Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3167

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
NL18.19769
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbehoorlijk bewind van ouders over vermogen van kinderen. Schadevergoedingsplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0193
JPF 2020/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Familiekamer

Zittingsplaats Utrecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 18 juli 2019

in de zaak met zaaknummer: NL18.19769 van

1 [partij Ia] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [partij Ib] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisers van de vordering,
verweerders op de voorwaardelijke tegenvordering,
advocaat mr. C.J.P. Liefting te Mijdrecht,

tegen

[partij II] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder op de vordering,
eiser van de voorwaardelijke tegenvordering

advocaat L.M.H. Nelissen,

en in de vrijwaringszaak met registratienummer NL19.1899 van

[partij II] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser op de vordering,
advocaat L.M.H. Nelissen,

tegen

[partij III]

wonende te [woonplaats] ,

Verweerster op de vordering

advocaat mr. C.J.P. Liefting, wonende te Mijdrecht.

Partijen zullen hierna worden genoemd [voornaam van partij Ia] , [voornaam van partij Ib] , [partij II] en [partij III] .

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het vrijwaringsincident van 24 januari 2019

  • -

    akte overlegging producties van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib]

  • -

    akte overlegging producties van [partij II]

  • -

    de mondelinge behandeling op 6 juni 2019, waarvan aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met producties

  • -

    het verweerschrift met producties

  • -

    akte overlegging producties van [partij III]

  • -

    akte overlegging producties van [partij II]

  • -

    de mondelinge behandeling op 6 juni 2019, waarvan aantekeningen zijn gemaakt.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[partij II] en [partij III] zijn gehuwd geweest op huwelijkse voorwaarden, waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten. Op 28 oktober 2016 heeft [partij III] een verzoek om echtscheiding ingediend, waarna het huwelijk op [echtscheidingsdatum] 2017 door echtscheiding is ontbonden.

3.2.

[voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] zijn de kinderen van [partij II] en [partij III] . [partij II] en [partij III] hebben tijdens de minderjarigheid van hun kinderen het gezamenlijk gezag over [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] gehad. [voornaam van partij Ib] is meerderjarig geworden op [..] 2015. [voornaam van partij Ia] is meerderjarig geworden op [..] 2018.

3.3.

[voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] hebben tijdens hun jeugd als acteurs, zangers en dansers, inkomen uit arbeid gehad.

3.4.

De verstandhouding tussen [partij II] enerzijds en [partij III] , [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] anderzijds is ernstig verstoord. [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] wonen bij [partij III] en wensen geen contact meer met [partij II] .

4 Het geschil

in de hoofdzaak

De vordering

4.1.

[voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] vorderen in de procesinleiding dat de rechtbank:

a. [partij II] zal veroordelen tot betaling aan [voornaam van partij Ia] van een bedrag van:

 € 29.859,-- aan hoofdsom;

 € 1.067,47 aan wettelijke rente;

 de wettelijke rente vanaf 21 september 2018 tot de dag van voldoening;

 € 1.073,50 aan buitengerechtelijke incassokosten

[partij II] zal veroordelen tot betaling aan [voornaam van partij Ib] van een bedrag van:

 € 14.770,- aan hoofdsom;

 € 668,28 aan wettelijke rente;

 de wettelijke rente vanaf 21 september 2018 tot de dag van voldoening;

 € 992,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;

[partij II] zal veroordelen tot het overleggen aan de rechtbank van de originele bankafschriften van zijn bankrekening(en) over de periode 2003-2016;

een deskundige aanwijst die aan de hand van de originele bankafschriften het verschil uitrekent tussen de daadwerkelijk door [partij II] ontvangen bedragen en de door [partij II] aan [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] doorgestorte bedragen;

zal bepalen dat [partij II] aan [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] dient te voldoen het verschil tussen de door hem voor [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] ontvangen bedragen en de door hem aan [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] doorgestorte bedragen;

[partij II] zal veroordelen tot overlegging van alle stukken van en rond de afwikkeling van het ongeval dat [voornaam van partij Ia] op 25 februari 2016 heeft gehad en tot betaling van de door hem ontvangen schadebedragen, vermeerderd met de wetttekijke rente vanaf 1 januari 2017 tot de dag van voldoening;

alles met veroordeling van [partij II] in de proceskosten, de kosten van het conservatoire beslag daaronder begrepen.

4.2.

[partij II] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De voorwaardelijke tegenvordering

4.4.

Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] een vordering hebben op [partij II] , vordert [partij II] om te bepalen dat hij een tegenvordering heeft op [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] , die gelijk is aan de vordering van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] op hem, althans gelijk aan een zodanig bedrag als de rechtbank in redelijkheid juist acht en deze vordering te verrekenen met de vordering van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] op hem.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.6.

[partij II] vordert - samengevat - dat [partij III] wordt veroordeeld om aan [partij II] te betalen al hetgeen, althans de helft van hetgeen, waartoe [partij II] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [partij II] in de kosten van de vrijwaring, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.7.

[partij II] voert verweer.

4.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak

Op de vordering

5.1.

[voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] hebben aan hun vordering vermeld onder a tot en met e ten grondslag gelegd dat [partij II] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt omdat hij gelden aan hun spaarrekeningen heeft onttrokken en (mogelijk) niet alle gelden die hij heeft ontvangen voor hun werk als artiest, aan hen heeft doorgestort.

5.2.

[partij II] heeft betwist dat hij gelden heeft ontvangen op zijn rekening die bestemd waren voor zijn zoons. Hij heeft wel onkostenvergoedingen ontvangen, maar die strekten tot vergoeding van de door de ouders gemaakte onkosten, zoals reiskosten en dergelijke. Hij erkent wel dat hij gelden heeft onttrokken aan de spaarrekeningen van zijn zoons en die slechts ten dele heeft teruggestort, waardoor er per saldo geld van de rekeningen van zijn zoons is verdwenen. Hij stelt echter dat het geld dat hij heeft onttrokken strekte ter financiering van de kosten van zijn zoons en/of van het gezin als geheel omdat het inkomen van de beide ouders daarvoor niet toereikend was. Hij stelt zich op het standpunt dat de gelden die hij per saldo heeft onttrokken voor zover deze niet rechtstreeks ten goede zijn gekomen aan de zonen zelf, dienen te worden beschouwd als bijdragen naar draagkracht van de zonen in de kosten van de huishouding dan wel hun rechtvaardiging vinden in het aan de ouders toekomende wettelijk vruchtgenot over het vermogen van de kinderen. Van onrechtmatigheid en/of van ongerechtvaardigde verrijking is volgens [partij II] om die reden geen sprake. [partij II] stelt voorts dat hij in samenspraak met [partij III] heeft gehandeld en ook samen met haar zijn zoons in kennis heeft gesteld van de onttrekkingen aan hun rekeningen. Verder betwist [partij II] de hoogte van de door [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] berekende bedragen.

5.3.

In artikel 1:253j BW is bepaald dat de ouders het bewind moeten voeren over het vermogen van hun kinderen. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk. In beginsel mogen ouders het vermogen van hun kinderen niet aanwenden voor kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen en ook niet voor de algemene kosten van het gezin. Het zijn immers de ouders die onderhoudsplichtig zijn voor de kinderen en zij moeten de kinderen in beginsel uit eigen vermogen of inkomen onderhouden. Weliswaar zegt de wet in artikel 1:392 dat ook kinderen onderhoudsplichtig zijn ten opzichte van hun ouders, maar dit geldt alleen in geval van behoeftigheid van de ouders, nog daargelaten of dit ook ziet op minderjarige kinderen. [partij II] en [partij III] waren tijdens het huwelijk niet behoeftig. In de echtscheidingsbeschikking van [..] 2017 staat dat [partij III] het netto-gezinsinkomen heeft gesteld op € 4.434,- en [partij II] op aanvankelijk € 4.206,- en later op € 3.615,- per maand. De rechtbank heeft het netto-gezinsinkomen destijds vastgesteld op € 3.771,-. Dit bedrag is in het algemeen voldoende om een gezin met twee kinderen te onderhouden, indien men niet heel erg luxe leeft. Maar ook indien behoeftigheid wel zou worden aangenomen geldt dat ouders, indien zij over het geld van kinderen willen beschikken anders dan in het kader van een normaal beheer de machtiging nodig hebben van de kantonrechter. Dit volgt uit artikel 1:253k juncto artikel 1:345 lid 1 onder a BW. Dit geldt ook voor het (tijdelijk) “lenen” van geld van kinderen (artikel 1:345 lid 1 onder d). Kijkend naar de door beide partijen in het geding gebrachte overzichten en rekeningafschriften, is een patroon zichtbaar waarin er tussen de spaarrekeningen van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] en de gezamenlijke bankrekening van de ouders vanaf 2008 in toenemende mate een soort rekening-courantverhouding heeft bestaan, waarin tijdelijk gelden aan de spaarrekeningen van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] werden onttrokken en later ook weer werden teruggestort, totdat de opnames op een gegeven moment de terug-stortingen te boven gingen. [partij II] stelt dat de oorzaak hiervan gelegen was in een tekort aan inkomen. Dat moge zo zijn, maar het is dan aan de ouders om hetzij maatregelen te nemen ter verhoging van het inkomen, hetzij de tering naar de nering te zetten en in het uiterste geval zich tot de kantonrechter te wenden, omdat het opnemen van geld van de kinderen ter vertering niet onder normaal beheer valt.

5.4.

De in artikel 1:253l BW opgenomen kostgeldregeling kan evenmin als rechtvaardiging voor de opnames dienen. Daarvoor is immers noodzakelijk dat de inkomsten uit arbeid van de kinderen een anders dan incidenteel karakter droegen, hetgeen niet het geval is bij af en toe optreden in musicals. Bovendien ligt het dan voor de hand met het desbetreffende kind vooraf een duidelijke afspraak te maken over het bij te dragen periodieke bedrag. Dat is hier niet gebeurd.

5.5.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat er sprake is geweest van onbehoorlijk bewind ten gevolge waarvan schadeplichtigheid is ontstaan jegens de kinderen. In het algemeen is de hoogte van de schade gelijk aan de per saldo onttrokken bedragen, voor zover die niet kunnen worden aangemerkt als vruchten van het vermogen. Ouders hebben immers op grond van artikel 1: 253l BW het vruchtgenot over het vermogen van de kinderen. Ter zitting heeft [partij II] ook erkend dat hij geld verschuldigd is aan zijn zoons, ook omdat hij beloofd heeft dat de ouders het geld terug zouden betalen, maar hij betwist de hoogte van de gevorderde bedragen. Hij stelt verder dat hij op dit moment nauwelijks financiële middelen heeft en heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat hij in termijnen mag betalen. Daarnaast stelt hij dat ook de moeder verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het onbehoorlijke bewind.

5.6.

De rechtbank zal allereerst ingaan op het geschil over de hoogte van de per saldo onttrokken bedragen. [partij II] stelt die bedragen op € 22.650,- voor [voornaam van partij Ia] en € 12.000,- voor [voornaam van partij Ib] . [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] hebben de bedragen die zij in de procesinleiding als hoofdsom hebben genoemd later in de procedure (zie de bijlagen bij de brief van 24 mei 2019) veranderd in respectievelijk € 27.300,-- en € 14.944,25. Ter zitting hebben [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] erkend dat van het bedrag van € 27.300,- een bedrag van € 5.000,- dient te worden afgetrokken omdat zij in hun berekening geen rekening hebben gehouden met twee terugbetalingen door [partij II] van in totaal € 5.000,-. Daarmee komt het door [voornaam van partij Ia] als tekort berekende bedrag van € 22.300,-- onder het door [partij II] berekende bedrag van

€ 22.650. Dat ligt anders bij [voornaam van partij Ib] . Hij komt in zijn berekening hoger uit dan [partij II] ,

€ 14.944,25 tegenover € 12.000,-. Beide partijen hebben overzichten, met afschriften, in het geding gebracht waarin zij hun berekeningen uiteenzetten. Bij een vergelijking van de overzichten valt op dat dit verschil met name veroorzaakt wordt doordat het overzicht van [partij II] slechts tot en met het 2012 doorloopt, terwijl dat van [voornaam van partij Ib] doorloopt tot 24 december 2015. Een opname op 7 augustus 2013 van € 3.000,- is niet in het overzicht van [partij II] opgenomen. De rechtbank heeft dit bedrag wel terug kunnen vinden op het afschrift van 26 augustus 2013 (productie 10 deel 4, laatste afschrift). Dit maakt dat de rechtbank uitgaat van de door [voornaam van partij Ib] aangeleverde berekening.

5.7.

Op de aldus vastgestelde saldi van € 22.300,- en € 14.944,25 strekken in mindering de vruchten van het vermogen van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] gedurende hun minderjarigheid. [voornaam van partij Ib] heeft, zo blijkt uit zijn eigen overzicht, over de periode dat de ouders het bewind over zijn vermogen hebben gehad een positief resultaat uit beleggingen gehad van € 3.258,26 en een bedrag van tenminste € 600,- aan rente. Ook [voornaam van partij Ia] heeft rente-inkomsten van tenminste

€ 1.500,- en inkomsten uit beleggingen € 1.369,16 ontvangen. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de schade uit het onbehoorlijk bewind voor [voornaam van partij Ia] vaststellen op (22.300,- minus 1.500,- minus 1.369,- =) € 19.431,- en voor [voornaam van partij Ib] op (14.944,25,- minus 3.258,26 minus 600 =) € 11.086,-.

5.8.

Namens [partij II] is ter zitting verzocht om, onder afwijzing van de vrijwaring, slechts de helft van deze bedragen toe te wijzen, omdat hij [partij III] medeverantwoordelijk acht voor het onbehoorlijke bewind en [partij III] waarschijnlijk geen verhaal zal bieden voor de regresvordering die [partij II] op [partij III] zal krijgen.

5.9.

Dit verzoek maakt dat de rechtbank zich al in de hoofdzaak een oordeel moet vormen over de vraag of [partij III] medeverantwoordelijk is voor het onbehoorlijke bewind en of de daar uit voortvloeiende aansprakelijkheid wel of niet een hoofdelijke karakter draagt. De rechtbank zal allereerst ingaan op de eerste vraag.

5.10.

[partij II] heeft aangevoerd dat [partij III] samen met hem het ouderlijk gezag en dus het bewind over het vermogen van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] had en dus net als hij verantwoordelijk is voor de opnames. Hij stelt dat [partij III] ook toegang had tot de en/of-rekening van de ouders waarop de onttrekkingen van de spaarrekening van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] terecht zijn gekomen. Verder stelt hij dat deze onttrekkingen in overleg met haar zijn gedaan omdat het ouderlijk inkomen ontoereikend was. [partij II] houdt [partij III] dan ook medeaansprakelijk en wel voor de helft.

5.11.

[voornaam van partij Ia] , [voornaam van partij Ib] en [partij III] betwisten dat [partij III] medeaansprakelijk is en stellen dat [partij III] niet wist van de opnames, maar daar pas later achter is gekomen. Verder hebben [voornaam van partij Ia] , [voornaam van partij Ib] en [partij III] betwist dat de opnames zijn opgegaan aan kosten van de huishouding. Zij stellen dat het gezin absoluut niet in luxe leefde.

5.12.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [partij III] en [partij II] een redelijk traditionele rolverdeling hadden tijdens het huwelijk, waarbij [partij II] hoofdkostwinner was en [partij III] meer verzorgingstaken voor haar rekening nam en daarnaast een of twee eenmanszaken had, waaronder een kapsalon aan huis. [partij II] beheerde ook de financiële zaken van het gezin, wat ook voor de hand lag omdat hij van beroep hypotheekadviseur is. Dit betekent echter niet dat beide ouders niet verantwoordelijk zijn en blijven voor de wijze waarop het bewind over het vermogen van de kinderen wordt uitgeoefend. [partij III] kan zich niet achter een wel erg gemakkelijke onwetendheid verschuilen. Het was haar verantwoordelijkheid om wel op de hoogte te zijn van het beheer over het vermogen van haar kinderen. De rechtbank is van oordeel dat [partij II] met bijlage 51 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gezin, gezien het inkomen, op te grote voet leefde en per maand een substantieel bedrag tekort kwam. De kritiek die namens [partij III] op dit overzicht is gegeven, namelijk dat daarin ook zakelijke kosten zijn opgenomen acht de rechtbank niet terecht. Als men aan de inkomstenkant rekent met gefactureerde omzet dan is het zaak dat men aan de uitgavekant ook zakelijke kosten meeneemt. Maar ook als men rekent met een netto-besteedbaar inkomen, zoals door de rechtbank in de echtscheidingsprocedure is vastgesteld van € 3.615,- per maand en de zakelijk kosten achterwege laat en zelfs nog enigszins matigt op de een aantal huishoudelijke lasten dan nog is de uitkomst een structureel tekort van zeker € 750,- per maand. Dit loopt in vier jaar tijd op tot meer dan het saldo van de onttrekkingen en verklaart ook de schulden aan het eind van het huwelijk. [partij III] is net zo goed als [partij II] voor dat tekort aansprakelijk. Ook zij had de tering naar de nering kunnen zetten of haar inkomen kunnen verhogen. Als het geld door [partij II] zou zijn besteed aan bovenmatige privébestedingen of aan drank, drugs, gokken of vrouwen zou dit anders kunnen liggen omdat dergelijke uitgaven niet onder de kosten van de huishouding vallen, maar daar is hiervoor geen enkele aanwijzing. Het vorenstaande betekent dat beide ouders aansprakelijk zijn voor de schade uit het onbehoorlijke bewind. Het feit dat [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] ter zitting hebben verklaard dat zij van hun moeder geen cent terugverlangen maakt dat niet anders.

5.13.

Als hoofdregel geldt dat indien een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd deelbaar is de schuldenaren ieder voor gelijke delen zijn verbonden. In dit geval is sprake van een deelbare prestatie. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit in dit geval uit de gewoonte noch uit de wet voort dat de ouders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het onbehoorlijke bewind. Dit betekent dat de rechtbank [partij II] zal veroordelen de helft van de geleden schade te vergoeden.

5.14.

De rechtbank heeft geen rechtsgrond om te bepalen dat [partij II] in termijnen mag betalen, zoals hij heeft verzocht. Wellicht dat [partij II] met zijn zonen een betalingsregeling kan afspreken, waardoor een executie van zijn woning kan worden voorkomen. Gezien de familierechtelijke verhoudingen, ook al zijn die verstoord, zou dit wel gepast zijn.

5.15.

Vanwege het vruchtgenot van de ouders zal de door [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] berekende wettelijk rente worden afgewezen. In plaats daarvan zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum waarop [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] meerderjarig zijn geworden. Eerst vanaf dat moment kunnen zij immers zelf aanspraak maken op de vruchten van hun vermogen.

5.16.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. [voornaam van partij Ib] en [voornaam van partij Ia] stellen weliswaar in hun procesinleiding dat zij hoge kosten hebben moeten maken om bankafschriften bij de bank op te vragen, maar uit de door hen zelf geschreven verklaring blijkt dat de bank hen die gratis ter beschikking heeft gesteld. Voor zover de door hen gemaakte kosten bestaan uit de kosten van de door hen ingeschakelde administratie- en belastingconsulent [A] zij vermeld dat zij geen factuur van hem in het geding hebben gebracht en dat de werkzaamheden van [A] uit niet meer lijken te hebben bestaan dan uit het op een rijtje zetten en optellen van opnames en stortingen. Daar komt bij dat zowel [voornaam van partij Ia] als [voornaam van partij Ib] er voor hadden kiezen om in overleg te treden met hun vader om samen met hem op een rijtje te zetten welke bedragen er zonder rechtsgrond aan hun vermogen zijn onttrokken. Dat hebben zij niet gedaan omdat zij al twee jaar geen contact met hem willen.

5.17.

De vorderingen vermeld onder c tot en met e zullen eveneens worden afgewezen. [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] hebben, gezien de betwisting van [partij II] , onvoldoende onderbouwd dat de opdrachtgevers hun gages hebben overgemaakt naar de rekening van hun vader. Dit blijkt nergens uit en het spitten in de afschriften van de vader zou een fishing expedition zijn.

5.18.

De vordering onder f zal eveneens worden afgewezen. [partij II] heeft stukken in het geding gebracht waaruit de financiële afwikkeling van het ongeluk van [voornaam van partij Ia] genoegzaam blijkt. Uit die stukken volgt dat de verzekeringsmaatschappij bedragen heeft uitgekeerd voor schade aan een jas en een fiets en voor medische kosten. Er is geen enkele aanwijzing dat de uitkeringen niet zijn aangewend ter dekking van daadwerkelijk geleden schade, zodat niet valt in te zien waarom [partij II] vanwege ontvangen verzekeringspenningen nog iets verschuldigd zou zijn aan [voornaam van partij Ia] .

5.19.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit geldt ook voor het door [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] gelegde conservatoire beslag op de woning van hun vader. De rechtbank acht niet aannemelijk dat dit beslag strekte tot zekerheidstelling van het verhaal omdat [partij II] , zoals in het beslagrekest staat, er voor zal/kan zorgen dat alles weg is en er niets meer te halen valt. Veeleer is aannemelijk dat dit beslag, dat gelegd is drie dagen nadat [partij III] het beslag op het huis van [partij II] had opgeheven, een vexatoir karakter droeg, gelet op de zeer verstoorde verhouding van [voornaam van partij Ia] en [voornaam van partij Ib] tot hun vader.

Op de voorwaardelijke tegenvordering

5.20.

De grondslag voor de voorwaardelijke tegenvordering is de rechtbank niet duidelijk geworden. Uit de stukken maakt de rechtbank wel op dat [partij II] stelt dat de ouders veel tijd en geld hebben geïnvesteerd in de carrière van hun zonen en wel zodanig dat de ouders aan het eind van hun huwelijk een negatief vermogen hadden van € 50.000,-. [partij II] stelt dat hij deze huwelijkse schuld aan het eind van het huwelijk vrijwillig voor zijn rekening heeft genomen. Indien en voor zover [partij II] dit ten grondslag legt aan zijn voorwaardelijke tegenvordering overweegt de rechtbank dat die grondslag de voorwaardelijke tegenvordering niet kan dragen. Het behoort tot de plicht van ouders om te investeren in de opleiding en ontwikkelingskansen van hun kinderen. Daaruit vloeit geen vergoedingsrecht voort.

5.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de vrijwaringszaak

5.22.

Nu de rechtbank [partij II] slechts zal veroordelen tot de helft van de schade die uit het onbehoorlijk bewind van de ouders voort is gevloeid zal de rechtbank de vordering in de vrijwaringszaak afwijzen.

5.23.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

Op de vordering

6.1.

veroordeelt [partij II] om aan [voornaam van partij Ib] te betalen een bedrag van € 5.543,- (vijfduizendvijfhonderddrieënveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 19 december 2015 tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [partij II] voorts om aan [voornaam van partij Ia] te betalen een bedrag van € 9.715,50 (negenduizendzevenhonderdvijftien euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 april 2018 tot de dag van volledige betaling,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Op de voorwaardelijke tegenvordering

6.5.

wijst de voorwaardelijke tegenvordering af,

Op de vordering en de voorwaardelijke tegenvordering,

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de zaak in vrijwaring

6.7.

wijst de vordering af,

6.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.