Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3334

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
UTR 18/848 en UTR 18/4936
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2184, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen inhoudelijke behandeling beroep knalapparaat Hollandse Rading

Samenvatting:

Op het perceel aan adres in Hollandse Rading staat een agrarisch bedrijf. Omwonenden hiervan (eisers) ervaren vanaf december 2015 geluidsoverlast van een knalapparaat dat de eigenaar van het bedrijf (derde-partij) naar eigen zeggen heeft gebruikt om vogels bij zijn veevoer weg te jagen. Eisers hebben het college van burgemeester en wethouders (college) gevraagd om handhavend op te treden. Dit verzoek heeft het college afgewezen, omdat het college op grond van zijn handhavingsbeleid eerst een voornemen tot handhavend optreden aan derde-partij kenbaar moet maken voordat daadwerkelijk tot handhaving kan worden overgegaan. Uiteindelijk heeft het college, na dit voornemen, derde-partij twee lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van het knalapparaat. Derde-partij heeft aan deze lasten voldaan en maakt inmiddels geen gebruik meer van het knalapparaat.

De bezwaren van eisers tegen de afwijzing van hun handhavingsverzoek en tegen de opgelegde last onder dwangsom zijn door het college ongegrond verklaard. Eisers zijn tegen beide besluiten in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank komt echter niet toe aan een inhoudelijk behandeling van de beroepen van eisers. Het beroep van eisers inzake de afwijzing van het handhavingsverzoek verklaart de rechtbank niet ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep van eisers inzake de last onder dwangsom verklaart de rechtbank gegrond, maar na vernietiging van het bestreden besluit voorziet de rechtbank zelf in de zaak door eisers niet ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar tegen de opgelegde last onder dwangsom. Eisers hebben de bezwaartermijn volgens de rechtbank namelijk overschreden zonder verschoonbare reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/848 en UTR 18/4936

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2019 in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiseres 2];

[eiser 3] en [eiser 4];

[eiser 5] , allen te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. S. Land)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Leeuw).

Als derde-partij heeft aan het geding met zaaknummer UTR 18/4936 deelgenomen: [derde-partij].

Procesverloop

UTR 18/848 (handhavingsverzoek)

Met het besluit van 31 juli 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers tegen gebruik van een knalapparaat door [derde-partij] aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het perceel), afgewezen.

Met het besluit van 12 januari 2018 (het bestreden besluit 1) is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.

Met het besluit van 23 januari 2018 (het dwangsombesluit) heeft verweerder vastgesteld dat hij aan eisers een dwangsom van € 80,-- verschuldigd is, omdat verweerder de beslistermijn op het bezwaar met vier dagen heeft overschreden.

Met het besluit van 7 februari 2019 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder de ondertekening van het bestreden besluit 1 gewijzigd, omdat hij vaststelde dat, dat besluit onbevoegd was genomen.

Eisers hebben hun beroep gehandhaafd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

UTR 18/4936 (last onder dwangsom)

Met het besluit van 24 augustus 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder derde-partij onder oplegging van dwangsommen gelast:

 om de ontbrekende gegevens bij de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer alsnog aan te leveren voor 6 september 2017;

 om er per direct voor te zorgen dat de door zijn bedrijf veroorzaakte geluidsbelasting niet meer bedraagt dan de waarden die zijn opgenomen in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Met het besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Zitting

De zaken zijn behandeld op de zitting van 11 juli 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] , geluidskundige. Derde-partij is niet verschenen.

Op de zitting hebben eisers in elke zaak een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

UTR 18/848 (handhavingsverzoek)

De rechtbank:

 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, inclusief het wijzigingsbesluit, niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het dwangsombesluit ongegrond;

 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

UTR 18/4936 (last onder dwangsom)

De rechtbank:

 verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit 2;

 verklaart het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit 2 niet‑ontvankelijk;

 wijst het verzoek om schadevergoeding af.

UTR 18/848 en UTR 18/4936 samen

De rechtbank:

 veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers voor hun beroepen hebben moeten maken tot een bedrag van in totaal € 1.536,;

 bepaalt dat verweerder de door eisers betaalde griffierechten van in totaal € 340,-- aan hen vergoedt.

Overwegingen

Achtergrond

1.1 Derde-partij heeft een agrarisch bedrijf op het perceel. Eisers, allen omwonenden van het perceel, ervaren vanaf december 2015 geluidsoverlast van een knalapparaat dat derde‑partij naar eigen zeggen gebruikt om vogels bij zijn veevoer weg te jagen. Op 12 juli 2017 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van het knalapparaat door derde-partij. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop UTR 18/848 (handhavingsverzoek)’ staan vermeld. Aan de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verweerder op grond van zijn handhavingsbeleid eerst een voornemen tot handhavend optreden aan derde-partij moet richten, voordat daadwerkelijk handhavend kan worden opgetreden.

1.2 Eiser heeft van het knalapparaat bij verweerder een melding gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gelijktijdig met de afwijzing van het handhavingsverzoek heeft verweerder derde-partij laten weten van plan te zijn om hem een last onder dwangsom op te leggen, omdat derde‑partij het knalapparaat volgens verweerder gebruikt in strijd met de geldende geluidsnormen en omdat de melding van derde-partij onvolledig is. Hierna heeft verweerder de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop UTR 18/4936 (last)’ staan vermeld.

1.3 Derde-partij heeft voldaan aan de opgelegde lasten, door het gebruik van het knalapparaat te beëindigen en de melding in te trekken.

UTR 18/848 (handhavingsverzoek)

2. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers dit beroep voor zover dat was ingediend namens [B] en [C] , ingetrokken.

3. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft van rechtswege ook betrekking op het wijzigingsbesluit.

4. Eisers voeren aan dat verweerder hun handhavingsverzoek ten onrechte niet heeft toegewezen. Verweerder had derde-partij direct een last onder dwangsom moeten opleggen die erop had moeten zien dat hij het knalapparaat helemaal niet meer mag gebruiken op zijn perceel.

Procesbelang

5. De rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang hebben in hun beroep tegen het bestreden besluit 1, inclusief het wijzigingsbesluit, omdat zij daarmee niet kunnen bereiken wat zij met de procedure willen bereiken. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Het is de taak van de bestuursrechter om een geschil te beslechten. Het is dan ook vaste rechtspraak dat de bestuursrechter alleen gehouden is om een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan inhoudelijk te beoordelen, als de indiener van het beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft. Als dat belang is vervallen, doet de bestuursrechter geen uitspraak alleen maar vanwege de principiële betekenis daarvan.

6.2

Mochten eisers gelijk krijgen in de zaak dan zou dat in het voor hen meest gunstige geval kunnen leiden tot het vernietigen van het bestreden besluit 1 en vervolgens tot het herroepen van de afwijzing van eisers handhavingsverzoek (het primaire besluit 1). Als dat gebeurt ligt het handhavingsverzoek van eisers weer open voor verweerder om daarop te beslissen. Verweerder zal op dat moment moeten afwegen of het nodig is om verdergaand te handhaven dan de last onder dwangsom die bij het primaire besluit 2 al aan derde-partij is opgelegd. Daarvoor is van belang of er nog sprake is van een overtreding en zo niet, of er een reële kans bestaat dat derde-partij de overtreding in de nabije toekomst zal herhalen.

6.3

De rechtbank stelt allereerst vast (en partijen zijn het daar ook over eens) dat er nu geen sprake meer is van een overtreding, omdat derde‑partij het knalapparaat niet meer gebruikt. De rechtbank oordeelt verder dat er ook geen reële kans is dat derde-partij de overtreding in de nabije toekomst zal herhalen. Derde-partij heeft inmiddels gaas aangebracht bij de stal, waarmee het veevoer kan worden afgeschermd voor vogels. Het knalapparaat is daarom niet meer nodig voor het door derde-partij opgegeven doel. Dat er een reële kans bestaat dat derde-partij het knalapparaat weer zal gaan gebruiken, omdat derde-partij dat doet enkel om de buurt tot overlast te zijn, zoals de gemachtigde van eisers op de zitting heeft aangevoerd, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten en de gemachtigde van eisers heeft dit ook niet onderbouwd.

6.4

Ook in het schadeverzoek dat de gemachtigde van eisers op de zitting heeft ingediend, is het procesbelang van eisers niet gelegen. Dit verzoek ziet op de betaalde griffierechten, gemaakte proceskosten, het uitblijven van de uitbetaling van een maximale dwangsom aan eisers en tot slot op omzetbelasting die eisers over alle drie deze bedragen zouden moeten afdragen. Over het verzoek om vergoeding van de door eisers betaalde griffierechten en gemaakte proceskosten en over het dwangsombesluit waartegen het beroep mede is gericht, krijgen eisers een beslissing van de rechtbank die losstaat van de vraag of zij een belang hebben in de zaak. Ook kan het procesbelang van eisers niet liggen in schade door afgedragen omzetbelasting over de bedragen; er wordt immers geen omzetbelasting geheven op griffierechten, proceskosten en dwangsommen.

6.5

Gelet op al het voorgaande kunnen eisers met hun beroep tegen het bestreden besluit 1, inclusief het wijzigingsbesluit, en voor het overige tegen het dwangsombesluit, niet de verdergaande handhaving bereiken die zij willen. Eisers hebben geen actueel en reëel belang bij een inhoudelijke behandeling van hun beroep. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, inclusief het wijzigingsbesluit, daarom niet‑ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

Dwangsom

7. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft van rechtswege ook betrekking op het dwangsombesluit, omdat eisers het dwangsombesluit betwisten.

8. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit 1 geen echt besluit op hun bezwaar is, omdat het onbevoegd is genomen. Hierdoor is volgens eisers de termijn waarbinnen niet-tijdig door verweerder op hun bezwaar is beslist doorgelopen, waardoor verweerder hen niet slechts vier dagen maar een maximale dwangsom is verschuldigd.

9. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Dat het bestreden besluit 1 onbevoegd is genomen, maakt dit besluit niet nietig. Dit betekent dat de dwangsomtermijn niet doorliep vanaf de datum van het besluit – ook niet nu het besluit onbevoegd was genomen. Verweerder heeft eisers daarom terecht een dwangsom toegekend voor overschrijding van de bezwaartermijn met vier dagen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het dwangsombesluit ongegrond.

Schadeverzoek

10. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding. Gelet op de afwijzing van eisers beroep is er geen sprake van onrechtmatige besluitvorming van verweerder. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

UTR 18/4936 (last onder dwangsom)

11. Eisers voeren aan dat verweerder de overtreding onjuist heeft gekwalificeerd en aan derde‑partij een verdergaande last had moeten opleggen.

Termijnoverschrijding

12.1

De rechtbank oordeelt dat verweerder eisers niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun bezwaar tegen de last, wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder dat eisers daarvoor een verschoonbare reden hebben. De rechtbank overweegt als volgt.

12.2

Zoals hiervoor onder ‘Procesverloop’ is vermeld, heeft verweerder het handhavingsverzoek van eisers bij het primaire besluit 1 al afgewezen. De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom die bij het primaire besluit 2 vervolgens aan derde-partij is opgelegd geacht wordt ambtshalve te zijn genomen. De Algemene wet bestuursrecht vereist niet dat ambtshalve besluiten aan andere belanghebbenden (in deze zaak: eisers) dan degene aan wie het besluit is gericht worden bekendgemaakt. Dat betekent dat de last onder dwangsom op 24 augustus 2017 door verzending daarvan aan derde-partij, op de juiste manier is bekendgemaakt. Tegen de last kon daarom vanaf dat moment gedurende zes weken, dus tot 6 oktober 2017, bezwaar worden gemaakt. Het bezwaarschrift van eisers van 22 januari 2018, door verweerder ontvangen op 23 januari 2018, is daarom te laat ingediend.

12.3

Eisers kunnen ondanks deze termijnoverschrijding alsnog ontvankelijk zijn in hun bezwaar, als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest. Dat kan zo zijn als aannemelijk is dat zij niet eerder van de last onder dwangsom hadden kunnen weten. De rechtbank vindt dat echter niet aannemelijk. In de eerste plaats ziet de rechtbank dat verweerder eisers al bij de afwijzing van hun handhavingsverzoek heeft geïnformeerd over zijn voornemen om derde-partij een last onder dwangsom op te leggen. Eisers hadden dus kunnen verwachten dat er op enig moment na het primaire besluit 1 een nader besluit zou volgen over de daadwerkelijke handhaving. Uit het verslag van de hoorzitting van 14 november 2018 (betreffende het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun handhavingsverzoek) blijkt verder dat de gegeven last onder dwangsom op die hoorzitting door de voorzitter van de bezwaarcommissie aan de orde is gesteld. In het verslag staat dat de gemachtigde van eisers daarop heeft gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank had de gemachtigde van eisers in ieder geval vanaf de hoorzitting van 14 november 2018, kunnen weten dat de last onder dwangsom was opgelegd. Uit rechtspraak volgt dat een belanghebbende die – zoals in dit geval niet de aanvrager is van een besluit dat niet in een huis-aan-huisblad is gepubliceerd, zo spoedig mogelijk zijn bezwaren kenbaar moet maken nadat hij van het besluit op de hoogte is geraakt of had kunnen raken. Onder ‘zo spoedig mogelijk’ wordt in beginsel een termijn van twee weken verstaan en de rechtbank ziet geen reden om daar in dit geval vanaf te wijken. Om zich op verschoonbare termijnoverschrijding te kunnen beroepen hadden eisers hun bezwaar dus binnen twee weken na de hoorzitting van 14 november 2018 moeten indienen. Het bezwaarschrift van eisers is echter buiten die termijn ingediend.

12.4

De rechtbank concludeert dat de termijnoverschrijding van eisers in bezwaar niet verschoonbaar is. Dat betekent dat verweerder eisers in het bestreden besluit 2 niet‑ontvankelijk had moeten verklaren in hun bezwaar. Dit heeft verweerder niet gedaan. De rechtbank verklaart het beroep van eisers daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit 2. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door eisers alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar tegen het primaire besluit 2. Dit betekent dat het beroep van eisers weliswaar gegrond is, maar dat zij geen gelijk krijgen in de zaak. De last onder dwangsom blijft in stand.

Schadeverzoek

13. Ook in deze zaak hebben eisers verzocht om schadevergoeding. Hoewel het bestreden besluit 2 onrechtmatig was, is niet gebleken van schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank verwijst naar wat zij in overweging 6.4 heeft overwogen over de aangevoerde schadeposten. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

UTR 18/848 en UTR 18/4936 samen

Proceskosten

14.1

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in beide zaken te veroordelen in de proceskosten die eisers voor hun beroepen hebben moeten maken. In de beroepsprocedure over het handhavingsverzoek met zaaknummer UTR 18/848 hebben eisers mede doordat verweerder het bestreden besluit 1 onbevoegd heeft genomen, beroep moeten instellen. In de beroepsprocedure over de last onder dwangsom met zaaknummer UTR 18/4936, leidt de gegrondverklaring van het beroep tot een veroordeling van verweerder in eisers’ proceskosten.

14.2

De kosten van eisers voor de rechtsbijstand van hun gemachtigde stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.536,-- (2 punten voor het indienen van de beroepsschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 512,-- en een wegingsfactor 1). Voor de behandeling op de zitting merkt de rechtbank de zaken aan als samenhangend.

15. De rechtbank ziet in het voorgaande ook aanleiding om te bepalen dat verweerder de door eisers betaalde griffierechten van in totaal € 340,-- (tweemaal € 170,--) aan hen vergoedt.

16. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te komen op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman‑Gielen en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.

de griffier de voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State. Het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.