Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3288

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
16/182788-18 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een schaar een stekende beweging gemaakt in de richting van de nek van het slachtoffer.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en neemt daarbij in aanmerking dat verdachte met forse alcoholproblematiek kampt en ook op de dag van het bewezenverklaarde feit onder invloed was van alcohol. Twee vriendinnen van verdachte, waaronder het slachtoffer, hadden de wens om verdachte bij het afkicken van haar alcoholverslaving te helpen en haar uit dit diepe ravijn te halen. Deze goedbedoelde interventie is uiteindelijk geëscaleerd in onder meer het bewezenverklaarde feit. Gelet op de kwalificatie levert dit een ernstig strafbaar feit op. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank echter rekening met de trieste context van de zaak.

Gelet op de (persoonljike)omstandigheden en om te voorkomen dat een dergelijk incident zich in de toekomst zal herhalen hecht de rechtbank in deze zaak in het bijzonder waarde aan het strafdoel van de speciale preventie. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte, in het kader van de aanpak van haar verslavingsproblematiek, niet gebaat bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan zal de rechtbank, als stok achter de deur, een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daarbij bijzondere voorwaarden, waaronder een verplichte klinische opname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/182788-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 december 2018 en 5 juli 2019. Het onderzoek ter terechtzitting is op 14 december 2018 gesloten, waarna de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting bij vonnis van 28 december 2018 heeft hervat.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G. Hoppenbrouwers en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw mr. H. de Kroon, advocaat te Hilversum, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 14 september 2018 in Nederhorst den Berg met een schaar één of meerdere stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van de nek/hals en/of de borst van [slachtoffer] en daarbij tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: 'ik ga je vermoorden',

primair ten laste gelegd als poging tot doodslag, subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair ten laste gelegd als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitnota vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt, nu de verklaringen van de getuigen op cruciale punten uiteen lopen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van een incident dat plaatsvond op 14 september 2018 in [woonplaats] in de gemeente Wijdemeren.2 Zij heeft onder meer het volgende verklaard:

Terwijl ik in de koffers keek, stond [voornaam van verdachte] naast mij, zowat schouder aan

schouder. Ik hoorde haar toen zeggen: ”Ik ga je vermoorden." Ik keek vervolgens weer naar de koffers. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat [voornaam van verdachte] heel snel de schaar van het bed pakte en terug kwam in mijn richting. Ik zag dat zij de schaar na het pakken naar boven bewoog en deze voor haar op borsthoogte vast bleef houden. Zij heeft mij genaderd tot op een kortere afstand dan 30 cm. Ik keek in haar richting en zag dat [voornaam van getuige] [voornaam van verdachte] om de nek sprong en de schaar uit de handen van [voornaam van verdachte] sloeg.3

[getuige] is ter terechtzitting van 5 juli 2019 als getuige gehoord en heeft onder meer het volgende verklaard:

[slachtoffer] en [verdachte] waren in de slaapkamer. Ik was in een andere kamer aan het bellen. Terwijl ik aan het bellen was hoorde ik uit de slaapkamer een hoop heibel. Ik liep naar de slaapkamer en ik zag dat [voornaam van verdachte] een schaar in haar hand had. Zij maakte een stekende beweging, van boven naar beneden, in de richting van de nek van [slachtoffer] . [slachtoffer] stond gebogen over een koffer en [voornaam van verdachte] stond aan de zijkant van [slachtoffer] . De afstand tussen [verdachte] en [slachtoffer] was vrij kort. [slachtoffer] was binnen bereik van [verdachte] . Terwijl [voornaam van verdachte] de schaar in haar hand had riep zij: “Ik ga je vermoorden.“ Ik sprong over het bed, pakte [voornaam van verdachte] vast en trok haar naar de grond. Ik weet zeker dat [voornaam van verdachte] gezegd heeft: “Ik ga je vermoorden” en dus niet: “Ik kan je wel vermoorden”.4

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige] voldoende consistent en betrouwbaar. De getuigen hebben in grote lijnen hetzelfde verklaard. Zij verklaren namelijk allebei dat [slachtoffer] gebogen over een koffer stond, dat verdachte aan de zijkant van [slachtoffer] stond, dat de afstand tussen verdachte en [slachtoffer] kort was, dat verdachte met de schaar een stekende beweging maakte richting [slachtoffer] en dat zij daarbij riep: “Ik ga je vermoorden”. De omstandigheid dat getuige [getuige] heeft verklaard dat het volgens haar onmogelijk is dat [slachtoffer] de schaar in de hand van verdachte heeft gezien, maakt niet dat [slachtoffer] de schaar ook daadwerkelijk niet heeft kunnen zien. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat [slachtoffer] dit vanuit haar ooghoeken heeft kunnen zien. De suggestie van de raadsvrouw dat de getuigen het incident aangedikt hebben vindt geen steun in het dossier. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, namelijk het maken van een stekende beweging met een schaar in de richting van [slachtoffer] terwijl zij daarbij heeft geroepen: “Ik ga je vermoorden!”, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als te zijn gericht op de dood van [slachtoffer] . Dat het niet zover gekomen is en [slachtoffer] niet daadwerkelijk is gedood, is niet aan verdachte te danken, maar is het gevolg van het ingrijpen van [getuige] . De rechtbank acht aldus de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair

op 14 september 2018 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een schaar een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van de nek van die [slachtoffer] en daarbij tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: 'ik ga je vermoorden', terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Poging tot doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 10 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde die ziet op ‘Opname in een zorginstelling’;

- een taakstraf van 160 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en daarnaast geen afzonderlijk strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft met een schaar een stekende beweging gemaakt in de richting van de nek van het slachtoffer. Dit is een ernstig feit dat voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest moet zijn.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en neemt daarbij in aanmerking dat verdachte met forse alcoholproblematiek kampt en ook op de dag van het bewezenverklaarde feit onder invloed was van alcohol. Twee vriendinnen van verdachte, waaronder het slachtoffer, hadden de wens om verdachte bij het afkicken van haar alcoholverslaving te helpen en haar uit dit diepe ravijn te halen. Deze goedbedoelde interventie is uiteindelijk geëscaleerd in onder meer het bewezenverklaarde feit. Gelet op de kwalificatie levert dit een ernstig strafbaar feit op. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank echter rekening met de trieste context van de zaak.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een reclasseringsadvies ‘Advies aan opdrachtgever toezicht’ van 1 april 2019, uitgebracht door [A] ;

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 27 mei 2019;

- een reclasseringsadvies van 10 december 2018, uitgebracht door [A] ;

- een psychologisch rapport van 5 december 2018, uitgebracht door H.E.W. Koornstra, psycholoog;

- een psychiatrisch rapport van 21 november 2018, uitgebracht door [B] (psychiater i.o.) o.s.v. A.C. van Dijk (psychiater).

Uit het reclasseringsadvies van 10 december 2018 volgt onder meer het volgende. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Gezien de voorgeschiedenis van verdachte, met herhaaldelijk terugvallen in alcoholgebruik ondanks ambulante en klinische behandeling, en een persoonlijkheidsstoornis waardoor verdachte impulsief reageert met alcoholgebruik als coping bij emotieregulatie problemen, is de zorgprognose volgens de reclassering ongunstig. De reclassering is desondanks van mening dat langdurende abstinentie van alcohol mogelijk kan zijn door middel van intensievere begeleiding en het gebruik van aversiemiddelen. Daarbij dient verdachte volgens de reclassering op sociaal maatschappelijk gebied ingebed te worden in passende en structurele dagbesteding. De reclassering adviseert de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en urine controles.

Ten tijde van het reclasseringsrapport van 10 december 2018 en de behandeling ter terechtzitting van 28 december 2018 was verdachte nog niet gemotiveerd voor een langdurige klinische behandeling. Ter terechtzitting van 5 juli 2019 is gebleken dat verdachte nu ook het nut inziet van een klinische behandeling en dat zij haar gedachten hieromtrent aldus heeft veranderd. Op 27 maart 2019 is verdachte onder invloed, slapend op een bankje, aangetroffen door de politie. Als gevolg daarvan heeft de officier van justitie de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte gevorderd. De raadkamer van de rechtbank heeft die vordering op 2 april 2019 afgewezen, maar – op advies van de reclassering – als schorsingsvoorwaarde opgenomen dat verdachte dient mee te werken aan een IFZ-indicatiestelling en klinische opname op basis van die indicatiestelling. De verdachte heeft ter terechtzitting van 5 juli 2019 aangegeven dat zij vermoedelijk de week na de behandeling ter terechtzitting (de rechtbank begrijpt: in de week van 8 juli 2019) zal worden opgenomen in een kliniek in [plaatsnaam] , om daar gedurende vermoedelijk 6 tot 8 weken behandeld te worden voor haar verslavingsproblematiek. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met deze ontwikkeling.

De straf

Gelet op de voorgaande omstandigheden en om te voorkomen dat een dergelijk incident zich in de toekomst zal herhalen hecht de rechtbank in de zaak van de verdachte in het bijzonder waarde aan het strafdoel van de speciale preventie. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte, in het kader van de aanpak van haar verslavingsproblematiek, niet gebaat bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan zal de rechtbank, als stok achter de deur, een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daarbij bijzondere voorwaarden, waaronder een verplichte klinische opname. De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de vordering in de ogen van de rechtbank gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden te fors is.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich zal melden bij Reclassering [..] , zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht, en zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft;

* zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling voor de duur van maximaal een jaar zal laten opnemen in een kliniek voor (forensische) verslavingszorg of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, teneinde zich te laten behandelen voor haar alcoholproblematiek en emotioneel welzijn, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven;

* als de reclassering dit gewenst vindt zal meewerken aan een indicatiestelling, ook wanneer dit betekent dat zij (opnieuw) zal worden opgenomen in een kliniek;

* zich (na de voornoemde klinische behandeling) onder behandeling zal stellen van (forensische) verslavingszorg [naam instelling] of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, teneinde zich te laten behandelen voor haar alcoholproblematiek en emotioneel welzijn, waarbij verdachte, als de reclassering dit noodzakelijk acht, wordt verplicht mee te werken aan een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, en waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* zal meewerken aan urinecontroles, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,

mrs. R. Veldhuisen en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr.

G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van

19 juli 2019.

Mr. R. Veldhuisen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

primair

zij op of omstreeks 14 september 2018 te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, één of meerdere stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van de nek/hals en/of de borst van die [slachtoffer] en daarbij tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: 'ik ga je vermoorden',

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

zij op of omstreeks 14 september 2018 te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp één of meerdere stekende

beweging(en) heeft gemaakt in de richting van de nek/hals en/of borst van die [slachtoffer] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

zij op of omstreeks 14 september 2018 te Nederhorst den Berg, gemeente Wijdemeren [slachtoffer]

heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp één of meerdere stekende

beweging(en) te maken in de richting van de nek/hals en/of borst van die [slachtoffer] en/of

(daarbij) tegen die [slachtoffer] te zeggen: 'ik ga je vermoorden'.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 september 2018, genummerd 2018266041, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 37. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 23.

3 Pagina 24.

4 De verklaring van de getuige [getuige] ter terechtzitting van 5 juli 2019.