dat vergunninghouder hoe dan ook activiteiten gaat ontplooien die in strijd zijn met de verleende exploitatievergunning, op grond waarvan verweerder de vergunning had moeten weigeren. De rechtbank overweegt daarbij nog dat door vergunninghouder ter zitting expliciet is vermeld dat zij geen plannen heeft voor het in de (nabije) toekomst exploiteren van een restaurant. Als mocht blijken dat het perceel wordt geëxploiteerd in strijd met de verleende vergunning, kan eiseres verweerder verzoeken daartegen handhavend op te treden.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de gevraagde exploitatievergunning heeft kunnen verlenen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. M.P. Glerum, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.