Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3031

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
16/659455-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:1141, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 71-jarige man is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar. De man heeft op 21 juni vorig jaar zijn vrouw gedood en vervolgens brand gesticht in een flat aan de Marco Pololaan in de Utrechtse wijk Kanaleneiland. Ook heeft door zijn schuld een politieagent zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Op 21 juni 2018, rond tien over half negen ’s avonds, krijgt de meldkamer een melding van een flatbrand in Utrecht. De politie is als eerste ter plaatse. Enkele agenten gaan het flatgebouw in om eventuele slachtoffers en bovengelegen woningen te evacueren. Rond datzelfde moment meldt de verdachte zich bij een politiebureau. De man zegt daar: ‘Vrouw dood, in de woning, ik heb het gedaan’. De man wordt vervolgens aangehouden en er worden sporen, onder andere op zijn kleding, veilig gesteld. Vlak voor zijn aanhouding heeft de man nog gebeld met één van zijn dochters en toegegeven dat hij zijn vrouw heeft gedood en de brand heeft gesticht.

In de woning is het lichaam van een vrouw gevonden. Na vergelijking van gebitsgegevens is vast komen te staan dat het lichaam van de 69-jarige echtgenote van de verdachte is. Het lichaam was zwaar aangetast door de brand en deels verkoold. Uit onderzoek blijkt dat zij door diverse steekletsels om het is leven gekomen en dat zij al voor de brand is overleden. In de woning is een jerrycan en zijn sporen van ontbrandbare vloeistoffen gevonden. Op camerabeelden van een benzinestation is te zien dat de man rond half negen die avond benzine tankt.

Het staat voor de rechtbank vast dat de man zijn vrouw om het leven heeft gebracht en daarna de woning in brand heeft gestoken. Tijdens die brand hebben agenten de flat geëvacueerd. Eén agent is in het trappenhuis overvallen door de sterke rookontwikkeling waardoor hij heeft moeten besluiten om een raam te forceren en uit dat raam te springen. Hij kwam toen op een afdakje terecht en is daarbij zwaar gewond geraakt.

Op zitting heeft de man verklaard dat hij niet meer weet wat er die dag precies gebeurd is; hij zegt te kampen met geheugenverlies. De rechtbank gelooft dit niet. Onderzoekers hebben ook met de man gesproken en kunnen voor dit geclaimde geheugenverlies geen aanknopingspunten vinden. Zij hebben ook geen stoornis bij de man kunnen vaststellen waardoor hij volledig toerekeningsvatbaar is. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In deze zaak zijn er diverse strafverzwarende omstandigheden, zoals de proceshouding van de man en het feit dat hij zijn echtgenote, de moeder van zijn 11 kinderen, in haar eigen huis heeft gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659455-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

gedetineerd te [woonplaats] , [verblijfplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 04 oktober 2018, 14 november 2018, 20 december 2018, 07 maart 2019, 22 mei 2019 en 20 juni 2019. Op laatstgenoemde terechtzitting is de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen, de 11 kinderen [achternaam van verdachte] en mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, en [verbalisant 3] en mr. E.P. Ceulen, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 20 december 2018 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 21 juni 2018 te Utrecht [slachtoffer] al dan niet met voorbedachte rade van het leven

heeft beroofd;

Feit 2: op 21 juni 2018 te Utrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, waarbij

gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor anderen te duchten was;

Feit 3: op 21 juni 2018 te Utrecht roekeloos heeft gehandeld door in een woning brand te

stichten, waardoor het aan zijn schuld is te wijten dat bij de politieambtenaar [verbalisant 3] zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gevorderd verdachte vrij te spreken van moord en hem te veroordelen voor doodslag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de (onder 1 impliciet primair ten laste gelegde) moord. De doodslag kan bewezen worden verklaard. Ten aanzien van feit 2, de opzettelijke brandstichting, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde, zwaar lichamelijk letsel door schuld. De raadsman is van oordeel dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de brand en het letsel van de agent. De agent is op basis van verkeerde informatie de flat binnen gegaan, heeft zich afgezonderd van zijn collega’s en doordat de deur van de brandende woning door anderen werd ingetrapt kon de rook zich zeer snel verspreiden. Dit zijn allemaal omstandigheden die niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen ten aanzien van alle feiten 1 2

De brand

Op 21 juni 2018 te 20:41 uur kwamen de eerste meldingen binnen bij de centrale meldkamer dat op de [straatnaam] te [woonplaats] op de eerste verdieping van een flatgebouw een brand woedde.3

Verbalisant [verbalisant 1] kwam op 21 juni 2018 rond 20:45 uur ter plaatse. Hij arriveerde tegelijkertijd met zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Hij zag dat er veel glas op de weg lag en dat uit één van de woningen grote rookwolken en vlammen kwamen. Het betrof de onderste woning van een portiekflat met daarin drie woonlagen, met op elke woonlaag twee appartementen. Hij hoorde omstanders roepen dat er mogelijk nog iemand in de brandende woning was. Ook werd gezegd dat niet zeker was dat de andere woningen aan het portiek leeg waren. Omdat de brandweer nog niet ter plaatse was besloten hij en zijn collega’s en een aantal omstanders het portiek te betreden, om eventuele slachtoffers uit de brandende woning te evacueren. Ook bedreigde de brand de bovengelegen woningen, wat maakte dat die ook ontruimd moesten worden. Ze zagen dat de brand zich snel uitbreidde. Bij hen bestond de vrees dat mensen in de aan het portiek gelegen woningen in levensgevaar verkeerden. Er was op dat moment nog geen rook in het portiek. De verbalisant verklaart: “Ik heb geprobeerd samen met omstanders de voordeur van woning [adres] open te trappen. Dit lukte niet. Ik zag rook onder de voordeur uit komen en zei dat we het portiek moesten verlaten. Eén van de omstanders trapte vervolgens met veel kracht tegen de voordeur van nummer [nummeraanduiding] waardoor de deur open ging. Er kwam een grote zwarte rookwolk uit de woning. We hebben het portiek verlaten.”4

Getuige [getuige 1] bevond zich op 21 juni 2018 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Dit betreft een woning aan hetzelfde portiek als de woning waar de brand was. Hij hoorde een harde knal. Een aantal minuten na de knal hoort hij mensen in het trappenhuis omhoog rennen. Er werd aangebeld en op de deur gebonkt. De getuige werd gewaarschuwd dat er brand was in zijn flat. Hij is, evenals andere bewoners uit het portiek, snel zijn woning uitgegaan.5

Door omstanders werd de brand op de [straatnaam] gefilmd en vervolgens gedeeld op social media. Door het onderzoeksteam zijn deze beelden veiliggesteld en screenshots bevinden zich in het dossier, waarbij de volgende beschrijving wordt gegeven van hetgeen op deze beelden te zien is: zichtbaar is dat sprake is van een heftige rookontwikkeling en dat de vlammen tot het bovenliggende balkon reiken;6 zichtbaar is dat op dat moment verschillende mensen, onder wie twee politieagenten, het portiek verlaten.7

Het onderzoek in de woning

Bij het onderzoek in de woning aan [adres] te [woonplaats]8 werd op de drempel van de gang naar de woonkamer een zwarte jerrycan met een rode, niet afgesloten, dop aangetroffen. Op de vloer aan de voorzijde van de woonkamer lag een stoffelijk overschot, zwaar door de brand aangetast en deels verkoold.9

Tandarts en deskundige [G] deed onderzoek naar de dentale gegevens van een vrouwelijk stoffelijk overschot teneinde een uitspraak te doen over de identiteit door middel van gebitsvergelijking. De conclusie hieruit is: de geschouwde vrouw is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1948.10

Er heeft pathologisch onderzoek aan het lichaam van de overledene plaatsgevonden. Het lichaam had tekenen van ernstig uitwendig thermisch geweld. Bij spoedbepaling van het koolmonoxidegehalte in het bloed werd geen verhoogd koolmonoxide in het hartbloed gemeten. De gemeten waarde duidt erop dat de vrouw niet meer in leven was ten tijde van de brand.11

Conclusie: het intreden van de dood wordt verklaard door drie bij leven opgelopen steekletsels aan de romp. De overige drie steekletsels en het snijletsel kunnen een bijdrage hebben gehad aan (de snelheid van) het intreden van de dood. [slachtoffer] was niet bij leven ten tijde van de brand.12

Uit onderzoek werd geen technische oorzaak voor het ontstaan van de brand aangetroffen.13 De brandhond gaf op de volgende locaties melding van ontbrandbare vloeistoffen:

- in de woonkamer, op de plaats waar het stoffelijk overschot werd aangetroffen;

- het midden van de woonkamer;

- onder de drempel van de woonkamer naar de hal;

- in de ouderlijke slaapkamer.

Op deze plaatsen zijn brandmonsters veiliggesteld.14 In deze monsters zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van (sterk ingedampte) motorbenzine.15 Tevens bleek dat het kunststof kozijn van de woonkamer op het trottoir, onder de woonkamer, lag.16 In de aangetroffen jerrycan bevond zich nog ca. 150 milliliter vloeistof.17 Geconcludeerd wordt dat door de dader benzine op meerdere plekken is gesprenkeld en dat vuur is aangebracht met het oogmerk om brand te stichten. Aannemelijk is dat het vuur is aangebracht op de sprenkelplek nabij de woonkamerdeur waardoor er brand ontstond. De ontbrandbare vloeistof op/nabij het stoffelijk overzocht veroorzaakte damp welke werd ontstoken door de reeds gestichte brand nabij de woonkamerdeur. Hierdoor ontstond een dampexplosie in de woonkamer waarbij het kunststof kozijn werd weggeblazen en op het trottoir belandde.18

De verdachte

Verbalisant [verbalisant 4] was op 21 juni 2018 rond 20.51 uur aan het werk op het politiebureau aan de [straatnaam] in [woonplaats] . Hij zag een man voor de toegangsdeur wild met zijn handen gebaren en stond hem middels de intercom te woord. Hij hoorde hem onsamenhangend schreeuwen: ‘Vrouw dood, in de woning, ik heb het gedaan’. Hij liet de man binnen en hoorde de man zeggen dat hij kort daarvoor zijn vrouw met een mes gestoken had, omdat hij haar helemaal zat was. De man maakte met zijn rechterhand bij zijn keel een snijbeweging. Vervolgens hoorde hij dat de man vertelde dat hij zijn woning aan de [straatnaam] in brand had gestoken. De man overhandigde hem een legitimatiebewijs en gaf op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] (Marokko).19

Op de blouse die verdachte droeg bij zijn aanhouding werd visueel bloed waargenomen, op de rechtermouw. De blouse is voorzien van SIN AALN5591NL.20 Hieruit zijn sporen bemonsterd en onderzocht. Hieruit bleek:

- spoor AALN5591NL#02 bevat een DNA-mengprofiel. Afgeleid DNA-hoofdprofiel van een vrouw. DNA kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard.

- spoor AALN5591NL#03 bevat een DNA-profiel van een vrouw. DNA kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard.21

Op 21 juni 2018 omstreeks 21.45 uur, direct na zijn aanhouding, zijn de handen van verdachte bekeken. Hierop was te zien dat de lichaamsbeharing van beide wijsvingers gedeeltelijk was verbrand. Tijdens de insluiting is zijn kleding, waaronder zijn sandalen en sokken, afgenomen en in papieren zakken gedaan. Nadat de zak waarin zijn riem, sandalen en sokken zaten werd geopend, rook verbalisant een sterke benzinelucht.22 De schoenen werden bemonsterd23 en in dit monster werden vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.24

Getuige [getuige 2] heeft op 21 juni 2018 verklaard dat zij die avond hoorde van de brand en daarna met belde haar vader.25 Hij nam op. Ze zei tegen hem: “Pa, waar ben je? [voornaam] belde me en zei dat er brand bij ons thuis is.” Hij zei: “Ja”. Ze zei: “Waar is ma?” Hij zei: “Ik heb haar vermoord en het huis in brand gestoken”. Hij vertelde haar dat door de telefoon. Drie minuten later heeft ze hem nog een keer gebeld om te bevestigen of het waar is. Ze zei: “Pa, doe eens normaal, waar is ma?” Hij zei: “Ik heb haar echt vermoord en het huis in brand gestoken”.26

Op camerabeelden van het [.] tankstation op het [......] te [plaatsnaam] is te zien dat verdachte op 21 juni 2018 rond 20.30 uur benzine tankt in een zwarte jerrycan met roodkleurige dop.27 Hij vult de jerrycan met 5.4 liter benzine.28 Verdachte is eveneens te zien op verschillende camerabeelden op de route vanaf het tankstation naar zijn woning aan de [straatnaam] en vervolgens weer vanaf zijn woning naar het bureau van politie. Hiervan is door het onderzoeksteam een tijdspad gemaakt met als conclusie dat tussen het moment dat verdachte voor het laatst zichtbaar was op de beelden op weg naar zijn woning en het moment dat hij de woning weer verlaat om naar het politiebureau te gaan 3:52 minuut zit.29

Overige bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

Verbalisant [verbalisant 3] had op 21 juni 2018 late dienst en hoorde dat zijn collega [verbalisant 1] naar een brand gestuurd werd. Omdat het een druk gebied betrof besloten hij en collega [verbalisant 2] collega [verbalisant 1] te gaan ondersteunen. Ze arriveerden tegelijk met [verbalisant 1] . [verbalisant 2] begon met aflinten. [verbalisant 3] zag een agressieve woningbrand die ook naar buiten sloeg en voegde zich bij collega [verbalisant 1] , die bij het portiek in gesprek was met een aantal omstanders. Ze begrepen van hen dat er nog mensen binnen waren. Het was niet duidelijk of dat in de woning was of in het portiek. Door een omstander werd de portiekdeur ingetrapt30 en ze liepen naar boven. [verbalisant 1] belde aan bij nummer [nummeraanduiding] en [verbalisant 3] besloot naar de bovenliggende woningen te gaan.31 Bij alle deuren klopte hij hard en belde hij aan.32 Toen hij op de derde etage was zag hij zwarte rookpluimen in het trappenhuis omhoog komen. Hij rende terug naar beneden naar de tweede etage tot anderhalf. Er kwam zwarte rook het portiek in stromen. Hij zag niets meer en hoorde een hard geluid van het vuur. Er was nog maar één uitweg: terug naar boven. Hij zag een raam en bloempotten. Hij gooide met de bloempot het raam kapot om frisse lucht te krijgen. Hij bleef nog een aantal seconden in het raam zitten, maar merkte dat hij al wat rook binnen gekregen had en dacht: ‘ik moet hier weg, ik moet me laten vallen’. Hij sprong en kwam op een afdakje terecht. De afstand van het raam tot het dakje was 6.20 meter.33

Over de medische situatie van [verbalisant 3] heeft een trauma-arts van het UMC op 25 juni 2018 de volgende verklaring afgelegd. Ten gevolge van de val zijn de beide hielbenen van [verbalisant 3] verbrijzeld. Hij moet hieraan geopereerd worden en na de operatie zal het herstel 6 tot 8 weken zijn. Hij mag in die periode niet op zijn benen staan. Daarna zal hij moeten revalideren, wat zeker 6 maanden zal duren. Het kraakbeen is ernstig beschadigd. [verbalisant 3] zal waarschijnlijk altijd klachten aan beide benen houden. Tijdens de brand heeft hij roetdeeltjes ingeademd. Door [verbalisant 3] werd een longontsteking ontwikkeld.34

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 21 juni 2018 zijn vrouw [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door haar met een mes meermalen in de romp te steken.

Beoordeeld moet worden of verdachte zijn vrouw met voorbedachte rade heeft gedood. Daarvoor moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om zijn vrouw van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij dient het gewicht te worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Verdachte heeft, nadat hij zijn vrouw had gedood, brand gesticht in de woning. Hij heeft daarbij benzine gebruikt die hij die avond rond 20.30 uur heeft getankt. Indien vastgesteld zou kunnen worden dat verdachte eerst benzine heeft getankt en daarna zijn vrouw heeft gedood, zou dit een aanwijzing vormen dat sprake was van een vooropgezet plan om haar van het leven te beroven. Het dossier biedt hiervoor echter geen aanknopingspunten.

Voor het overige is van belang dat uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn vrouw in de dagen voor 21 juni 2018 ruzie hadden en dat verdachte tegen één van zijn dochters heeft gezegd dat ze zijn vrouw bij hem moesten weghouden, omdat hij haar anders zou doodmaken. Deze enkele opmerking biedt echter onvoldoende steun voor de aanname dat verdachte daadwerkelijk bezig is geweest met het voorbereiden van haar dood. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig en die kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen.

De rechtbank is daarom – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat sprake is van voorbedachte raad, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van moord.

De rechtbank acht verdachte schuldig aan doodslag op zijn vrouw.

Conclusie met betrekking tot feit 2

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2, opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat verbalisant [verbalisant 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hiervoor, onder feit 2, is vastgesteld dat verdachte brand heeft gesticht in een flatwoning, op de eerste verdieping van een appartementencomplex met drie woonlagen. Hij heeft hiermee een groot risico genomen. Daarbij gebruikte verdachte zoveel benzine dat het raamkozijn van de woonkamer in zijn geheel uit de voorgevel sprong. Mede hierdoor kon de brand zich in korte tijd heftig ontwikkelen. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 3] en zijn collega’s bij de flat arriveerden werd door omstanders aangegeven dat zich nog mensen in de flatwoningen aan het betreffende portiek zouden kunnen bevinden. De brandweer was nog niet aanwezig. Verbalisant [verbalisant 3] handelde op dat moment zoals van hem verwacht mocht worden: hij ging het portiek in, ging de deuren van bovengelegen woningen langs, belde aan en klopte hard op de deuren om aanwezigen te waarschuwen. Terwijl hij op de bovenste verdieping was, vulde het trappenhuis zich met zwarte rook en kon hij niet meer langs dezelfde weg terugkeren. Hij moest zich via een raam naar buiten werken en zich daarna naar beneden laten vallen. Hierbij liep hij zwaar lichamelijk letsel op.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedragingen van verdachte een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg. Het was immers verdachte die de brand op deze plek en op deze manier stichtte. Vervolgens kan het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte worden toegerekend. Alle andere flatwoningen in het portiek waren bewoond en de brand woedde op een tijdstip dat een grote kans bestaat dat bewoners thuis zijn. Verdachte had kunnen voorzien dat omstanders dan wel hulpverleners zouden proberen andere flatbewoners te waarschuwen. Het verweer van de verdediging hieromtrent wordt dan ook verworpen.

Op grond van alle omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, merkt de rechtbank het bewezen verklaarde gedrag van verdachte aan als roekeloos.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 21 juni 2018 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen voornoemde [slachtoffer] met een mes in de romp en de nek gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2

op 21 juni 2018 te [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan

de [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in voornoemde woning een hoeveelheid benzine over goederen gegoten en vervolgens opzettelijk open vuur in

aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor nabijgelegen woningen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

feit 3

op 21 juni 2018 te Utrecht roekeloos brand in een woning heeft gesticht waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [verbalisant 3] (politieambtenaar) zwaar lichamelijk letsel, te weten een longontsteking en verbrijzelde hielbenen heeft bekomen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 doodslag;

Feit 2 de eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Feit 3 aan zijn schuld te wijten dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 14 mei 2019 van de deskundigen M.D. van Ekeren, psychiater en J. Heerschop, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie [...] ( [...] ).

Verdachte is gedurende zeven weken in het [...] geobserveerd door een team bestaande uit deskundigen van verschillende vakgebieden. Ook heeft een milieuonderzoek plaatsgevonden, waarbij de levensgeschiedenis en de sociale omgeving van verdachte in kaart zijn gebracht. Daarnaast is neurologisch onderzoek verricht. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek deels geweigerd.

De deskundigen rapporteren dat verdachte zich aanvankelijk zeer kwetsbaar en ziekelijk voordoet en geheugenstoornissen claimt. Tijdens het onderzoek wordt echter juist een stevige, trotse, vitale man gezien, die weliswaar voortdurend noemt lichamelijke klachten te hebben, maar bij wie geen aanwijzingen zijn dat sprake is van een ziekelijke stoornis.

Ondanks zijn beperkte medewerking kunnen verschillende psychiatrische stoornissen worden uitgesloten. Er zijn evenmin aanwijzingen voor een neurologisch dan wel neurodegeneratief beeld. Ook voor organisch bepaalde stoornissen die tot geheugenverlies kunnen leiden, zoals dementieën, zijn geen aanwijzingen. Het onderzoekend team acht het onwaarschijnlijk dat er voorafgaande aan de ten laste gelegde feiten sprake zou zijn geweest van een psychotische realiteitsvertekening, in het bijzonder een waanstoornis. Een dergelijke stoornis is in het algemeen zeer hardnekkig, verdwijnt niet spontaan en is zeer moeilijk te behandelen. Uitingen van een dergelijke stoornis worden bij verdachte helemaal niet waargenomen.

Geconcludeerd wordt dat geen ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan worden onderbouwd en dat er geen aanwijzingen zijn voor een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank onderschrijft de overwegingen en conclusies van de deskundigen en neemt deze over.

Er is ook voor het overige geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 20 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor de strafmaat verwezen naar uitspraken van rechtbanken en hoven in de afgelopen jaren in soortgelijke ernstige zaken, waarbij straffen van tussen de 10 en 12 jaren gevangenisstraf zijn opgelegd. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de hoge leeftijd van verdachte. Een straf in de lijn van de eis van de officier van justitie, zou voor verdachte gelijk staan aan levenslang.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte heeft op 21 juni 2018 zijn vrouw om het leven heeft gebracht, door haar met een mes meermalen in de rug en eenmaal in de nek te steken. Daarna heeft hij brand gesticht in hun flatwoning.

Verdachte heeft zijn eigen echtgenote van haar leven beroofd. Door haar het recht op leven, het grootste goed dat een mens heeft, te ontnemen heeft verdachte één van de zwaarste misdrijven uit het strafrecht gepleegd. Verdachte deed dit bij de moeder van zijn elf kinderen, met wie hij al vele jaren samen leefde. Hij doodde haar in hun gezamenlijke woning, waar zij samen de kinderen hebben opgevoed.

Uit de slachtofferverklaringen van de kinderen blijkt dat hun moeder een belangrijke rol vervulde in het familieleven. Ze moeten haar nu missen – en het gemis is enorm. Verdachte heeft zijn (klein)kinderen een onherstelbaar verlies en groot verdriet aangedaan. Door de felle brand die in de woning heeft gewoed hebben de kinderen geen waardig afscheid van hun moeder kunnen nemen. Haar lichaam was daarvoor te veel aangetast en de kinderen hebben afscheid moeten nemen van een kist, met de wetenschap dat daarin hun zwaar verminkte moeder lag. Ook hun ouderlijke woning, waar ze als gezin jarenlang woonden en elkaar nog met regelmaat ontmoetten, is verloren gegaan. Deze daad heeft niet alleen tot een enorm verdriet en boosheid bij zijn kinderen geleid, maar ook tot onbegrip: verdachte heeft ook tegenover zijn eigen kinderen op geen enkele wijze inzicht willen geven in zijn motieven voor zijn vreselijke daden. Dit zijn allemaal omstandigheden waarmee verdachte zijn kinderen extra leed heeft aangedaan – en nog steeds aandoet.

Na de doodslag heeft verdachte brand gesticht in de woning, een portiekflat op de eerste verdieping met twee woonlagen daarboven en andere woningen ernaast. Dit gebeurde op een moment dat bewoners veelal thuis zijn. Bovendien gebruikte verdachte bij de brandstichting zoveel benzine dat een explosie plaatsvond en het raamkozijn van de woning uit de voorgevel op het trottoir terechtkwam en het vuur zich tot een verwoestende brand kon ontwikkelen. Die brand had tot veel meer ernstige gevolgen kunnen leiden.

De gevolgen van de brand worden ook nog dagelijks ondervonden door politieambtenaar [verbalisant 3] . Hij probeerde andere flatbewoners te waarschuwen en kwam zelf in levensgevaar, waardoor hij van grote hoogte naar beneden moest springen en zwaar lichamelijk letsel opliep. Uit de onderbouwing van zijn vordering benadeelde partij blijkt dat hij operaties heeft moeten ondergaan en een lange periode van intensieve revalidatie achter de rug heeft. In het komende half jaar zal hij opnieuw geopereerd moeten worden, waarna weer revalidatie volgt. Op dit moment is de medische eindsituatie nog niet bereikt, maar de verwachting is dat hij niet helemaal zal herstellen.

Al deze omstandigheden zijn strafverzwarend.

De persoon van verdachte

Verdachte is niet eerder met politie en/of justitie in aanraking gekomen. In verband met de buitengewone ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, speelt die omstandigheid echter geen rol van betekenis. Hetzelfde geldt voor de leeftijd van verdachte.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Hij heeft zich weliswaar direct nadat hij de feiten had gepleegd gemeld bij de politie, maar vervolgens heeft hij geen openheid van zaken gegeven en heeft hij niet willen verklaren wat hem tot zijn daden heeft gebracht. Ter zitting heeft hij spijt betuigd, maar claimde hij tegelijkertijd geheugenverlies met betrekking tot de periode dat hij de strafbare feiten pleegde. Zoals hiervoor bij de bespreking van het rapport van het [...] al aan de orde kwam, is in het onderzoek door de deskundigen geen grond gevonden voor dit geclaimde geheugenverlies. Bovendien heeft verdachte kort na zijn daad tegenover één van zijn dochters wel verklaard dat hij de strafbare feiten heeft gepleegd en was hij zich op dat moment kennelijk wel bewust van wat hij had gedaan. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat dit geclaimde geheugenverlies een onderdeel van de gekozen proceshouding van verdachte is. Voor de kinderen zal dit bijzonder pijnlijk zijn.

De straf

Naar het oordeel van de rechtbank kan op het plegen van dergelijk ernstige strafbare feiten als hiervoor genoemd niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank kijkt wat de hoogte van de straf betreft allereerst naar feit 1, de doodslag. Voor dit feit zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Elke zaak is immers uniek en laat zich niet of nauwelijks met andere zaken vergelijken. Iedere afzonderlijke doodslag draagt een aantal specifieke elementen in zich. Gelet op het wettelijk strafmaximum gesteld op dit bewezen verklaarde feit (te weten 15 jaar), de straffen die – op onderdelen – in vergelijkbare zaken door rechtbanken en gerechtshoven zijn opgelegd en alle hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden, acht de rechtbank voor feit 1 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar passend en geboden.

Vervolgens kijkt de rechtbank naar feit 2, de opzettelijke brandstichting waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Op dit feit is eveneens een wettelijk strafmaximum van 15 jaar gesteld. Ook voor dit feit zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft ook hierbij allereerst gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken door rechtbanken en gerechtshoven zijn opgelegd. Bij de hoogte van de straf voor dit feit zal de rechtbank ook de gevolgen die de brandstichting voor politieagent [verbalisant 3] heeft gehad betrekken, zoals ten laste gelegd als feit 3. Maar ook de omstandigheid dat verdachte met deze brand het lichaam van zijn echtgenoot, de moeder van zijn kinderen, zodanig heeft verminkt dat zij geen waardig afscheid van haar hebben kunnen nemen, en dat hij het ouderlijk huis en de herinneringen van de kinderen daaraan heeft verwoest, weegt de rechtbank hier mee.

Gelet hierop en gelet op de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden acht de rechtbank voor feit 2 en 3 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar passend en geboden.

De rechtbank komt daarmee voor het bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

9 BENADEELDE PARTIJEN

9.1

De vorderingen

De kinderen [achternaam van verdachte]

De kinderen [achternaam van verdachte] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen ieder een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

Stichting [naam stichting]

De benadeelde partij Stichting [naam stichting] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 95.399,99. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

[verbalisant 3]

De benadeelde partij [verbalisant 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een totaalbedrag van € 13.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich wat de vorderingen van de kinderen [achternaam van verdachte] en woningbouwvereniging [naam stichting] betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van [verbalisant 3] dient, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 3, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

9.4.1

De kinderen

De kinderen van verdachte en het slachtoffer hebben zich allen gevoegd in het strafproces en vorderen ieder voor zich een immateriële schadevergoeding ter grootte van € 17.500,-. Dit betreft zogenoemde shockschade. Ter onderbouwing van de vordering wordt allereerst aangevoerd dat de mededeling dat hun vader hun moeder heeft neergestoken en daarna het ouderlijk huis in brand heeft gestoken, een heftige shock heeft veroorzaakt. Vervolgens veroorzaakte de omstandigheid dat hun moeder zodanig verbrand was dat zij haar niet meer konden zien en niet fysiek afscheid konden nemen een nog grotere shock. Ter zitting is de onderbouwing aangevuld met de omstandigheid dat de kinderen na de brand in de woning zijn geweest en daar de bloedsporen hebben gezien, hetgeen ook onuitwisbare indrukken heeft achtergelaten. Bij alle kinderen is PTSS gediagnosticeerd.

De rechtbank overweegt dat het evident is dat de bewezen verklaarde feiten enorme impact hebben op het leven van de kinderen. Het heeft hun leven geheel en voorgoed veranderd. Ook is het volstrekt begrijpelijk dat dit alles psychische gevolgen voor hen heeft. Op basis van nieuwe wetgeving, die op 1 januari 2019 in werking is getreden, zouden de kinderen aanspraak kunnen maken op affectieschade. Deze wet was echter op de dag van het overlijden van hun moeder, te weten [overlijdensdatum] 2018, nog niet in werking getreden en om die reden nog niet van toepassing op de vorderingen van de kinderen van verdachte in deze zaak.

De vorderingen dienen dan ook beoordeeld te worden op juridische criteria die gelden voor shockschade. Volgens vaste jurisprudentie moet daarvoor sprake zijn van geestelijk letsel, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, hetgeen zich met name voor zal doen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die, zoals in deze zaak, door het misdrijf om het leven is gekomen.

De kinderen hebben de doodslag op hun moeder niet waargenomen. De vraag is daarom of vastgesteld kan worden dat hun geestelijk letsel is ontstaan als gevolg van een hevige schok door de directe confrontatie met de gevolgen van de doodslag. Bijna alle kinderen hebben op 21 juni 2018 de brand van hun ouderlijk huis waargenomen. Zij hebben te horen gekregen dat hun vader hun moeder zou hebben gedood. De brand staat echter, achteraf gezien, los van het overlijden van hun moeder en kan niet als een gevolg van de doodslag worden gezien. Ook de mededeling dat hun vader hun moeder zou hebben gedood, hoe ingrijpend en verschrikkelijk die mededeling ook is, vormt in juridisch opzicht geen confrontatie, nu daarbij geen sprake is van een fysieke confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. De confrontatie met informatie uit het strafdossier en de bezichtiging van de uitgebrande woning kunnen, gelet op het tijdsverloop, niet als een dírecte confrontatie met de gevolgen van het feit worden beschouwd.

Daarmee kan thans niet worden vastgesteld dat het geestelijk letsel een gevolg is van de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de doodslag. Dit maakt dat een juridische grondslag aan de vorderingen ontbreekt. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk wordt verklaard in hun vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

9.4.2.

Stichting [naam stichting]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van Stichting [naam stichting] , niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 95.399,99 (zegge vijfennegentigduizend driehonderdnegenennegentig euro en negenennegentig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

9.4.3

[verbalisant 3]

heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 13.500,-- gevorderd. De rechtbank begrijpt hieruit dat de benadeelde partij zich voor een deel van zijn schade in dit strafproces heeft gevoegd, onder voorbehoud van het recht het restant bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [verbalisant 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 13.500,-- (zegge dertienduizend vijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [verbalisant 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 55, 57, 157, 287 en 308 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde – te weten: de moord – niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 jaren;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

Benadeelde partijen kinderen [achternaam van verdachte]

- verklaart de benadeelde partijen:

- [naam] , geboren in 1971;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1973;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1975;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1977;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1979;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1981;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1983;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1985;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1987;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1989;

- [naam] , geboren [geboortedatum] 1997

allen niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vorderingen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

Benadeelde partij Stichting [naam stichting]

- wijst de vordering van Stichting [naam stichting] toe tot een bedrag van € 95.399,99;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan Stichting [naam stichting] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2018 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [verbalisant 3]

- wijst de vordering van [verbalisant 3] toe tot een bedrag van € 13.500,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [verbalisant 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 21 juni 2018 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 3] aan de Staat

€ 13.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2018 tot de

dag van volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hierboven beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, mrs. E.W.A. Vonk en H.E. Spruit, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juli 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij, op of omstreeks 21 juni 2018, te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en

rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, voornoemde [slachtoffer] met een mes,

in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de romp en/of de nek, in

elk geval in het (boven)lichaam gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

feit 2

hij, op of omstreeks 21 juni 2018, te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan

de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in

voornoemde woning een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, over

een of meer goed(eren) gegoten, en/of (vervolgens) (met) een (brandend)

voorwerp voornoemd(e) goed(eren) in brand gestoken, althans in de nabijheid

van voornoemd(e) goed(eren) gehouden, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarbij voornoemd(e) goed(eren) en/of voornoemde woning geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor één of meer nabijgelegen woningen en/of zich in die

woningen bevindende personen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor één of meer personen, in elk

geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

feit 3

hij, of omstreeks 21juni 2018, te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-

Nederland, roekeloos, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of

nalatig brand in een woning heeft gesticht waardoor het aan zijn schuld te wijten

is geweest dat [verbalisant 3] (politieambtenaar) zwaar lichamelijk letsel, te weten

een longontsteking en/of verbrijzelde hielbenen heeft bekomen, althans zodanig

lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening

van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

art 308 Wetboek van Strafrecht

1 De weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 november 2018, genummerd 2018177610, opgemaakt door Politie eenheid Midden-Nederland, district Stad-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 648. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

3 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] d.d. 24 juni 2018, pagina 59 en 60

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2018, pagina 39

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , d.d. 24 juni 2018, pagina 70 en 71

6 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 6 augustus 2018, pagina 507

7 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 508

8 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 10] d.d. 24 juni 2018, forensisch dossier pagina 29

9 Voornoemd bewijsmiddel, forensisch dossier pagina 31

10 Rapport van deskundige [G] d.d. 30 juli 2018, forensisch dossier pagina 249

11 Rapport van dr. [H] arts en patholoog, d.d. 21 augustus 2018, forensisch dossier pagina 203

12 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 204

13 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] en [K] d.d. 4 juli 2018, forensisch dossier pagina 54

14 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 54

15 Rapport van ing [I] , deskundige chemisch brandonderzoek, d.d. 18 juli 2018, forensisch dossier pagina 220

16 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] en [K] d.d. 4 juli 2018, forensisch dossier pagina 53

17 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 55

18 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 56

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2018, pagina 50

20 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] d.d. 16 juli 2018, forensisch dossier pagina 161

21 Rapport van ing. [J] d.d. 11 oktober 2018, forensisch dossier pagina 241

22 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] d.d. 24 juni 2018, forensisch dossier pagina 19 en 20

23 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 10] d.d. 24 juni 2018, forensisch dossier pagina 33

24 Rapport van ing. [I] , d.d. 13 september 2018, forensisch dossier pagina 226

25 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 22 juni 2018, pagina 198

26 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 199

27 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 13] , d.d. 24 juni 2018, pagina 170 en 172.

28 Een geschrift, te weten journaaloverzicht met transacties [.] , [adres] [plaatsnaam] , pagina 168

29 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 13] , d.d. 8 augustus 2018, pagina 193

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 3] , opgemaakt door de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2019, pagina 3

31 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 4

32 Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 3] , d.d. 25 juni 2018, pagina 488

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 3] , opgemaakt door de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2019, pagina 4 en 5

34 Proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 14] d.d. 25 juni 2018, met verklaring trauma arts [L] , pagina 499 en 500