Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3444

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
31-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19/317
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek terugkomen van besluit uit 2014 waarbij Wajong-uitkering is geweigerd. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Geen Amber-situatie. Ongegrond.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/317

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: F.A.M. Delfgaauw).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2018 heeft verweerder geweigerd terug te komen van een besluit van 9 december 2014, waarbij verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) heeft afgewezen omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet.

Bij besluit van 8 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser, geboren op [1987] , heeft op 25 april 2014 een Wajong-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 9 december 2014 afgewezen omdat eiser meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Het bezwaar tegen dit besluit is niet- ontvankelijk verklaard. Met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3552) en 24 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1703) is het besluit rechtens onaantastbaar geworden.

Op 20 oktober 2017 heeft eiser opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van

9 december 2014 en de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop’ zijn vermeld.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb), en dat er evenmin binnen vijf jaar na de afwijzing van de Wajong-aanvraag op 9 december 2014 sprake is van een verslechtering van de medische situatie op basis van dezelfde ziekteoorzaak. Ter onderbouwing heeft verweerder verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 en 27 december 2018.

3. Eiser voert in beroep aan dat bij de beoordeling in 2014 geen rekening is gehouden met de relevante medische informatie die hij nadien heeft overgelegd en dat ook bij de beoordeling van onderhavige aanvraag deze informatie niet is betrokken. Verder voert hij aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met de klachten en beperkingen die deels al voor zijn achttiende jaar bestonden.

4. De rechtbank onderschrijft het oordeel van verweerder dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Ook wordt verweerder gevolgd in zijn conclusie dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na eisers achttiende verjaardag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn beoordeling alle beschikbare medische informatie over de periode 1993-2017, ook de door eiser in bezwaar overgelegde informatie, betrokken. Op basis van deze informatie concludeert zij in het rapport van 24/27 december 2018 dat er geen nova zijn met betrekking tot de medische situatie van eiser ten tijde van zijn (zeventiende en) achttiende levensjaar noch ten tijde van de beoordeling in 2014 en dat er geen aanwijzingen zijn voor een Amber-situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit die informatie blijkt dat eiser diverse onderzoeken en behandelingen heeft gehad in verband met zijn rechterenkelklachten, dat er lichamelijke pijnklachten met name in de gewrichten zijn, mindere conditie bij motorische achterstand en spanningsgerelateerde hoofdpijn, maar ook dat bij diverse onderzoeken geen afwijkingen zijn gevonden. Daarnaast is naar voren gekomen dat eiser in 2015 is gediagnosticeerd met ASS maar daar al in 2014 de verdenking op bestond. Over somberheidsklachten passend bij een depressieve stoornis NAO DD dysthyme stoornis wordt pas sinds 2015 gesproken. Bij de beoordeling in 2014 is in voldoende mate rekening gehouden met de autistische stoornis en de spanningsgerelateerde hoofdpijn. In de verstrekte medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door eiser genoemde diagnose clusterhoofdlijn niet kunnen terugvinden. Ook aan de rechterenkelklachten en de overige gewrichtsklachten is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende tegemoet gekomen. Eiser heeft in beroep geen medische informatie overgelegd die de rechtbank reden geeft voor een andere conclusie.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.