Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3219

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
30-08-2019
Zaaknummer
C/16/437738 / HA ZA 17-367
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Koopovereenkomst tot stand gekomen voor een bedrijfspand? Bewijsopdracht echtheid handtekeningen gedaagde. Handschriftdeskundige en getuigen. Vordering werkelijke proceskosten afgewezen. Opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/437738 / HA ZA 17-367

Vonnis van 24 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. T. Delmee te Tilburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.E. Klomp te Nijmegen.

Partijen worden hierna ook [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 januari 2018;

  • -

    akte wijze leveren bewijs van [eiser] ;

  • -

    het deskundigenbericht;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 juni 2018;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor (contra-enquête) van 11 september 2018;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens akte na enquête tevens vermeerdering van eis in reconventie van [gedaagde] ;

  • -

    de akte na (contra-)enquête tevens houdende vermeerdering van eis van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 30 april 2019.

Kern van de zaak

1.2.

Deze zaak gaat over de vraag of [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst hebben gesloten voor het bedrijfspand aan de [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: het bedrijfspand). [eiser] stelt dat hij en [gedaagde] op 12 maart 2016 een schriftelijke koopovereenkomst hebben getekend, op basis waarvan [eiser] het bedrijfspand van [gedaagde] heeft gekocht (hierna: de koopovereenkomst). [gedaagde] had het bedrijfspand op 1 september 2016 aan [eiser] moeten leveren. [gedaagde] betwist dat hij een koopovereenkomst heeft gesloten, en stelt dat de parafen op iedere pagina van de koopovereenkomst zijn vervalst.

1.3.

In reconventie vordert [gedaagde] opheffing van het conservatoire beslag dat [eiser] op het bedrijfspand heeft gelegd.

2 De verdere beoordeling

in conventie

Gewijzigde vordering

2.1.

[eiser] heeft bij akte van 24 oktober 2018 zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij onder iv volledige vergoeding vordert van de proceskosten in deze procedure en de eerder gevoerde kortgedingprocedure. De vordering van [eiser] luidt na deze vermeerdering van eis, zakelijk weergegeven:

  1. veroordeling van [gedaagde] om binnen acht dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering van het bedrijfspand, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag, met een maximum van € 75.000,-;

  2. indien medewerking aan de levering van het bedrijfspand binnen acht dagen uitblijft, te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] aan de levering van het bedrijfspand;

  3. betaling van de contractuele boete ter hoogte van € 140.430,-, en daarbij vanaf 1 maart 2017 tot aan de dag van het vonnis een bedrag van € 930,- per dag, beide te vermeerderen met wettelijke rente;

  4. betaling van gemaakte kosten ter hoogte van € 38.686,54, te vermeerderen met wettelijke rente;

  5. betaling van schade wegens het niet kunnen betalen van aflossing ter hoogte van € 14.100,-, en daarbij vanaf 1 maart 2017 tot aan de dag van het vonnis een bedrag van € 2.325,- per maand, beide te vermeerderen met wettelijke rente;

  6. betaling van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 925,-, te vermeerderen met wettelijke rente;

  7. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

  8. betaling van de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Tussenvonnis 10 januari 2018

2.2.

In het tussenvonnis van 10 januari 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat op [eiser] de bewijslast rust van zijn stelling dat [gedaagde] de schriftelijke koopovereenkomst van 12 maart 2016 heeft ondertekend. De rechtbank heeft handschriftdeskundige mevrouw R. ter Kuile – Haller benoemd als deskundige (hierna: de deskundige). Daarbij heeft de rechtbank [eiser] opgedragen om te bewijzen dat de paraaf boven ‘Verkoper’ op pagina 11 van de koopovereenkomst door [gedaagde] is geplaatst.

Het deskundigenrapport

2.3.

De deskundige komt in haar deskundigenbericht tot de volgende conclusie:

“(…)

Bij vergelijking van de betwiste parafen op de pagina’s 1 tot en met 11 met het beschikbaar gestelde vergelijkingshandschrift van [gedaagde] zijn naast een oppervlakkige overeenkomst qua schriftbeeld, verschillen geconstateerd.

Qua systeemkenmerken kunnen de volgende verschillen worden genoemd:

  • -

    schrijfdrukverdeling;

  • -

    hellingshoek van een aantal elementen;

  • -

    onderlinge lengte- en breedteverhoudingen tussen en binnen de diverse schrijfzones.

Met betrekking tot de fijnkenmerken zijn verschillen waargenomen in:

  • -

    de beginhaal

  • -

    het gedetailleerde verloop van de bovenlus;

  • -

    de neerhaal;

  • -

    de vormgeving van de onderlus;

  • -

    de eindhaal.

CONCLUSIE

Op grond van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat de parafen aan de linkerkant van de pagina’s 1 tot en met 11 van de koopovereenkomst [2] waarschijnlijk niet zijn vervaardigd door degene die het beschikbaar gestelde vergelijkingshandschrift heeft geproduceerd. Volgens opgave is het referentiehandschrift afkomstig van [gedaagde] .

(…)”.

Getuigen

2.4.

In de enquête heeft [eiser] , naast zichzelf, de volgende getuigen doen horen:

  • -

    de heer [A] (hierna: [A] )

  • -

    de heer [B] (hierna: [B] )

  • -

    de heer [C] (hierna: [C] )

  • -

    de heer [D] (hierna: [D] ).

2.5.

[eiser] verklaart dat [gedaagde] op 12 maart 2016 alleen naar het kantoorpand is gekomen om de koopovereenkomst te tekenen. [eiser] wilde een afspraak maken bij de notaris om de koopovereenkomst te tekenen, maar de notaris gaf aan dat zij dat onderling konden regelen. In de werkkamer van [eiser] waren [B] en [D] aanwezig. [D] heeft [eiser] geadviseerd over de renovatie en is een kennis uit de moskee. [B] kwam het sanitair repareren. [eiser] kent beide personen een paar jaar. [eiser] en [gedaagde] hebben de koopovereenkomst in tweevoud getekend. [eiser] heeft één exemplaar gehouden, en [gedaagde] heeft één exemplaar meegenomen.

2.6.

[B] verklaart dat hij op 12 maart 2016 met [D] aanwezig was in het kantoorpand bij de ondertekening van de koopovereenkomst door [eiser] en [gedaagde] . [B] heeft gezien dat twee exemplaren klaar lagen op het bureau van [eiser] .

2.7.

[D] verklaart dat hij op 12 maart 2016 bij [eiser] is geweest. Daar was [B] ook aanwezig. [D] heeft twee exemplaren van de koopovereenkomst op het bureau van [eiser] zien liggen. [D] heeft [gedaagde] binnen zien komen, en heeft gezien dat [eiser] en [gedaagde] de koopovereenkomst ondertekenden.

2.8.

[A] en [C] hebben beiden geen verklaring afgelegd over de ondertekening van de koopovereenkomst.

2.9.

In de contra-enquête heeft [gedaagde] , naast zichzelf, als getuigen doen horen:

  • -

    de heer [E] (hierna: [E] )

  • -

    mevrouw [F] (hierna: [F] )

  • -

    de heer [G] (hierna: [G] ).

2.10.

[gedaagde] verklaart dat hij op 12 maart 2016 niet in [vestigingsplaats] is geweest. [gedaagde] heeft nog nooit met een paraaf getekend. Hij tekent nooit buiten de notaris om, en nooit zonder handtekening. Toen [gedaagde] hoorde dat hij in tweevoud de koopovereenkomst zou hebben getekend, heeft hij aangifte gedaan van valsheid in geschrifte.

2.11.

[F] is de echtgenote van [gedaagde] . Zij verklaart dat het volgens haar niet kan dat [gedaagde] op 12 maart 2016 in [vestigingsplaats] iets heeft getekend. Dan was zij er namelijk bij geweest. [F] gaat altijd mee als haar man iets belangrijks gaat tekenen. [gedaagde] zet nooit alleen een paraaf, hij zet altijd een handtekening als hij iets belangrijks ondertekent. [F] heeft er helemaal niets van gehoord. Zakelijke dingen deden zij samen. Zij dragen daar samen de verantwoordelijkheid voor.

2.12.

[E] en [G] hebben niet verklaard over het moment dat [gedaagde] en [eiser] de koopovereenkomst zouden hebben getekend.

Beoordeling

2.13.

De vraag die voorligt is of [eiser] erin is geslaagd te bewijzen dat de paraaf boven ‘Verkoper’ op pagina 11 van de koopovereenkomst door [gedaagde] is geplaatst. Gelet op de getuigenverklaringen, in onderlinge samenhang en in verband met het deskundigenbericht en de overige overgelegde bewijsstukken bezien, is [eiser] niet geslaagd in dat bewijs. Hierbij geldt het volgende.

2.14.

Om te slagen in het te leveren bewijs is vereist dat met redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat [gedaagde] zelf de paraaf onder de overeenkomst heeft gezet. Aan de ene kant hebben [eiser] , [B] en [D] verklaard dat [gedaagde] op 12 maart 2016 de koopovereenkomst heeft getekend. Aan de andere kant heeft [gedaagde] ontkend dat dit is gebeurd. De deskundige heeft op basis van de verschillen tussen de parafen op de koopovereenkomst en het vergelijkingshandschrift geconcludeerd dat [gedaagde] de parafen waarschijnlijk niet heeft vervaardigd.

2.15.

Er is niet gebleken dat de deskundige haar conclusie heeft bereikt op basis van onzorgvuldig onderzoek en/of dat zij daarbij van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. Weliswaar heeft [eiser] de conclusie van de deskundige betwist, en kritische vragen aan de deskundige gesteld, maar de deskundige heeft de vragen van [eiser] uitgebreid beantwoord, en heeft daarbij geen aanleiding gezien om haar conclusie aan te passen. Op grond van de eigen waarneming van de rechtbank komen met name de door de deskundige genoemde verschillen in de fijnkenmerken van de betwiste parafen met het vergelijkingshandschrift van [gedaagde] de rechtbank overtuigend voor. De rechtbank maakt het oordeel en de conclusie van de deskundige tot de hare.

2.16.

De conclusie van de deskundige en de verklaringen van de getuigen [eiser] , [B] en [D] spreken elkaar tegen. De rechtbank acht de conclusie van de door de rechtbank benoemde deskundige van grotere waarde dan de inhoud van de verklaringen van [eiser] , [B] en [D] . Dit komt voort uit het feit dat de deskundige een objectief en onafhankelijk onderzoek heeft gedaan, terwijl [B] en [D] bekenden zijn van [eiser] . [eiser] kent beide heren naar eigen zeggen al jaren.

2.17.

Voor de rechtbank bestaat er nog een aantal andere feiten en omstandigheden die maakt dat zij twijfelt over de echtheid van de betreffende paraaf. [eiser] heeft verklaard dat hij de notaris heeft gevraagd om een afspraak om de koopovereenkomst tekenen, maar dat de notaris heeft aangegeven dat zij dat wel onderling konden regelen. Dit wordt echter door de notaris betwist in zijn brief aan [eiser] van 22 november 2016 waarin een beschrijving van de werkzaamheden wordt gegeven (productie 15 bij de dagvaarding). De notaris schrijft daarin:

“(…) Ik adviseer en het is mijn uitdrukkelijke voorkeur richting clienten de door mijn opgestelde onderhandse akten te tekenen op kantoor; ik kan dat uiteraard niet afdwingen. U gaf aan met heer [gedaagde] aan de [adres] te [vestigingsplaats] te hebben getekend.(…)”.

Hieruit volgt dat de notaris zijn cliënten juist adviseert om overeenkomsten bij hem op kantoor te tekenen, en dat hij niet ervan op de hoogte was dat [eiser] en [gedaagde] de koopovereenkomst elders zouden hebben getekend. Hierbij komt dat boven de koopovereenkomst ONTWERP d.d. 9 februari 2016 staat geschreven, zodat niet duidelijk is of sprake is van een definitieve versie van de koopovereenkomst waarover overeenstemming bestond. Tevens geldt dat de koopovereenkomst niet is getekend door de notaris en de echtgenote van [gedaagde] ( [F] ). Artikel 20 van de koopovereenkomst heeft specifiek betrekking op de medeondertekening door de notaris en artikel 21 op de medeondertekening door [F] . Op de laatste pagina van de koopovereenkomst, bij de handtekeningen, is ruimte opgenomen voor de handtekeningen van de notaris en [F] . Het was dus duidelijk de bedoeling dat zij de koopovereenkomst zouden tekenen. [eiser] heeft geen nadere verklaring gegeven over de vraag waarom [eiser] en [gedaagde] de koopovereenkomst op 12 maart 2016 samen zouden hebben getekend zonder daarin de notaris te kennen, en zonder de twee medeondertekenaars te laten tekenen. Er is niet gesteld of gebleken dat partijen haast hadden met de ondertekening van de koopovereenkomst, en de leveringsdatum van het bedrijfspand was pas vijfenhalve maand later op 1 september 2016.

2.18.

De conclusie van de deskundige, in samenhang met bovengenoemde omstandigheden, maakt dat de rechtbank niet met een redelijke mate van zekerheid kan zeggen dat [gedaagde] de koopovereenkomst heeft getekend. Hierdoor is niet komen vast te staan dat op 12 maart 2016 tussen [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

2.19.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waaronder begrepen de kosten van getuigen. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 1.545,00

- getuigenkosten 20,00

- salaris advocaat 11.949,00 (7,0 punt × tarief € 1.707,00)

Totaal € 13.514,00

2.20.

[eiser] zal ook in de nakosten worden veroordeeld zoals [gedaagde] heeft gevorderd.

2.21.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen en de getuigenverhoren zijn gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen om organisatorische redenen.

in reconventie

Gewijzigde vordering

2.22.

[gedaagde] heeft bij akte van 24 oktober 2018 zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij onder ii de werkelijk gemaakte proceskosten vordert in conventie, reconventie en de eerder gevoerde kortgedingprocedure. De vordering van [gedaagde] luidt na deze vermeerdering van eis, zakelijk weergegeven:

  1. veroordeling van [eiser] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het op 4 mei 2017 gelegde conservatoire beslag op het bedrijfspand op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [eiser] daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,-; en

  2. betaling van de werkelijk gemaakte proceskosten van € 56.626,23 te verminderen met de proceskostenveroordeling van € 1.104,- uit het gevoerde kort geding en te verminderen met het bedrag aan proceskostenveroordeling in conventie.

Opheffing beslag

2.23.

De afwijzing van de vorderingen in conventie betekent dat [eiser] ten onrechte conservatoir beslag heeft gelegd op het bedrijfspand. Daarbij komt dat [eiser] geen verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde doorhaling van het conservatoire beslag. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot veroordeling van [eiser] tot opheffing van het gelegde beslag, onder verbeurte van een dwangsom, zal worden toegewezen.

Werkelijke proceskosten

2.24.

[gedaagde] verzoekt de rechtbank om [eiser] te veroordelen in de werkelijk door hem gemaakte proceskosten van € 56.626,23.

2.25.

Het salaris van de advocaat wordt in de regel door de rechter bepaald aan de hand van het liquidatietarief zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit tarief is niet een vergoeding voor de werkelijk gemaakte kosten van de partij die in het gelijk wordt gesteld, maar is een tegemoetkoming in zijn kosten. Hoewel dit liquidatietarief een niet bindende richtlijn inhoudt, is volgens de in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaf een proceskostenveroordeling in afwijking van dat tarief alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of indien onrechtmatig is gehandeld. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

2.26.

[gedaagde] stelt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Dit volgt uit de conclusie van de deskundige dat de parafen op de koopovereenkomst waarschijnlijk niet van [gedaagde] afkomstig zijn, en dat sprake kan zijn van nabootsing. Daarbij wijst [gedaagde] op de getuigenverklaring van [E] . [E] heeft verklaard dat zijn eerdere schriftelijke verklaring (die [eiser] in het geding heeft gebracht) vals is, en dat hij samen met [eiser] een plan zou hebben bedacht om getuigen te laten verklaren dat [gedaagde] de koopovereenkomst zou hebben getekend.

2.27.

[eiser] betwist dat de parafen van [gedaagde] zijn nagebootst. Tevens stelt [eiser] dat [E] in strijd met de waarheid heeft verklaard.

2.28.

De rechtbank laat de verklaring van [E] buiten beschouwing, omdat zij die verklaring onbetrouwbaar acht. [E] heeft tijdens deze procedure verschillende verklaringen afgelegd (schriftelijk en mondeling), die strijdig zijn met elkaar. Ook heeft [E] expliciet aangegeven dat hij bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard. De rechtbank zal daarom de getuigenverklaring van [E] niet gebruiken bij de beoordeling van de vordering van [gedaagde] .

2.29.

De conclusie van de deskundige dat de parafen op de koopovereenkomst waarschijnlijk niet van [gedaagde] afkomstig zijn, en dat sprake kan zijn van nabootsing, maakt volgens de rechtbank nog niet dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan de zijde van [eiser] . [eiser] heeft de opdracht gekregen om te bewijzen dat de paraaf boven ‘Verkoper’ op pagina 11 van de koopovereenkomst door [gedaagde] is geplaatst. Daarin is [eiser] niet geslaagd. De rechtbank is naar aanleiding van het deskundigenbericht van oordeel dat niet met een redelijke mate van zekerheid kan worden gezegd dat [gedaagde] de koopovereenkomst heeft getekend. Maar de omstandigheid dat [eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht, maakt niet dat daardoor vaststaat dat de parafen door [eiser] zijn vervalst en dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. De conclusie van de deskundige rechtvaardigt daarom geen afwijking van de hoofdregel over de proceskosten.

2.30.

De vordering tot het betalen van de werkelijke proceskosten in conventie, reconventie en de eerder gevoerde kortgedingprocedure zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten in reconventie

2.31.

Omdat partijen in reconventie beiden deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten zal dragen.

2.32.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 13.514,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.5.

veroordeelt [eiser] om binnen één werkdag na de dag van betekening van dit vonnis over te gaan tot het (doen) opheffen en doorhalen van het conservatoir beslag op de onroerende zaak te ( [postcode] ) [vestigingsplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [vestigingsplaats] sectie [sectie-aanduiding] nummer [nummeraanduiding] ,

3.6.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 3.5 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,

3.7.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon, mr. P. Krepel en mr. H.B.W. Beekman en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.1

1 type: coll: