Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3257

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
C/16/445595 / HA ZA 17-715
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Afwikkeling maatschapsrelatie tussen advocaten. Onrechtmatige onttrekkingen door uitgetreden maat..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/445595 / HA ZA 17-715

Vonnis van 7 augustus 2019

in de zaak van

1. de maatschap

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. N.C. Beun te Deventer,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.L.K. Blokland te Vinkeveen.

Eisers in conventie, verweerders in reconventie, zullen hierna gezamenlijk [eiseres sub 1] c.s. en ieder afzonderlijk [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] genoemd worden. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie, worden gezamenlijk [gedaagde sub 1] c.s. en ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 februari 2018,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 mei 2018,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Partijen

2.1.

[eiseres sub 1] is een advocatenkantoor. [eiseres sub 2] (de praktijkvennootschap van [A] ) en [eiser sub 3] zijn maten van [eiseres sub 1] .

2.2.

[gedaagde sub 1] is sinds 1997 als advocaat in dienst geweest bij (de rechtsvoorgangster van) [eiseres sub 1] en is in 2001 door middel van zijn praktijkvennootschap [gedaagde sub 2] toegetreden tot de maatschap, die destijds bestond uit zes maten.

2.3.

Per 1 januari 2015 werd de maatschap gesplitst en bestond deze uit: [gedaagde sub 1] (via [gedaagde sub 2] ), [A] (via [eiseres sub 2] ) en [eiser sub 3] .

2.4.

[gedaagde sub 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 4] (voorheen [bedrijfsnaam 1] B.V.). [gedaagde sub 4] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 3] en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] is bestuurder van [gedaagde sub 2] .

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vordert - verkort weergeven - (na meerdere wijzigingen van eis) om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair te verklaren voor recht dat de maatschapsovereenkomst d.d. 17 december 2014 met ingang van 16 december 2016, althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum, voor zover dat de rechten en verplichtingen van en de contractuele verhouding met [gedaagde sub 2] betreft, is ontbonden c.q. geëindigd, subsidiair de maatschapsovereenkomst (partieel) te ontbinden ten aanzien van [gedaagde sub 2] ;

II. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] heeft gehandeld c.q. toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de maatschapsovereenkomst c.q. ongerechtvaardigd is verrijkt;

III. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 3] onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] heeft gehandeld c.q. ongerechtvaardigd is verrijkt;

IV. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 4] onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] heeft gehandeld c.q. ongerechtvaardigd is verrijkt;

V. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] heeft gehandeld, door zelf (persoonlijk) onrechtmatig te handelen jegens [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] ;

VI. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] heeft gehandeld doordat [gedaagde sub 1] naast [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] en/of [gedaagde sub 3] (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de schade zoals [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] heeft geleden c.q. zal lijden door de wanprestatie, onrechtmatigde daad c.q. ongerechtvaardigde verrijking van voormelde vennootschappen (vorderingen II, III, en IV);

VII. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk, (subsidiair) [gedaagde sub 2] te veroordelen tot de betaling van het bedrag van € 130.000,-- (schadepost III) aan [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] , althans tot de betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;

VIII. ingetrokken;

IX. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk, subsidiair [gedaagde sub 3] te veroordelen tot de betaling van het bedrag van € 8.730,-- (nieuwe schadepost VI) aan [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] , althans tot de betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente;

X. ingetrokken;

XI. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk, subsidiair [gedaagde sub 4] , te veroordelen tot de betaling van het bedrag van € 340.850,-- (schadepost I), alsmede tot het bedrag van € 23.400,-- (schadepost II) en het bedrag van € 93.412,-- (deel schadepost III), het bedrag van

€ 27.716,25 (schadepost VI) en het bedrag van € 7.260,-- (schadepost VII) aan [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] , althans tot de betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente;

XII. ingetrokken;

XIII. ingetrokken;

XIV. [gedaagde sub 1] te veroordelen tot de betaling van het bedrag van € 161.234,78 wegens omzetderving (schadepost V) niet zijnde reputatie- en imagoschade (zoals bedoeld onder vordering XII) alsmede tot het bedrag van € 4.000,-- (deel schadepost VI) aan [eiseres sub 1] c.s., althans [eiseres sub 1] , althans tot de betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente;

XV. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris begroot op een bedrag van € 131,-- zonder betekening en € 205,-- met betekening van het te dezen te wijzen vonnis, alsmede in de kosten van alle conservatoire beslagleggingen inclusief bewaring, het totale bedrag aan proceskosten vermeerderd met de in artikel 119 van Boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan.

3.2.

[eiseres sub 1] c.s. verwijt, kort gezegd:

  • -

    [gedaagde sub 1] en zijn vennootschappen dat zij zich in de periode van 2008 tot en met 2016 gelden hebben toegeëigend die aan [eiseres sub 1] toekomen, door klanten van [eiseres sub 1] buiten haar om te bedienen en/of declaraties van [eiseres sub 1] buiten haar om te innen.

  • -

    [gedaagde sub 1] dat hij in 2009 als curator betrokken is geweest bij faillissementsfraude.

[eiseres sub 1] c.s. wil de schade die zij als gevolg daarvan heeft geleden op [gedaagde sub 1] c.s. verhalen. De gestelde schadeposten (nrs. I t/m VII) zullen hieronder worden besproken.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

De maatschap is ontvankelijk in haar vorderingen

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres sub 1] ontvankelijk is in haar vorderingen. Op grond van het voortzettingsbeding (artikel 11 van de maatschapsovereenkomst) hebben de overgebleven maten [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] de maatschap voortgezet. Deze maatschap (de gezamenlijke maten als zodanig) kan haar eigen rechten jegens [gedaagde sub 1] c.s. (waaronder haar voormalige maat [gedaagde sub 2] ) in rechte geldend maken. Het beroep van [gedaagde sub 1] c.s. op HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043 (Cento) gaat niet op. Dat arrest betrof de situatie dat een ontbonden vennootschap onder firma jegens een uitgetreden vennoot een vordering instelde. Die situatie doet zich hier niet voor.

De maatschapsovereenkomst is ten aanzien van [gedaagde sub 2] per 16 december 2016 geëindigd

4.2.

Het kennelijke doel van vordering I is om vast te stellen op welke datum de maatschapsovereenkomst ten aanzien van [gedaagde sub 2] is komen te eindigen. Daarvoor is niet relevant of het gaat om een ontbinding dan wel beëindiging van de overeenkomst. Partijen zijn het erover eens dat de maatschapsovereenkomst met ingang van 16 december 2016 is geëindigd. In zoverre zal de gevorderde verklaring voor recht van vordering I worden toegewezen.

4.3.

Hieronder zal de rechtbank per schadepost ingaan op de eventuele aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. Ter inleiding daarop overweegt de rechtbank eerst nog het volgende.

De juridische grondslagen van de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s.

4.4.

Als komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] en zijn vennootschappen zich gelden hebben toegeëigend die aan [eiseres sub 1] toekomen, dan is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] en zijn vennootschappen aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade. In dat geval is (onbetwist) sprake van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde sub 2] en/of een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1] en/of zijn overige vennootschappen.

4.5.

Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap, naast aansprakelijkheid van die vennootschap. Voor het aannemen van zulke aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als komt vast te staan dat de vennootschappen van [gedaagde sub 1] zich gelden hebben toegeëigend die aan [eiseres sub 1] toekomen, dan is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] als (indirect) bestuurder van deze vennootschappen ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en [gedaagde sub 1] daarom – naast deze vennootschappen – hoofdelijk aansprakelijk is. Ook deze grond van aansprakelijkheid wordt als zodanig niet betwist door [gedaagde sub 1] c.s.

4.6.

Als komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] als curator betrokken is geweest bij faillissementsfraude en [eiseres sub 1] als gevolg daarvan schade heeft geleden, dan is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. In dat geval is (onbetwist) sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1] jegens [eiseres sub 1] .

De partij die de beweerdelijke schade lijdt

4.7.

De rechtbank begrijpt de stellingname van [eiseres sub 1] c.s. op die manier dat de maatschap de schade heeft geleden (zoals die in het petitum concreet, dat wil zeggen met een specifiek bedrag, ten aanzien van diverse schadeposten is omschreven). Voor zover hierna door de rechtbank wordt geoordeeld dat [gedaagde sub 1] c.s. aansprakelijk is, dan zal een eventuele veroordeling tot schadevergoeding ten gunste van de maatschap ( [eiseres sub 1] ) worden uitgesproken (en dus niet [eiseres sub 1] c.s., zoals primair is gevorderd). De schade die de maten [eiser sub 3] en [eiseres sub 2] beweerdelijk lijden is namelijk (ook) afhankelijk van de contractuele winstverdelingsbepalingen en is niet gelijk aan de door [eiseres sub 1] c.s. gevorderde bedragen.

Schadepost I - betalingsverkeer buiten [eiseres sub 1] c.s. om inzake klant A: € 340.850,--

4.8.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat over de jaren 2014, 2015 en 2016 door klant A een totaalbedrag van € 378.125,-- inclusief BTW aan [gedaagde sub 4] is voldaan in verband met door [eiseres sub 1] en/of [gedaagde sub 1] c.s. verrichte juridische (advies)werkzaamheden, terwijl dit bedrag aan [eiseres sub 1] had moeten worden betaald. Over een deel van dit bedrag (€ 214.775,--) moet [gedaagde sub 1] c.s. zelf BTW afdragen. De totale schade die [eiseres sub 1] heeft geleden bedraagt € 340.850,--. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zijn [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.

4.9.

[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] voeren ten aanzien van schadepost I geen verweer.

4.10.

De rechtbank zal vordering XI ten aanzien van schadepost I toewijzen en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordelen € 340.850,-- te betalen aan [eiseres sub 1] .

Schadepost II - betalingsverkeer buiten [eiseres sub 1] c.s. om met betrekking tot opgestelde verzoekschriften: € 23.400,--

4.11.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde sub 1] en zijn vennootschap [gedaagde sub 4] in 2015 en 2016 de vergoeding voor het opstellen van verzoekschriften (€ 100,-- exclusief BTW) bij partij C hebben gefactureerd en geïnd, terwijl deze vergoeding aan [eiseres sub 1] toekomt. Volgens [eiseres sub 1] c.s. heeft [eiseres sub 1] in deze periode voor 235 verzoekschriften aan griffierecht voorgeschoten. Opmerkelijk daarbij is dat de verschottennota’s in verband met deze griffierechten door [gedaagde sub 1] (telkens) werden doorgezonden naar zijn privé-emailadres. Met betrekking tot 10 verzoekschriften staat vast dat [gedaagde sub 4] die rechtstreeks bij partij C heeft gefactureerd. [eiseres sub 1] c.s. is ervan overtuigd dat [gedaagde sub 4] ook de andere 225 verzoekschriften heeft gefactureerd. Uit bankafschriften blijkt dat aan [gedaagde sub 4] door partij C in totaal een bedrag van € 28.314,-- is voldaan. Ervan uitgaande dat [gedaagde sub 1] c.s. de BTW heeft afgedragen ( [eiseres sub 1] heeft niet gefactureerd), is [eiseres sub 1] hierdoor in totaal een bedrag van € 23.400,-- (exclusief BTW) aan inkomsten misgelopen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn voor deze schade hoofdelijk aansprakelijk.

4.12.

[gedaagde sub 1] c.s. erkent dat [gedaagde sub 4] buiten [eiseres sub 1] c.s. om van partij C in totaal een bedrag van € 28.314,-- heeft ontvangen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is de door [eiseres sub 1] c.s. geschetste gang van zaken afgesproken tussen partijen. [gedaagde sub 1] c.s. verwijst ter onderbouwing naar de schriftelijke verklaring van mevrouw [B] van partij C. Daaruit volgt volgens [gedaagde sub 1] c.s. dat [A] en [eiser sub 3] hiervan volledig op de hoogte waren.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde sub 1] c.s. onvoldoende onderbouwd dat de (andere maten van de) maatschap en [gedaagde sub 1] hebben afgesproken dat [gedaagde sub 1] - buiten de maatschap om - zijn werkzaamheden voor partij C voor zichzelf mocht declareren (via [gedaagde sub 4] ). Uit de verklaring van mevrouw [B] noch uit andere stukken volgt dat de maatschap (de andere maten [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] ) daarmee heeft ingestemd. De verklaring heeft enkel betrekking op [A] . Uit de verklaring volgt niet dat [eiser sub 3] (en/of de maatschap) daarmee heeft ingestemd.

4.14.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaring ook niet volgt dat mevrouw [B] uit eigen wetenschap bekend is met (de inhoud van) een afspraak tussen [gedaagde sub 1] en [A] . De omstandigheid dat [A] ervan op de hoogte was dat [gedaagde sub 1] voor partij C optrad in het kader van de exequatur-verzoekschriften is op zichzelf onvoldoende reden om daaruit af te leiden dat hij er ook mee bekend was en ermee instemde dat [gedaagde sub 1] rechtstreeks aan partij C factureerde. Dit geldt ook voor de stelling dat de facturen voor de advocatenfee openlijk vanuit [gedaagde sub 4] aan partij C werden verstuurd, zoals mevrouw [B] heeft verklaard.

4.15.

De rechtbank zal vordering XI ten aanzien van schadepost II toewijzen en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordelen € 23.400,-- te betalen aan [eiseres sub 1] .

(Deel)schadepost III: betalingsverkeer buiten [eiseres sub 1] om inzake klant B ( [.] ): € 93.412,--

4.16.

Deze (deel)schadepost bestaat uit twee bedragen: € 48.400,-- en € 45.012,--.

Het bedrag van € 48.400,--

4.17.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde sub 4] in 2014 een vergoeding voor juridische advieswerkzaamheden van € 48.400,-- (inclusief BTW) heeft gefactureerd en geïnd bij klant B, terwijl deze vergoeding aan [eiseres sub 1] toekomt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn voor deze schade hoofdelijk aansprakelijk.

4.18.

[gedaagde sub 1] c.s. erkent dat [gedaagde sub 4] een bedrag van € 48.400,-- in rekening heeft gebracht bij klant B. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. gaat het om een eindafrekening van eerdere overeenkomsten (“verliescompensatie eerdere beleggingen”). Deze eindafrekening zou voortkomen uit een verhouding die niets met [eiseres sub 1] te maken heeft. Het zou feitelijk een verrekening van zakelijke belangen zijn.

4.19.

Dit verweer wordt verworpen. Uit de door [eiseres sub 1] c.s. overgelegde e-mail van [gedaagde sub 1] aan klant B van 26 mei 2014 (prod. 32) volgt dat de betreffende factuur niet ziet op verliescompensatie van eerdere beleggingen maar op diverse advieswerkzaamheden die [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 4] ) voor klant B heeft verricht: “Even los van de bijdrage inzake […] hadden wij -belangrijker nog- de afspraak dat ik via mijn Holding maandelijks voor een bedrag van EURO 4.000,- excl. BTW (in relatie tot de Denen) diverse advies werkzaamheden zou verrichten voor [...]. Die afspraak is gemaakt in januari 2013 en zou lopen tot eind 2014. De ontwikkelingen hebben echter een voortijdig afbreken van de gesprekken veroorzaakt en een heroriëntatie teweeg gebracht. Omdat de kosten aanzienlijk opliepen en ik niet werd betaald hebben we een fixed fee van Euro 40.000,-- (excl. BTW) afgesproken. Die factuur ontvang je bijgaand. Ik zal het verschuldigde verrekenen met hetgeen ik reeds aan depotgeld onder mij heb.”

4.20.

De stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat de factuur betrekking heeft op een verhouding die niets met [eiseres sub 1] te maken heeft, heeft hij ook niet met concrete feiten en/of stukken onderbouwd. Mede in het licht van de stellingen van [eiseres sub 1] c.s., het feit dat het hier gaat om een klant van [eiseres sub 1] en de door [eiseres sub 1] overgelegde e-mail van 26 mei 2014, had het wel op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dat nagelaten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het hier gaat om een vergoeding voor juridische advieswerkzaamheden die aan [eiseres sub 1] toekomt.

Het bedrag van € 45.012,--

4.21.

[eiseres sub 1] c.s. stelt verder dat sprake is van een betalingsachterstand van klant B van in totaal € 74.923,-- inclusief BTW met betrekking tot de periode januari 2014 tot en met mei 2014. [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 4] ) heeft volgens [eiseres sub 1] c.s. met deze klant afgesproken dat hij in elk geval een bedrag van € 45.012,-- aan [eiseres sub 1] zou overmaken ter inlossing van deze betalingsachterstand. [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 4] ) heeft dat niet gedaan ondanks dat hij (zoals blijkt uit correspondentie) “depots” van deze klant onder zich had. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst [eiseres sub 1] c.s. naar de (hiervoor reeds genoemde) e-mail van [gedaagde sub 1] (op briefpapier van [gedaagde sub 4] ) aan klant B van 26 mei 2014: “Daarnaast heb je declaraties van [eiseres sub 1] (voor in totaal Euro 74.923,27 incl. BTW) onbetaald gelaten. We hebben dit besproken en je hebt aangegeven dat ik het door […] aan [eiseres sub 1] over het jaar 2013 verschuldigde (een bedrag van Euro 45.012,00 incl. BTW) maar rechtstreeks naar [eiseres sub 1] moet overmaken. Daar zal ik aan voldoen."

4.22.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. staat in deze e-mail aan klant B alleen een belofte van [gedaagde sub 1] c.s. aan klant B om een deel van de rekening van [eiseres sub 1] te betalen. Het niet nakomen van deze belofte betekent volgens [gedaagde sub 1] c.s. niet dat [eiseres sub 1] c.s. dit bedrag “extra” kan vorderen.

4.23.

Ook het bedrag van € 45.012,-- ligt voor toewijzing gereed. Vast staat dat [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 4] ) de met klant B gemaakte afspraak niet is nagekomen (waardoor de betalingsachterstand van klant B bij [eiseres sub 1] niet met dit bedrag is ingelopen). Dit leidt er feitelijk toe dat [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 4] ) zich een bedrag van € 45.012,-- heeft toegeëigend dat aan [eiseres sub 1] toekomt. Van het vorderen van een ‘extra’ bedrag is geen sprake. [gedaagde sub 1] c.s. gaat er vanuit dat [eiseres sub 1] , naast dit bedrag, ook de volledige betalingsachterstand van klant B van [gedaagde sub 1] c.s. vordert (akte van [gedaagde sub 1] c.s. van 29 mei 2018, nrs. 11 en 12). Dat uitgangspunt is onjuist. De betalingsachterstand van € 74.923,-- inclusief BTW staat weliswaar in de dagvaarding als schade vermeld, maar [eiseres sub 1] c.s. vordert alleen het bedrag van € 45.012,--, zo blijkt uit het petitum.

4.24.

De rechtbank zal vordering XI ten aanzien van (deel)schadepost III toewijzen en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordelen € 93.412,-- te betalen aan [eiseres sub 1] .

(Deel)schadepost III: betalingsverkeer buiten [eiseres sub 1] om inzake klant B ( [.] ): € 130.000,--

4.25.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 2] ) via [eiseres sub 1] - zonder dat dit met haar is afgestemd - in de periode mei 2014 tot en met februari 2016 een totaalbedrag van € 128.175,-- aan honorariumnota’s voor de juridisch adviseur van klant B heeft voldaan. Op dat moment stond voor [gedaagde sub 1] al vast dat klant B feitelijk gezien een lege en niet-betalende vennootschap was en niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen. Ten onrechte is een eerder depot van € 130.000,--, dat door klant B [.] aan [gedaagde sub 2] ter beschikking is gesteld, niet aan [eiseres sub 1] ten goede gekomen om daaruit de kosten van € 128.175,-- te voldoen. Het bedrag van € 130.000,-- had aan [eiseres sub 1] moeten toekomen en niet aan [gedaagde sub 2] .

4.26.

[gedaagde sub 1] c.s. erkent dat klant B ( [.] ) in juni 2013 een bedrag van € 130.000,-- aan [gedaagde sub 2] heeft betaald. [gedaagde sub 1] c.s. betwist niet dat [gedaagde sub 1] ( [gedaagde sub 2] ) via [eiseres sub 1] in de periode mei 2014 tot en met februari 2016 een totaalbedrag van € 128.175,-- aan honorariumnota’s voor de juridisch adviseur van klant B heeft voldaan. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. wisten [eiseres sub 1] c.s. van deze betalingen. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde sub 1] c.s. naar een brief van 21 maart 2017 van de juridisch adviseur aan de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s. die verklaart dat [A] wist dat [eiseres sub 1] zijn declaraties betaalde (prod. 4 bij conclusie van antwoord). [gedaagde sub 1] c.s. betwist dat er sprake is van een verband tussen de betaling van klant B ( [.] ) aan [gedaagde sub 2] (€ 130.000,--) en de door [eiseres sub 1] betaalde honorariumnota’s van de juridisch adviseur van klant B (€ 128.175,--).

4.27.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de betaling van
€ 130.000,-- door klant B [.] (aan [gedaagde sub 2] ) bedoeld was om aan [eiseres sub 1] ten goede te komen om daaruit de kosten van € 128.175,-- te voldoen. Vast staat dat [eiseres sub 1] in totaal een bedrag van € 128.175,-- aan de juridisch adviseur van klant B heeft betaald. Uit de e-mail van deze juridisch adviseur aan [gedaagde sub 1] (“Wat voor ruimte heb jij nog in jouw depot?”) van 27 augustus 2014 (prod. 16 van [eiseres sub 1] c.s.) volgt dat ook hij er destijds vanuit ging dat er sprake was van een depot waaruit zijn nota’s werden betaald. Daaruit kan worden afgeleid dat het bedrag van € 130.000,-- dat door klant B [.] (aan [gedaagde sub 2] ) is betaald, inderdaad bestemd was om de kosten van de juridisch adviseur te voldoen (en het bedrag dus bedoeld was om aan [eiseres sub 1] en niet aan [gedaagde sub 2] ten goede te komen). [gedaagde sub 1] c.s. heeft ook geen (andere) verklaring gegeven voor de betaling door klant B [.] (aan [gedaagde sub 2] ). Dit had wel op zijn weg gelegen. Temeer omdat ook ten aanzien van andere schadeposten is gebleken (althans hierna zal blijken) dat [gedaagde sub 1] en zijn vennootschappen zich gelden hebben toegeëigend die aan [eiseres sub 1] toekomen.

Verrekening?

4.28.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt verder dat eventuele bedragen die [gedaagde sub 2] verschuldigd is aan [eiseres sub 1] (de vorderingen in conventie) verrekend moeten worden met eventuele bedragen die [eiseres sub 1] verschuldigd is aan [gedaagde sub 2] op grond van de maatschapsovereenkomst (de vorderingen in reconventie).

4.29.

[eiseres sub 1] c.s. betwist dat [gedaagde sub 2] een vordering heeft op [eiseres sub 1] (zie nader de reconventie). Verder betwist [eiseres sub 1] c.s. dat aan de vereisten voor verrekening is voldaan. Van wederkerig schuldenaarschap is geen sprake en bovendien beantwoordt de prestatie niet aan de schuld.

4.30.

Of verrekening mogelijk is hangt (mede) af van de uitkomst in reconventie. De rechtbank zal de beslissing hierover aanhouden.

4.31.

De rechtbank zal vordering VII (schadepost III) jegens [gedaagde sub 1] toewijzen en hem veroordelen € 130.000,-- te betalen aan [eiseres sub 1] .

4.32.

De rechtbank zal de beslissing over vordering VII (schadepost III) jegens [gedaagde sub 2] aanhouden in verband met het hiervoor aangestipte verrekeningsvraagstuk.

Schadepost IV: ingetrokken

Schadepost V: omzetschade: € 161.234,78

4.33.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde sub 1] in 2009 als curator betrokken is geweest bij faillissementsfraude. [gedaagde sub 1] heeft door middel van een ongeoorloofde ABC-transactie bewust gelden onttrokken aan de boedel in een faillissement waarin hij tot curator benoemd was. De FIOD heeft [gedaagde sub 1] daarvoor in 2016 aangehouden en in verzekering gesteld. Dat deze fraude niet strafrechtelijk is bewezen neemt niet weg dat er sprake is van een onrechtmatige daad. Als gevolg van de door [gedaagde sub 1] gepleegde faillissementsfraude is [eiseres sub 1] zeven maanden lang (van 25 augustus 2016 tot 4 april 2017) niet in nieuwe faillissementen benoemd. Daardoor is [eiseres sub 1] een bedrag van 7 x € 23.033,54 (exclusief BTW) (= de gemiddelde maandomzet over de maanden april, mei en juni 2017) misgelopen. Uitgaande van gedeclareerde omzet bedraagt de totale schade € 161.234,78. [gedaagde sub 1] is aansprakelijk voor deze schade.

4.34.

[gedaagde sub 1] betwist dat hij zich als curator schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude. In dat verband betwist [gedaagde sub 1] dat hij als curator in het bedoelde faillissement medio mei 2009 een pand heeft verkocht met het oogmerk dit later met winst door te verkopen. Strafrechtelijk is [gedaagde sub 1] niet veroordeeld; er zal een regeling met het OM worden getroffen waarin [gedaagde sub 1] geen schuld erkent. [gedaagde sub 1] betwist verder de door [eiseres sub 1] c.s. gestelde schade. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is niet aannemelijk dat [eiseres sub 1] omzetverlies heeft geleden. Verder is er geen sprake van een deugdelijke schadeberekening. Ten onrechte heeft [eiseres sub 1] haar kosten niet in mindering gebracht op de beweerdelijke schade.

4.35.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op 1 december 2016 is [gedaagde sub 1] aangehouden door de FIOD op verdenking van het in 2009 in zijn hoedanigheid van curator uitvoeren van een ongeoorloofde vastgoedtransactie, door een onroerende zaak uit een faillissement door middel van een zogenaamde ABC-transactie te verkopen. In deze procedure staat (onbestreden) vast dat: (i) de onroerende zaak is verkocht voor een bedrag van € 195.000,-- aan partij B en op 30 september 2009 aan partij B is geleverd, (ii) partij B een relatie is van [gedaagde sub 1] , (iii) de onroerende zaak nog dezelfde dag is doorgeleverd aan een derde voor een bedrag van € 268.000,--, (iv) het surplus van de transacties (€ 73.000,--) niet ten goede is gekomen van de schuldeisers van de failliet en (v) het de bedoeling was dat partij B de transacties zou inbrengen in een nog op te richten vennootschap ( [....] ) als start van een samenwerking tussen [gedaagde sub 1] , partij B en derden.

4.36.

Uit de door [eiseres sub 1] c.s. overlegde e-mails tussen [gedaagde sub 1] , partij B en derden (die kennelijk allen bij de oprichting van [....] betrokken zijn) blijkt het volgende (prod. 33 t/m 35 van [eiseres sub 1] c.s.).

4.36.1.

Bij (privé-)e-mail van 16 mei 2009 met als onderwerp “ [..] : oprichting B.V.” schrijft [gedaagde sub 1] aan partij B en derden (onderstreping door de rechtbank): “(…) wil jij (of nader te noemen meester) in een eenvoudige mail (richten aan [eiseres sub 1] mailadres) bod doen op panden aan [straatnaam] ? Bod 195K kk waarbij je toezegt zelf met de curator de boedelbijdrage te regelen? Afnemen per 1 september? Geeft je tijd om dat hok kwijt te zijn voor we het überhaupt zelf afnemen. Ook mooi. Pas tekstvoorbeeld maar naar believen aan.”

4.36.2.

Partij B heeft vervolgens bij e-mail van 18 mei 2009 een bod gedaan op de onroerende zaak conform het door [gedaagde sub 1] aangeleverde tekstvoorstel.

4.36.3.

Bij e-mail van 25 augustus 2009 schrijft partij B aan [gedaagde sub 1] en derden: “(…) Ik ben net met (…) aan de [straatnaam] geweest. Hij doet een voorstel van € 260.000,- met aanvaarding zsm. Hij kan gelijk betalen. Ik wil meer zien. Ik had € 275.000,- aangegeven. Ik denk dat als we net onder de € 270.000,- doen dat ik hem zover krijg.”

4.36.4.

[gedaagde sub 1] reageert hierop bij e-mail van 25 augustus 2009: “Wat mij betreft afwikkelen. Proberen er nog wat bij te krijgen en klaar is het. Als we een dikke 70K pakken is dat gewoon lekker.”

4.36.5.

Partij B antwoordt: “Voor 270 doet hij het. 200 in de akte, 70 in de envelop.”

4.36.6.

Een derde reageert hierop bij e-mail van 26 augustus 2009: “Ik ben het er allemaal niet mee eens, een beetje makelaar en advocaat halen hier makkelijk 400k uit (in een enveloppe)!!!! Helaas blijkt dat jullie competentie zijn bovengrens heeft bereikt bij 270k (…).”

4.36.7.

De reactie daarop luidt: “het is zelfs nog erger. 268k”.

4.36.8.

[gedaagde sub 1] reageert bij email van 26 augustus 2009:“(…) wel eerlijk zijn. 268k hebben we aan de jongens doorgegeven. Het verschil hebben we toch anders geregeld? Dat was wel onze afspraak.”

4.37.

Uit deze e-mailcorrespondentie volgt dat - anders dan [gedaagde sub 1] c.s. stelt - [gedaagde sub 1] , partij B en derden reeds in mei 2009 het voornemen hadden om de onroerende zaak (uit de boedel van de failliet waarvan [gedaagde sub 1] de curator was) te kopen met het oogmerk om deze later met winst door te verkopen en daar gezamenlijk van te profiteren. Dit voornemen hebben zij ook daadwerkelijk uitgevoerd. Hierdoor heeft [gedaagde sub 1] , die gezien de correspondentie ook een actieve rol heeft gespeeld bij deze ABC-transactie, niet gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam curator. Deze handelwijze heeft er (onbetwist) toe geleid: (i) dat [gedaagde sub 1] op 1 december 2016 is aangehouden door de FIOD op verdenking van het in 2009 in zijn hoedanigheid van curator uitvoeren van een ongeoorloofde vastgoedtransactie, (ii) dat de rechtbank Gelderland en de Orde van Advocaten vervolgens een onderzoek hebben laten doen naar alle faillissementen die vanaf 2008 bij [eiseres sub 1] zijn behandeld en (iii) dat gedurende het onderzoek de curatoren van [eiseres sub 1] niet zijn benoemd in faillissementen. Aannemelijk is dat [eiseres sub 1] daardoor schade heeft geleden. [gedaagde sub 1] is aansprakelijk voor deze schade. In verhouding tot [eiseres sub 1] levert zijn handelen een onrechtmatige daad op. Dat [gedaagde sub 1] strafrechtelijk niet is veroordeeld voor faillissementsfraude (maar naar eigen zeggen een schikking heeft getroffen met het OM zonder erkenning van schuld) maakt het vorenstaande niet anders.

4.38.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft de door [eiseres sub 1] c.s. gestelde schade van € 161.234,78 gemotiveerd betwist. [eiseres sub 1] c.s. wordt in de gelegenheid gesteld om zich bij akte nader uit te laten over de door [eiseres sub 1] geleden schade. De omvang van deze schade moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de werkelijke situatie enerzijds en de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige gedraging van [gedaagde sub 1] achterwege zou zijn gebleven anderzijds. Voor de beoordeling van beide situaties is niet de gemiste omzet van belang maar de gemiste omzet minus de kosten. Het gaat in andere woorden om de door [eiseres sub 1] gederfde winst als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 1] .

Schadepost VI: betalingsverkeer buiten [eiseres sub 1] om inzake de klanten D, E en F:

€ 27.716,25 ( [gedaagde sub 4] ), € 8.730,-- ( [gedaagde sub 3] ) en € 4.000,-- ( [gedaagde sub 1] )

Het bedrag van € 27.716,25 ( [gedaagde sub 4] ) en het bedrag van € 8.730,-- ( [gedaagde sub 3] )

4.39.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat uit bankafschriften volgt:

- dat [gedaagde sub 4] diverse betalingen van in totaal € 20.916,25 (€ 4.481,15 + € 2.517,50 +

€ 13.917,--) heeft ontvangen van klant D,

  • -

    dat [gedaagde sub 4] diverse betalingen van in totaal € 6.800,-- (€ 1.700,-- + € 1.700,-- + € 3.400,--) heeft ontvangen van klant E,

  • -

    dat [gedaagde sub 3] diverse betalingen van in totaal € 8.730,-- (3 x € 1.700,-- + 3 x

€ 1.210,--) heeft ontvangen van klant E.

[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] hebben deze betalingen voor zichzelf behouden, terwijl deze aan [eiseres sub 1] toekomen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] respectievelijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.

4.40.

[gedaagde sub 1] c.s. betwist niet dat klant D en klant E de hiervoor genoemde bedragen aan [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] hebben betaald en dat zij deze bedragen voor zichzelf hebben gehouden. [gedaagde sub 1] c.s. erkent dat het gaat om klanten van [eiseres sub 1] . Deze klanten maken deel uit van het persoonlijke netwerk van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] c.s. erkent dat hij voor bepaalde werkzaamheden – behartiging van investeringen – aan klant D en klant E declaraties heeft gezonden en betaald heeft gekregen. Deze werkzaamheden hebben echter niets van doen met werk als advocaat of onder de naam [eiseres sub 1] .

4.41.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de betalingen van klant D en klant E aan [eiseres sub 1] c.s. toekomen. Uit de e-mail van [gedaagde sub 1] aan klant D van 7 februari 2014 (prod. 40 van [eiseres sub 1] ) volgt dat [gedaagde sub 1] (via zijn e-mailadres van [eiseres sub 1] ) een concept declaratie van € 4.481,15 aan klant D heeft toegezonden met bijgevoegd een declaratiespecificatie van [eiseres sub 1] . Deze specificatie vermeldt als toelichting op de gedeclareerde uren: “employement contract/shareholdersagreement”. Uit het door [eiseres sub 1] c.s. overgelegde bankafschrift (prod. 41) volgt dat klant D dit bedrag op 17 maart 2014 aan [gedaagde sub 4] heeft betaald. Daarbij heeft klant D (onbetwist) het dossiernummer van [eiseres sub 1] vermeld. Hieruit volgt dat het bedrag € 4.481,15 weldegelijk ziet op door of namens [eiseres sub 1] verrichte werkzaamheden. In het licht daarvan is de enkele stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat (ook) de (andere) betalingen van klant D en klant E betrekking hebben op werkzaamheden die niets van doen hebben met [eiseres sub 1] onvoldoende. [gedaagde sub 1] c.s. heeft deze stelling ook niet met concrete feiten en/of stukken onderbouwd. Dit had wel op zijn weg gelegen. Vooral ook omdat [gedaagde sub 1] c.s. erkent dat het hier gaat om klanten van [eiseres sub 1] .

4.42.

De rechtbank zal vordering XI ten aanzien van schadepost VI toewijzen en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordelen om € 27.716,25,-- te betalen aan [eiseres sub 1] . Verder zal de rechtbank vordering IX ten aanzien van schadepost VI toewijzen en [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordelen om € 8.730,-- te betalen aan [eiseres sub 1] .

Het bedrag van € 4.000,-- ( [gedaagde sub 1] )

4.43.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat uit bankafschriften volgt dat [gedaagde sub 1] op 27 oktober 2016 een bedrag van € 4.000,-- heeft ontvangen van klant F. [gedaagde sub 1] heeft dit bedrag voor zichzelf behouden, terwijl deze betaling aan [eiseres sub 1] toekomt. [gedaagde sub 1] is voor deze schade aansprakelijk. Ter onderbouwing heeft [eiseres sub 1] c.s. aangevoerd dat op het moment van de betaling aan [gedaagde sub 1] klant F een aanzienlijke betalingsachterstand had bij [eiseres sub 1] . Toen [eiseres sub 1] deze betalingsachterstand wilde incasseren heeft klant F aangegeven dat zij met [gedaagde sub 1] de afspraak had gemaakt dat de openstaande facturen gecrediteerd zouden worden. [eiseres sub 1] c.s. trekt uit deze gang van zaken de conclusie dat het bedrag van € 4.000,-- aan [eiseres sub 1] betaald had moeten worden. Dit mede gelet op het bestendige patroon van de wijze waarop [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 1] toebehorende gelden incasseert: facturen van [eiseres sub 1] c.s. crediteren en/of open laten staan en deze vervolgens zelf innen.

4.44.

[gedaagde sub 1] c.s. erkent dat klant F een bedrag van € 4.000,-- heeft overgemaakt aan [gedaagde sub 1] en dat declaraties van [eiseres sub 1] aan klant F zijn gecrediteerd. [gedaagde sub 1] c.s. betwist echter dat de betaling van € 4.000,-- verband houdt met deze crediteringen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. gaat het om de betaling van een door [gedaagde sub 1] aan klant F verkochte racefiets.

4.45.

Partijen hebben correspondentie overgelegd tussen [eiseres sub 1] c.s. en klant F (prod. 55 van [eiseres sub 1] c.s. en prod. 15 bij de akte van 19 september 2018 van [gedaagde sub 1] c.s.). Daaruit volgt dat ( [eiseres sub 1] c.s. ermee bekend is dat) [gedaagde sub 1] een fiets heeft verkocht aan klant F. Uit deze correspondentie noch uit andere stukken volgt dat er een verband is tussen de betaling van € 4.000,-- aan [gedaagde sub 1] en de crediteringen. [eiseres sub 1] c.s. heeft haar stelling dat het bedrag van € 4.000,-- aan haar toekomt, mede in het licht van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s., onvoldoende toegelicht. De rechtbank zal vordering XIV ten aanzien van (deel)schadepost VI daarom afwijzen.

Schadepost VII: betalingsverkeer buiten [eiseres sub 1] om inzake de juridisch adviseur van klant B: € 7.260,--

4.46.

[eiseres sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde sub 4] op 16 december 2015 een bedrag van € 7.260,-- heeft ontvangen van de juridisch adviseur van klant B. [gedaagde sub 4] heeft dit bedrag voor zichzelf behouden, terwijl dit bedrag aan [eiseres sub 1] toekomt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn voor deze schade hoofdelijk aansprakelijk. Ter onderbouwing heeft [eiseres sub 1] c.s. aangevoerd dat deze juridisch adviseur ook een klant van [eiseres sub 1] was. Ten tijde van de betaling aan [gedaagde sub 4] had de juridisch adviseur een aanzienlijke betalingsachterstand bij [eiseres sub 1] . Het bedrag had daarom aan haar betaald moeten worden: als inlossing op de betalingsachterstand, dan wel als vergoeding voor opdrachten die [eiseres sub 1] had moeten uitvoeren. Het stond [gedaagde sub 1] c.s. niet vrij om deze klant buiten [eiseres sub 1] om te bedienen en/of declaraties van [eiseres sub 1] aan deze juridisch adviseur rechtstreeks (buiten [eiseres sub 1] om) te innen.

4.47.

[gedaagde sub 1] c.s. erkent de ontvangst door [gedaagde sub 4] van het bedrag van € 7.260,-- (inclusief BTW). Dit bedrag heeft volgens [gedaagde sub 1] c.s. echter niets te maken met [eiseres sub 1] .

Ter onderbouwing verwijst [gedaagde sub 1] c.s. naar een verklaring van de juridisch adviseur van klant B. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. was het gebruikelijk om buiten de maatschap om zaken te doen.

4.48.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de betaling aan [eiseres sub 1] toekomt. Vast staat dat het hier gaat om een betaling van een klant van [eiseres sub 1] aan [gedaagde sub 4] . Het had daarom op de weg gelegen van [gedaagde sub 1] c.s. om zijn verweer dat de betaling van deze klant niets met [eiseres sub 1] c.s. te maken heeft en dat het [gedaagde sub 4] ook vrijstond om deze klant buiten [eiseres sub 1] om te bedienen, met voldoende concrete feiten en/of stukken te onderbouwen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dat nagelaten en ook niet duidelijk gemaakt wat de werkzaamheden voor de juridisch adviseur inhielden.

4.49.

De rechtbank zal vordering XI ten aanzien van schadepost VII toewijzen en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordelen € 7.260,-- te betalen aan [eiseres sub 1] .

Wettelijke rente

4.50.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de door [eiseres sub 1] c.s. gevorderde wettelijke rente vanaf 3 februari 2017 over de gevorderde schadevergoedingen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente vanaf deze datum toewijzen.

De gevorderde verklaringen voor recht

4.51.

Hierboven is de rechtbank per schadepost ingegaan op de eventuele aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [eiseres sub 1] c.s. daarnaast belang heeft bij de verklaringen voor recht die zij vordert (de vorderingen II t/m VI). Vooral ook omdat [eiseres sub 1] c.s. haar vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat heeft ingetrokken. De vorderingen II t/m VI zullen daarom worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten, de kosten van beslag en bewaring en proceskosten

4.52.

De rechtbank zal de beslissing over vordering XV aanhouden.

Tot slot

4.53.

Om te voorkomen dat de hogerberoepstermijnen ten aanzien van de verschillende vorderingen uit elkaar gaan lopen, zal de rechtbank de hiervoor vermelde beslissingen nog niet in het dictum tot uitdrukking brengen.

5 Het geschil in reconventie

5.1.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert - verkort weergeven - (na intrekking van zijn vorderingen in het incident):

 [eiseres sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 527.000,-- aan [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] ; of

 [eiseres sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag aan [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] , dit berekend door een deskundige, met inachtneming van de waarderingsmethodiek gebruikt bij de laatst bij [eiseres sub 1] toegetreden maat; of

 [eiseres sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag aan [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] wegens opzegging van de maatschap aan [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 1] , in goede justitie te berekenen door een deskundige; althans

 [eiseres sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] van een in goede justitie te bepalen bedrag wegens opzegging maatschap aan [gedaagde sub 2] of [gedaagde sub 1] ;

en

 elke eindbeslissing in reconventie gelijktijdig met de eindbeslissing in conventie te nemen en deze uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

 [eiseres sub 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure en de kosten van de beslagleggingen, althans compensatie van kosten.

5.2.

[gedaagde sub 1] c.s. legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde sub 2] , althans [gedaagde sub 1] , op grond van de maatschapsovereenkomst een bedrag van € 527.000,-- toekomt. Het gaat hier om het aandeel van [gedaagde sub 2] in de maatschap dat haar als uitgetreden maat toekomt. Dit maatschapsaandeel bestaat uit kapitaal (€ 175.000,--) en goodwill (€ 352.000,--). Ter onderbouwing verwijst [gedaagde sub 1] c.s. naar een notitie van [bedrijfsnaam 2] (prod. 7 bij eis in reconventie).

5.3.

[eiseres sub 1] c.s. voert verweer.

5.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling in reconventie

Creditsaldo van de kapitaalrekening (artikel 12 maatschapsovereenkomst)

6.1.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen gehouden op 29 mei 2018 bleek dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde sub 2] , als uitgetreden maat van [eiseres sub 1] , in beginsel recht heeft op een uitkering. Het gaat om de uitkering van het maatschapsaandeel van [gedaagde sub 2] na verrekening met de door [eiseres sub 1] geleden schade als gevolg van de door [gedaagde sub 2] gepleegde wanprestatie. De rechtbank stelt voorop dat er eerst duidelijkheid moet komen over de door [eiseres sub 1] geleden schade. Indien en voor zover het maatschapsaandeel van [gedaagde sub 2] het schadebedrag overstijgt, moet dit worden uitgekeerd.

6.2.

Deze uitkering is volgens [gedaagde sub 1] c.s. opeisbaar zodra er duidelijkheid is over de schade. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat de uitkering pas na 5 jaar opeisbaar is. [eiseres sub 1] c.s. verwijst ter onderbouwing naar artikel 12, eerste lid van de maatschapsovereenkomst. [gedaagde sub 1] c.s. betwist dat deze bepaling van toepassing is op de situatie dat een maat uittreedt wegens wanprestatie. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er na verrekening met de door [eiseres sub 1] geleden schade nog een bedrag voor [gedaagde sub 2] overblijft (en zo ja, over de hoogte van dit bedrag).

6.3.

In verband met het navolgende zal de beslissing hierover door de rechtbank worden aangehouden.

Belichaamde en onbelichaamde goodwill (artikel 13 maatschapsovereenkomst)

6.4.

[eiseres sub 1] c.s. betwist dat [gedaagde sub 2] (althans [gedaagde sub 1] ) recht heeft op goodwill. [gedaagde sub 2] is uitgetreden zonder dat er in haar plaats een nieuwe maat is toegetreden. In de huidige situatie bestaat onder deze omstandigheden geen recht op goodwill. In het verleden bestond er voor die situatie wel een regeling. Die regeling hield in dat de uittredende maat in de op de uittreding volgende drie jaren nog een uitkering van 50 respectievelijk 30 en 20 procent van de omzet van zijn voormalige praktijk kreeg uitgekeerd. Die regeling is in de maatschapsovereenkomst per 2012 geschrapt. Dat was een bewuste keuze. Alleen als de praktijk van een uittredende maat door een toetredende maat wordt overgenomen blijft de omzet (en goodwill) behouden en bestaat er recht op een uitkering van goodwill. De goodwill wordt in dat geval voldaan uit hetgeen de intredende maat aan inkoopsom voldoet. Dit is destijds tussen de maten, waaronder [gedaagde sub 2] , expliciet overeengekomen. De sinds 2012 geldende regels zijn sindsdien ook steeds toegepast.

6.5.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. wordt de situatie van uittreding van een maat zonder toetreding van een nieuwe maat niet door artikel 13 van de maatschapsovereenkomst geregeld. In een dergelijke situatie bestaat toch recht op goodwill. [gedaagde sub 2] betwist dat de goodwillregeling inhoudt wat [eiseres sub 1] c.s. daarover stelt. Anders dan [eiseres sub 1] c.s. stelt is in 2012 tussen de toenmalige maten geen wijziging van de maatschapsovereenkomst met betrekking tot de goodwill overeengekomen. Er is sindsdien ook niet gehandeld naar de uitleg die [eiseres sub 1] c.s. aan de maatschapsovereenkomst geeft. Verschillende maten die na de wijziging zijn uitgetreden hebben op enigerlei wijze betaald gekregen. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen gehouden op 9 mei 2019 heeft [gedaagde sub 1] c.s. het door [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 1] gestelde recht op goodwill nader toegelicht (onder overlegging van het in het proces-verbaal van die zitting genoemde tijdschriftartikel). Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 1] in ieder geval recht op “belichaamde goodwill” zoals omschreven in dat artikel.

Nadere aktewisseling

6.6.

[eiseres sub 1] c.s. zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op het door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde artikel. Verder worden beide partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte hun stellingen over het door [gedaagde sub 1] c.s. gestelde recht op belichaamde en onbelichaamde goodwill nader toe te lichten. De rechtbank wenst in dat verband van beide partijen (nader) te vernemen: (i) of er afspraken zijn gemaakt (en zo ja welke) over vergoeding van belichaamde en/of onbelichaamde goodwill in de situatie dat een maat uittreedt zonder dat een nieuwe maat toetreedt tot de maatschap; (ii) of er in het verleden, in het bijzonder na de wijziging van de maatschapsovereenkomst in 2012, in die situatie belichaamde en/of onbelichaamde goodwill is uitgekeerd aan uittredende maten (en zo ja op welke wijze) en (iii) of en zo ja in hoeverre er door de regeling in artikel 12 van de maatschapsovereenkomst reeds rekening is gehouden met belichaamde en/of onbelichaamde goodwill. Voor zover mogelijk dienen partijen hun stellingen/vorderingen te voorzien van een cijfermatige onderbouwing, waarbij in ieder geval belichaamde en onbelichaamde goodwill moeten worden uitgesplitst.

Verder procesverloop in conventie en reconventie

6.7.

Uit praktische overwegingen en ter voorkoming van verschillende procesronden bepaalt de rechtbank dat [eiseres sub 1] c.s. uiterlijk op 4 september 2019 haar conceptakte over de onderwerpen als bedoeld in 4.38. en 6.6. aan [gedaagde sub 1] c.s. moet toezenden en [gedaagde sub 1] c.s. zijn conceptakte over het onder 6.6. bedoelde onderwerp naar [eiseres sub 1] c.s. moet sturen. Vervolgens kunnen beide partijen op 18 september 2019 hun definitieve akten indienen, waarbij zij direct op de inhoud van de conceptakten van de andere partij kunnen reageren. Een nadere aktewisseling is daarna niet meer nodig.

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie

7.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 september 2019 voor het nemen van een akte door [eiseres sub 1] c.s. om te voldoen aan hetgeen is vermeld in 4.38. Op diezelfde dag mag [gedaagde sub 1] c.s. op deze akte reageren (zie 6.7.),

7.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

7.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 september 2019 voor het nemen van een akte door [eiseres sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. om te voldoen aan hetgeen is vermeld in 6.6.

7.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2019.