Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3237

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
7091027 MC EXPL 18-6073 ho/1524
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 7091027 MC EXPL 18-6073 ho/1524

Vonnis van 27 maart 2019

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.W. Meijer van Florijn Incasso B.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

zaakdoende te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [handelsnaam] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek.

1.2.

[handelsnaam] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] heeft gevorderd [handelsnaam] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 1.082,95 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2013, dan wel 16 november 2017, dan wel 19 juli 2018 tot de voldoening en € 162,44 aan buitengerechtelijke incassokosten), met veroordeling van [handelsnaam] in de proceskosten.

2.2.

Ter onderbouwing van die vordering heeft [eiseres] gesteld dat zij onverschuldigd de bemiddelingskosten van € 1.082,95 aan [handelsnaam] heeft betaald.

[eiseres] heeft tevens aanspraak gemaakt op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten nu [handelsnaam] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiseres] de vordering uit handen heeft moeten geven.

2.3.

[handelsnaam] heeft in haar conclusie van antwoord de vordering betwist. Zij heeft primair aangevoerd dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. [eiseres] heeft daartoe een inschrijvingsformulier ingevuld en de algemene voorwaarden geaccepteerd. Op grond van de overeenkomst en de algemene voorwaarden is [eiseres] de bemiddelingskosten verschuldigd. Subsidiair heeft [handelsnaam] aangevoerd dat de vordering van [eiseres] is verjaard. De overeenkomst is gesloten in augustus 2013 en pas in oktober 2016 heeft [eiseres] zich tot [handelsnaam] gewend. Aangezien de verjaringstermijn drie jaar is, is de vordering verjaard.

2.4.

[eiseres] heeft naar aanleiding van dit verweer bij conclusie van repliek gesteld dat [eiseres] zelf via Facebook bekend is geworden met de advertentie van [handelsnaam] voor de woning. [eiseres] werd doorverwezen naar de website van [handelsnaam] . De naam van de verhuurder van de woning werd afgeschermd, waardoor [eiseres] niet rechtstreeks met de verhuurder contact kon opnemen. Nadat [eiseres] had gereageerd, kwam van [handelsnaam] de opdracht om het inschrijfformulier in te vullen. Voorwaarde voor inschrijving was dat [eiseres] de algemene voorwaarden diende te accepteren. [handelsnaam] heeft de woning niet alleen aangeboden op haar website, maar ook de bezichtiging verzorgd, documenten bij [eiseres] opgevraagd, de huurovereenkomst opgesteld, de huur en de borg geïncasseerd en de oplevering van de woning verzorgd. [handelsnaam] heeft dus niet enkel voor [eiseres] opgetreden maar tevens werkzaamheden voor de verhuurder verricht. Er is daarom sprake van dubbele lastgeving. Op grond van artikel 7:417 lid 4 BW heeft [handelsnaam] daarom geen recht op vergoeding van de bemiddelingskosten. Op grond van artikel 7:264 BW is het beding tot betaling van de bemiddelingskosten van rechtswege nietig. Voor een vordering op grond van artikel 7:264 BW geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Op 31 augustus 2013 heeft [eiseres] de factuur voor de bemiddelingskosten voldaan en op 27 oktober 2016 heeft [eiseres] door het sturen van een aanmaning de verjaring gestuit. Vanaf dat moment heeft [eiseres] vijf jaar de tijd om de betaalde bemiddelingskosten van [handelsnaam] terug te vorderen.

3 De beoordeling

3.1.

[handelsnaam] heeft niet meer gereageerd op hetgeen [eiseres] bij conclusie van repliek nader heeft aangevoerd. De conclusie van repliek is daardoor niet weersproken. Aangenomen moet daarom worden dat juist is wat [eiseres] bij repliek naar voren heeft gebracht. Nu [handelsnaam] de omvang en verschuldigdheid van de vordering verder niet heeft betwist en hetgeen bij repliek onweersproken is gesteld, bezien in samenhang met hetgeen bij eis is aangevoerd, een voldoende onderbouwing van de vordering en weerlegging van het verweer inhoudt, komt de vordering voor wat betreft de hoofdsom van € 1.082,95 voor toewijzing in aanmerking.

3.2.

Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. In het onderhavige geval heeft [eiseres] bij brief van 27 oktober 2016 betaling van de onverschuldigde bemiddelingskosten gevorderd, zodat [handelsnaam] in verzuim verkeert na afloop van de daarin gestelde termijn van 14 dagen, derhalve vanaf 10 november 2016. De rente zal dan ook vanaf 10 november 2016 worden toegewezen.

3.3.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 162,44. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen als na te melden.

3.4.

[handelsnaam] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als na te melden. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,89

- griffierecht € 226,00

- salaris gemachtigde € 360,00 (2 punten x tarief € 180,00)

Totaal € 687,89

4 Beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [handelsnaam] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen

- € 1.082,95 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 10 november 2016 tot de voldoening;

- € 162,44 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 19 juli 2018 tot de voldoening;

4.2.

veroordeelt [handelsnaam] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 687,89, waarin begrepen € 360,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.