Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:301

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
UTR 17/3976-T
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBMNE:2019:2464
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Nadeelcompensatie Lelystad Airport. De rechtbank vindt dat verweerder het verzoek om nadeelcompensatie niet op juiste wijze heeft beoordeeld en stelt verweerder in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3976-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S. Procee).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2017 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu (nu: de minister van Infrastructuur en Waterstaat) het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en geluidsdeskundige [A] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en kantoorgenoot mr. M.G. Nielen, vergezeld van [B] , werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

1. Eiseres is sinds 1996 eigenaar van de woning [adres] te [woonplaats] . De woning staat in de ten noorden van Lelystad Airport gelegen [naam] . Bij besluit van 12 maart 2015 is voor de beoogde uitbreiding van Lelystad Airport een luchthavenbesluit vastgesteld op grond van de Wet luchtvaart (hierna: het Luchthavenbesluit). Eiseres vreest voor onaanvaardbare geluidsoverlast van het vliegverkeer als gevolg van dit Luchthavenbesluit. Zij voelt zich door haar persoonlijke omstandigheden genoodzaakt om te gaan verhuizen voordat de uitbreiding van Lelystad Airport is gerealiseerd.

2. Op 3 juni 2015 heeft eiseres een verzoek om nadeelcompensatie bij verweerder ingediend. Verweerder heeft een onafhankelijke adviescommissie ingeschakeld ter beoordeling van dit verzoek. De adviescommissie Nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu Luchthavenbesluit Lelystad (hierna: de adviescommissie) heeft de gevolgen van het Luchthavenbesluit voor eiseres onderzocht en de resultaten van het onderzoek neergelegd in het advies van 28 februari 2017 (hierna: het advies). De adviescommissie heeft kortgezegd geconcludeerd dat eiseres geen schade lijdt als gevolg van het Luchthavenbesluit. Daarom is geadviseerd om eiseres geen schadevergoeding op grond van de Wet luchtvaart toe te kennen. Het advies ligt grondslag aan de besluitvorming.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd gericht tegen de uitgangspunten en de bevindingen van het advies.

4. Volgens vaste rechtspraak dient ter beantwoording van de vraag of recht op nadeelcompensatie bestaat, anders dan bij een verzoek om planschadevergoeding, geen vergelijking van opvolgende juridische regimes te worden gemaakt, maar een vergelijking van het juridische regime dat is vastgesteld voor een beperkte groep burgers, met het juridische regime dat is vastgesteld voor burgers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 9 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9040.

5. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat uit het advies niet blijkt dat bij de beoordeling van het verzoek een vergelijking is gemaakt zoals beschreven in de uitspraak van 9 april 2008.

6. De rechtbank stelt vast dat in het advies eerst een vergelijking is gemaakt tussen het toegestane gebruik van Lelystad Airport tot 1 april 2015 en de situatie als gevolg van de inwerkingtreding van het Luchthavenbesluit per 1 april 2015. De adviescommissie concludeert dat de geluidssituatie als gevolg van de inwerkingtreding van het Luchthavenbesluit beperkt is veranderd. Voorheen werd op de locatie geen geluidsbelasting van enige betekenis ondervonden. In de nieuwe situatie neemt de te verwachten geluidsbelasting in beperkte mate toe. Na deze vergelijking heeft de adviescommissie gekeken naar wat deze verslechtering betekent voor de concrete situatie van eiseres. De adviescommissie vindt dat geen sprake is van een zodanige verslechtering van de geluidssituatie ter plaatse van de woning van eiseres, dat sprake is van waardevermindering van de woning. Bij deze beoordeling is met de persoonlijke omstandigheden van eiseres – overgevoeligheid voor geluid – rekening gehouden. De adviescommissie is tot de conclusie gekomen dat eiseres geen schade lijdt als gevolg van het Luchthavenbesluit.

7. De rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde wijze van beoordelen van het verzoek om nadeelcompensatie bezien in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van 9 april 2018 niet toereikend is. Uit het advies komt onvoldoende naar voren dat het juridische regime dat voor eiseres is vastgesteld is vergeleken met het juridische regime dat geldt voor burgers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat, na de juridische vergelijking van de opvolgende regimes ten aanzien van geluidsbelasting, door de adviescommissie is gekeken naar de specifieke situatie van eiseres, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank geen vergelijking zoals bij de beoordeling van een verzoek om nadeelcompensatie is vereist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie niet op een deugdelijke motivering berust. Omdat in het advies niet de juiste vergelijking is gemaakt, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

8. Zoals in de vorige overweging is geoordeeld, is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder het verzoek om nadeelcompensatie beoordelen aan de hand van de juiste vergelijkingsmaatstaf zoals verwoord in de uitspraak van 9 april 2008. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

9. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in ’t Veld, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.