Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3336

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
UTR 18/3279
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

‘gebruiker’ in de zin van artikel 15.33 Wm

Samenvatting:

De rechtbank oordeelt dat géén van de situaties omschreven in artikel 15.33 Wet milieubeheer (Wm) in dit geval van toepassing is op eiser. Dit betekent dat de heffingsambtenaar van de gemeente Almere de aanslag afvalstoffenheffing in strijd met het bepaalde in de Wm en de Verordening aan eiser heeft opgelegd; een wettelijke grondslag ontbreekt.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-08-2019
V-N Vandaag 2019/1923
FutD 2019-2294
Belastingblad 2019/378 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2020/11.24.23
NLF 2019/2018 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3279

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.D.A. van Velsen)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: T. Klinkhamer).

Procesverloop

Bij combinatie-aanslagbiljet van 28 februari 2017 (de aanslag afvalstoffenheffing) heeft verweerder aan eiser onder meer een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd van € 325,93 voor het adres [adres] in [woonplaats] , voor het belastingjaar 2017 (hierna: de aanslag).

In de uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2018 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 april 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] , taxateur.

Overwegingen

Feiten

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] (hierna; het perceel) in [woonplaats] . Hij verhuurt het perceel aan de stichting [stichting] door middel van een huurovereenkomst die ten minste geldt voor de periode van 1 juli 2016 tot en met 20 juni 2018. Verstrijkt deze periode zonder opzegging dan loopt de overeenkomst voor onbepaalde tijd door.

1.2

De bewoners van het perceel zijn deelnemers van een woon- en leefgemeenschap van de stichting [stichting] . Zij hebben hiervoor een begeleidings- en deelnameovereenkomst met de stichting gesloten. De bewoners staan op het adres van het perceel ingeschreven in de Basis registratie personen (Brp).

Het geschil

2. Verweerder heeft de aanslag opgelegd aan eiser, omdat hij eigenaar is van het perceel, het perceel in gebruik heeft gegeven aan de stichting en omdat er sprake is van meervoudige wisselende bewoning. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank moet aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht en de geldende wet- en regelgeving, beoordelen of verweerder de aanslag terecht aan eiser heeft opgelegd.

Wet- en regelgeving

3.1

Op grond van artikel 15.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) kan de gemeenteraad een heffing instellen ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Deze heffing kan worden opgelegd aan degenen die (al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht) gebruik maken van een perceel waarvoor een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

3.2

In artikel 3, eerste lid, van ‘Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2017’ (hierna: de Verordening) wordt onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ een directe belasting geheven, zoals bedoeld in artikel 15.33 van de Wm.

3.3

Artikel 4 van de Verordening bepaalt, net als het eerste lid van artikel 15.33 Wm, dat de belasting wordt geheven van degene die in de gemeente (naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht) gebruik maakt van een perceel waarvoor een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 4 van de verordening bepaalt dat voor de definitie van het begrip ‘gebruikmaken’ in de verordening wordt aangesloten bij de betekenis die artikel 15.33 van de Wm aan dat begrip geeft.

3.4

In het tweede lid van artikel 15.33 van de Wm wordt een nadere invulling van het begrip ‘gebruikmaken’ voor een aantal situaties geregeld:

  1. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden (medegebruikers) wordt aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden (hoofdgebruiker);

  2. gebruikmaken door degene aan wie een deel van het perceel in gebruik is gegeven (gebruiknemer), wordt aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (gebruikgever), met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven (gebruikgever), bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven (gebruiknemer);

  3. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld (gebruikgever), met dien verstande dat diegene bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het perceel ter beschikking is gesteld (gebruiknemer).

Beoordeling van het geschil

4. Eiser voert aan dat hij geen gebruik maakt van het perceel. Het bepaalde in artikel 15.33 van de Wm is niet op hem van toepassing. Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de Verordening. Verweerder had de aanslag daarom niet aan eiser mogen opleggen.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat verweerder alleen belasting kan heffen van degene die gebruik maakt van het perceel in de zin van artikel 15.33, van de Wm. Wie gebruikmaker is, is geregeld in artikel 15.33 Wm. De vraag of eiser gebruik maakt van het perceel, kan alleen bevestigend worden beantwoord als hij valt onder de situaties die zijn omschreven in het eerste lid of in het tweede lid onder a tot en met c. Het gaat daarbij om de feitelijke situatie op het perceel.

5.2

De rechtbank stelt allereerst vast (en partijen zijn het hierover eens) dat eiser geen gebruik maakt van het perceel als bedoeld in het eerste lid van artikel 15.33 Wm en dat de situatie die in het tweede lid onder sub a van dit artikel is omschreven ook niet van toepassing is op eiser.

5.3

De rechtbank oordeelt dat de situatie die onder sub b is omschreven ook niet op eiser van toepassing is. Eiser heeft zijn perceel namelijk niet deels, maar geheel in gebruik gegeven (aan de stichting). De situatie die onder sub c is omschreven acht de rechtbank evenmin op eiser van toepassing, omdat eiser het perceel niet aan de stichting ter beschikking heeft gesteld voor volgtijdig gebruik. Volgens vaste jurisprudentie, zoals de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2705, wordt onder volgtijdig gebruik verstaan: kortstondige verhuur van een onroerende zaak aan wisselende gebruikers, zoals bijvoorbeeld aan de orde is bij vakantiewoningen. Eiser verhuurt het perceel juist voor langere duur aan de stichting.

5.4

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank géén van de situaties omschreven in artikel 15.33 Wm van toepassing op eiser. Dat betekent dat verweerder de aanslag in strijd met het bepaalde in de Wm en de Verordening, aan eiser heeft opgelegd. Een wettelijke grondslag ontbreekt. Dat het volgens verweerder gebruikelijk is om dergelijke aanslagen op te leggen aan de eigenaar als uit de Brp blijkt dat er meerdere bewoners met verschillende inschrijfdata op een adres staan ingeschreven, maakt dat niet anders. De beroepsgrond van eiser slaagt.

6. Voor zover eiser nog heeft aangevoerd dat ook de aanslagen afvalstoffenheffing voor de belastingjaren 2015 en 2016 ten onrechte aan hem zijn opgelegd overweegt de rechtbank dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de aanslag voor het belastingjaar 2017 door de rechtbank wordt beoordeeld. De rechtbank kan zich in deze uitspraak daarom niet uitlaten over de belastingjaren 2015 en 2016. Bovendien zijn er geen beroepen van eiser over die belastingjaren bij de rechtbank bekend. Deze beroepsgrond treft geen doel.

Conclusie

7. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar. Ook vernietigt rechtbank de aanslag afvalstoffenheffing. Dit betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing die verweerder aan eiser heeft opgelegd voor het belastingjaar 2017 vervalt en dat verweerder de afvalstoffenheffing van € 325,93, indien en voor zover die door eiser al betaald is, moet terugbetalen aan eiser.

Proceskosten

8.1

Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser. De forfaitaire vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van artikel 1, aanhef, onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.532,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 254,-- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 512,-- en een wegingsfactor 1).

8.2

De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een vergoeding van de kosten voor het indienen van repliek af. Op grond van het Bpb kan daarvoor alleen een vergoeding worden toegekend als eiser door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk te repliceren, zoals bedoeld in artikel 8:43, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Dat is in deze zaak niet gebeurd.

8.3

Ook het verzoek van eiser om vergoeding van zijn reiskosten van € 25,60 voor het bijwonen van de zitting wijst de rechtbank af, omdat eiser niet op de zitting is verschenen. Voor zover eiser hiermee doelt op de reiskosten van zijn gemachtigde, komen die kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden geacht te zijn begrepen in de onder 8.1 berekende forfaitaire vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

8.4

Tot slot heeft eiser verzocht om de vergoeding van € 337,50 aan verletkosten, waarvan € 37,50 gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting en € 300,-- in verband met de reistijd van en naar de zitting. De rechtbank wijst ook dit verzoek af, omdat eiser niet op de zitting is verschenen. Voor zover eiser hiermee doelt op de verletkosten van zijn gemachtigde komen ook deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij worden geacht te zijn begrepen in de forfaitaire vergoeding.

9. De rechtbank bepaalt tot slot dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46, aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

 vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.532,-- en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding van eiser voor het overige af;

 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.