Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:3005

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
16/706278-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

10 jaar gevangenisstraf voor het met 27 messteken om het leven brengen van vriendin. Geen voorbedachte raad: vrijspraak moord. Doodslag bewezen. Feitelijke grondslag voor het beroep op noodweerexces niet aannemelijk geworden: beroep op noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/706278-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 juli 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,
gedetineerd in het PPC in Den Haag.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. A. Drogt en M. Kamper en van hetgeen verdachte en mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en mr. J.A.J.M.I. van Laake, advocaat te Mill, namens [benadeelde 3] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 6 juli 2018 te Hilversum, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp in haar lichaam te steken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben hun standpunt in een schriftelijk requisitoir uiteengezet en dit ter zitting aan de rechtbank overgelegd. Zij achten de impliciet primair ten laste gelegde moord wettig en overtuigend te bewijzen. Zij hebben daarvoor onder meer verwezen naar de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] meerdere malen met een mes heeft gestoken, het forensische (geneeskundig) onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] en de app-berichten die op 6 juli 2018 tussen [slachtoffer] en getuige (een vriendin van [slachtoffer] ) [getuige 1] zijn uitgewisseld. Uit deze app-berichten blijkt dat [slachtoffer] zich aan verdachte begon te ergeren en dat zij wilde dat hij de woning zou verlaten. Verdachte zou deze berichten mogelijk hebben gelezen en daar boos om zijn geworden. Het is aannemelijk dat dit de aanleiding is geweest voor verdachte om gewapend met een mes de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan terwijl [slachtoffer] onder de douche stond. Verdachte heeft [slachtoffer] onverhoeds overvallen en er door het sluiten van de deur van de badkamer voor gezorgd dat zij niet heeft kunnen vluchten. Deze feitelijkheden geven blijk van een weloverwogen beslissing. Verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat de officieren van justitie moord bewezen achten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft haar standpunt in een pleitnota schriftelijk uiteen gezet en deze ter terechtzitting aan de rechtbank overgelegd. Zij heeft vrijspraak bepleit van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

Verdachte verklaart dat hij en [slachtoffer] seks hadden gehad, dat hij daarna ging douchen en dat [slachtoffer] toen zonder enige aanleiding schreeuwend met een groot mes in haar hand op hem kwam afgerend. Zij zag er op dat moment uit alsof zij bezeten was. Verdachte heeft, nog voor hij kon worden gestoken, het mes ter verdediging van haar afgepakt, het mes omgedraaid en haar vervolgens meerdere malen gestoken in de douche. Dit scenario van verdachte komt overeen met alle bewijsmiddelen. De rechtbank moet dit feitelijke scenario daarom ten grondslag leggen aan haar juridisch oordeel. De ten laste gelegde voorbedachte raad kan niet bewezen worden; bij verdachte is immers geen sprake geweest van bedaard nadenken voorafgaand aan het neersteken van [slachtoffer] in de badkamer. Van moord is geen sprake. Ten aanzien van de bewezenverklaring van doodslag heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

Bewijsmiddelen

Op 26 juli 2018 is door arts en patholoog dr. H.H. de Boer een rapport ‘Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’ opgesteld. De arts heeft een in- en uitwendige schouwing gedaan aan het lichaam van [slachtoffer] , dood aangetroffen te [woonplaats] , [adres] , op 9 juli 2018 omstreeks 11.15 uur. Daarbij is het volgende gebleken:

Aan het lichaam zijn in totaal 27 steekletsels en 1 snijletsel geconstateerd. Het overlijden wordt verklaard door bloedverlies, longfunctiestoornissen, of een combinatie hiervan, door 1 steekletsel in de hals en 5 steekletsels in de romp. De overige 21 steekletsels en het ene snijletsel kunnen hebben bijgedragen aan het overlijden middels bloedverlies.1

De verdachte heeft ter terechtzitting van 18 juni 2019 onder meer verklaard:

‘Op 6 juli 2018 heb ik [slachtoffer] met een mes gestoken. Ik heb haar eerst in haar buik gestoken. Ik weet niet hoe vaak en waar ik haar gestoken heb.’

Bewijsoverwegingen

Doodslag

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat verdachte [slachtoffer] 27 keer met een mes heeft gestoken en 1 keer heeft gesneden. Uit het pathologisch onderzoek van het NFI is gebleken dat verdachte [slachtoffer] (onder meer) in haar hals en in haar romp heeft gestoken, als gevolg waarvan zij is overleden. Op grond van deze gedragingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Geen voorbedachte raad

De rechtbank acht, anders dan de officieren van justitie, niet bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ (en daarmee voor de bewezenverklaring van moord) moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

Ter zitting heeft verdachte de rechtbank beperkt inzicht gegeven in hetgeen er voor en ten tijde van het neersteken van [slachtoffer] in hem is omgegaan. Uit het dossier blijkt wél dat verdachte de avond van 6 juli 2018 omstreeks 18:28 uur nog telefonisch contact heeft gehad met getuige [getuige 2] (een vriend van verdachte), die heeft verklaard dat verdachte tijdens dat gesprek heel relaxt klonk. Verdachte heeft verder zelf verklaard dat hij vlak voor het neersteken van [slachtoffer] nog plezierige seks met haar heeft gehad en dat er geen ruzie is geweest. Deze feiten en omstandigheden wijzen niet in de richting van een daadwerkelijk vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De officieren van justitie hebben gewezen op de appberichten op de telefoon van [slachtoffer] waaruit bleek dat zij hem mogelijk weg wilde hebben en voeren aan dat hij hier boos over was. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat verdachte van de inhoud van de appberichten op de hoogte was, is de inhoud van deze berichten, ook als verdachte hiervan op de hoogte was, op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring van de voorbedachte raad.

De rechtbank ziet een contra-indicatie voor de voorbedachte raad in de omstandigheid dat verdachte op 6 juli 2018 kort na 21:30 uur heeft geprobeerd zichzelf van het leven te beroven en in de omstandigheden waaronder verdachte deze zelfmoordpoging ondernam. Verdachte heeft een aantal libidopillen, ontsmettingsalcohol en MDMA ingenomen en is vervolgens op de A27 voor een auto gelopen. De rechtbank lijdt uit deze omstandigheden af dat verdachte – zoals hij zelf ook verklaard – na het neersteken van [slachtoffer] in de war en in shock was. Deze omstandigheden duiden niet op een voorbedacht plan of een na kalm beraad genomen besluit om [slachtoffer] neer te steken. Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van moord.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 6 juli 2018 in de gemeente Hilversum opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten het scenario van verdachte dat hij is aangevallen door [slachtoffer] met een mes toen hij onder de douche stond, niet aannemelijk. Indien wel van dit scenario wordt uitgegaan, wijzen de officieren van justitie erop dat verdachte het mes naar eigen zeggen direct van [slachtoffer] heeft kunnen afpakken, nog voordat hij enig letsel door de aanval had opgelopen. De agressor was op dat moment dus geen agressor meer. [slachtoffer] was voor verdachte qua fysieke kracht ook geen partij. Verdachte had haar makkelijk opzij kunnen duwen en de badkamer kunnen verlaten. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding had op eenvoudige en niet-strafbare wijze kunnen worden voorkomen dan wel afgewend. De gestelde verdediging was daarom niet noodzakelijk. Reeds daarom komt verdachte geen beroep toe op noodweer(exces). De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat verdachte zelfs geen beroep toekomt op noodweer(exces) als toch zou worden uitgegaan van een noodweersituatie waarin verdachte zich mocht verdedigen. De wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd – namelijk met 27 messteken – afgezet tegen de gestelde aanval van [slachtoffer] is in dat geval zodanig disproportioneel dat die verdachte niet kan disculperen. Bovendien is bij verdachte geen sprake geweest van een hevige door de aanranding door [slachtoffer] veroorzaakte gemoedsbeweging die de disproportionele reactie van verdachte tot gevolg heeft gehad.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat sprake is van noodweerexces en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft gesteld dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond op het moment dat [slachtoffer] al schreeuwend met een groot mes onverwacht op hem kwam afgerend. Verdachte bevond zich achter in een kleine badkamer en kon zich niet aan de aanval onttrekken. Op dat moment was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen verdachte zich moest en mocht verdedigen. Verdachte verkeerde in doodsangst. Als gevolg van die hevige gemoedsbeweging is hij in zijn reactie op de agressie van [slachtoffer] te ver doorgeschoten. Dat op het moment dat verdachte het mes van [slachtoffer] had afgepakt er mogelijk geen noodweersituatie bestond, vormt geen beletsel om het beroep op noodweerexces te honoreren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling van het beroep op noodweerexces is relevant dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
De raadsvrouw doet een beroep op deze laatste situatie (b).

Om te beoordelen of het beroep op noodweerexces kan slagen moet de rechtbank beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van het noodweer(exces)verweer, mag de rechtbank daarbij niet uitsluitend op de verdachte leggen.

De door verdachte geschetste feitelijke toedracht komt er op neer dat verdachte en [slachtoffer] op 6 juli 2018 seks met elkaar hadden gehad die voor beiden fijn en bevredigend was geweest. Verdachte is daarna gaan douchen en [slachtoffer] had gezegd dat zij ook zo naar de douche zou komen. Enkele ogenblikken daarna, terwijl verdachte net onder de douche stond, zou [slachtoffer] schreeuwend en als een bezetene op hem af zijn komen rennen met een mes. In doodsangst heeft verdachte vervolgens het mes van haar afgepakt en haar daarmee 27 keer gestoken. Deze feitelijke toedracht rechtvaardigt volgens de verdediging een beroep op noodweerexces.

Naar het oordeel van de rechtbank is de feitelijke grondslag van dit beroep op noodweerexces – dus het door verdachte geschetste scenario – op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting echter onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Wanneer er een beroep op noodweerexces wordt gedaan, mag het van degene die zich daarop beroept, gelet op de verstrekkende gevolgen van een geslaagd beroep op noodweerexces, worden verwacht dat hij de door hem geschetste gang van zaken zo veel als mogelijk aannemelijk maakt. De last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van het noodweer(exces)verweer mag de rechtbank daarbij niet uitsluitend op de verdachte leggen. Verdachte heeft door op veel vragen, zowel van de politie als van de rechtbank, geen commentaar te willen geven, geen volledige openheid van zaken gegeven. Onduidelijk is daardoor gebleven wat zich precies heeft afgespeeld in de anderhalve dag die verdachte en [slachtoffer] al samen waren vóór de vrijdag dat zij werd doodgestoken en wat er op die dag zelf precies is gebeurd.

De verklaring van verdachte komt er feitelijk op neer dat [slachtoffer] verdachte ‘uit het niets’ zou hebben aangevallen, althans dat haar stemming in een tijdsbestek van enkele minuten volledig zou zijn omgeslagen. Het dossier biedt, behalve de verklaring van verdachte, echter geen aanknopingspunten voor een dergelijke gang van zaken.
Uit het onderzoek is gebleken dat met de telefoon van [slachtoffer] op 6 juli 2018 tussen 16:39 uur en 16:58 uur appberichten zijn gestuurd naar getuige [getuige 1] . Uit deze berichten blijkt dat [slachtoffer] zich aan verdachte begint te irriteren, dat ze vindt dat hij weg moet en dat hij zo ook zal gaan. Verdachte heeft ter terechtzitting ook bevestigd dat de bedoeling was dat hij die dag weer weg zou gaan, maar zegt dat hij van enige irritatie niets heeft bemerkt. In de appberichten met [getuige 1] noemt [slachtoffer] verdachte ‘een beetje een Devin persoon’. Getuige [getuige 1] heeft later verklaard dat Devin een bekende van haar en [slachtoffer] is en een beetje een gewelddadig en dominant persoon. Om 18:37 uur is met de telefoon van [slachtoffer] nog het appbericht “Morgen komt beter uit” gestuurd naar ene [naam] , nadat deze had geïnformeerd wanneer er weer gewerkt zou gaan worden. In deze feiten en omstandigheden kan geen aanwijzing worden gevonden voor een grote of plotselinge omslag in de stemming van [slachtoffer] . Uit de verklaringen die zijn afgelegd over het karakter van [slachtoffer] blijkt ook niet dat zij een explosief karakter had. Zo heeft haar ex-vriend, getuige [getuige 3] , met wie zij anderhalf jaar samen heeft gewoond terwijl zij een relatie hadden en ook daarna nog, verklaard dat als [slachtoffer] al boos werd, er vooraf iets gebeurd moest zijn, dat ze niet ‘zomaar begon te flippen’. [slachtoffer] kon flink boos worden, maar niet zonder enige aanleiding, zo blijkt ook uit verklaringen van andere getuigen. Dat zich iets tussen [slachtoffer] en verdachte heeft voorgedaan waardoor zij boos is geworden blijkt niet uit het dossier en is door verdachte overigens ook niet verklaard.

Verdachte heeft niet willen verklaren hoe hij in de avond van 4 juli 2018 aan een snee van 4,5 cm in zijn gezicht is gekomen, waarom hij zo bang was dat hij die nacht Rotterdam wilde verlaten, hoe hij van Rotterdam naar Hilversum is gereisd in de vroege ochtend van 5 juli 2018, waarom hij die nacht negen keer telefonisch contact heeft gehad met getuige [getuige 4] , hoe hij aan de XTC kwam die hij in zijn bezit had en wat hij daarmee moest, ondanks dat hij naar eigen zeggen nog nooit XTC had gebruikt en dit niet voor hem was bestemd. Ook over de gebeurtenissen op vrijdag 6 juli 2018 zelf heeft verdachte vragen beantwoord met ‘geen commentaar’. Vast staat dat verdachte om ongeveer 21:30 uur naar de A27 is gelopen om voor een auto te springen. Het neersteken van [slachtoffer] heeft daarvoor plaatsgevonden, maar onduidelijk is gebleven hoe laat dit is gebeurd. De telefoon van [slachtoffer] is tussen 18:41 uur en 20:32 uur nog gebruikt voor zoekopdrachten op internet en Google Maps. Verdachte heeft niet willen beantwoorden of hij hiervoor [slachtoffer] ’s telefoon heeft gebruikt. Ook heeft verdachte geen duidelijkheid gegeven over de vraag waarom hij op diverse tijdstippen tussen 16:56 uur en 21:22 uur (dus tot kort voor hij de A27 op loopt) telefonisch contact heeft gezocht met diverse getuigen. Daarbij komt dat waar verdachte wel over heeft verklaard met betrekking tot de feitelijke gang van zaken voorafgaand aan het steekincident, hij op punten niet consistent is en zijn verklaring ook hier vragen oproept. Zo is op het moment dat het lichaam van [slachtoffer] werd gevonden, haar pruik in de wasbak aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat het een pruik betrof die afgezet moet worden bij het douchen. Verdachte heeft wisselend verklaard over hoe de pruik in de wasbak terecht zou zijn gekomen. Aanvankelijk heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] nog nooit zonder pruik had gezien, ondanks dat hij hier expliciet om had verzocht, dat zij met pruik op sliep en dat zij dus haar pruik op moet hebben gehad op het moment dat zij de badkamer binnen kwam rennen met het mes in haar handen. In dat scenario zou de pruik dan tijdens de worsteling om het mes in de wasbak terecht zijn gekomen. Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat [slachtoffer] de pruik heeft afgedaan nadat zij in de woonkamer op de bank hadden geknuffeld en voordat zij vervolgens op de bank en in bed (ook in de woonkamer) seks hebben gehad. Dit scenario past niet bij de bevinding dat de pruik in de wastafel is aangetroffen en niet in de woonkamer, waar wel haar kleding lag. Dat zou betekenen dat [slachtoffer] alleen voor het afdoen van haar pruik naar de badkamer is gelopen, maar of dit daadwerkelijk is gebeurd zegt verdachte zich niet te herinneren. Hij weet alleen dat de pruik daar, in de badkamer lag.

Verdachte heeft het recht om zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Maar door veel vragen niet te beantwoorden, is over de toedracht van de dood van [slachtoffer] onvoldoende duidelijkheid verkregen. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke gang van zaken zoals die door de verdachte aan zijn beroep op noodweerexces ten grondslag is gelegd onvoldoende aannemelijk is geworden zodat het beroep op noodweerexces niet slaagt. Er is derhalve geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd verdachte ter zake van de door de officieren van justitie bewezen geachte moord te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verwezen naar recente jurisprudentie in soortgelijke zaken. Gelet op de daar opgelegde straffen, het ontbreken van relevante recidive, de bekennende proceshouding en het feit dat verdachte moet leven met de wetenschap dat hij een jonge vrouw het leven heeft ontnomen en haar nabestaanden daarmee onherstelbaar leed heeft berokkend, acht de raadsvrouw een gevangenisstraf van maximaal 8 jaar passend.

Het opleggen van de tbs-maatregel is niet mogelijk omdat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Er kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Er zou sprake zijn geweest van een beginnende relatie tussen verdachte en het slachtoffer. [slachtoffer] heeft verdachte onderdak geboden in haar woning toen verdachte zich niet veilig voelde in Rotterdam. Onder die omstandigheden heeft verdachte [slachtoffer] in haar eigen veilige omgeving 27 keer met een mes in haar lichaam gestoken waardoor zij is overleden. Verdachte heeft vervolgens de woning verlaten en daar het levenloze lichaam van [slachtoffer] achtergelaten zonder (bijvoorbeeld) de politie in te lichten. Als gevolg daarvan is het lichaam van [slachtoffer] pas drie dagen later gevonden en hebben familie en vrienden van het slachtoffer enige tijd in onzekerheid gezeten. Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven in het strafrecht. Verdachte heeft op een gewelddadige wijze een einde aan het leven gemaakt van [slachtoffer] . Zij had het grootste deel van haar leven nog voor zich. Verdachte heeft haar naasten en nabestaanden een groot en onherstelbaar verlies en veel verdriet toegebracht. Dit is de rechtbank ook gebleken uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting door en namens de nabestaanden van [slachtoffer] zijn voorgelezen. [slachtoffer] was met name voor haar zieke moeder en haar jongere broertje een grote steun en toeverlaat. Verdachte heeft geen inzicht gegeven in de reden waarom hij [slachtoffer] heeft doodgestoken. Dit heeft ogenschijnlijk zonder enige aanleiding plaatsgevonden. De nabestaanden en vrienden van [slachtoffer] zullen met de onzekerheid hierover moeten leven. Het geweld heeft bovendien overdag in een woning met meerdere wooneenheden en in een woonwijk plaatsgevonden. Dit heeft voor gevoelens van angst en onveiligheid gezorgd bij de buurtbewoners. Verder is van belang dat dit soort ernstige misdrijven in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterken.

Persoonlijke omstandigheden van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 10 mei 2019, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies van 25 februari 2019, uitgebracht door J. Lieuwma, reclasseringswerker van Reclassering Nederland;

- een rapportage Pro Justitia van het Pieter Baan Centrum van 26 februari 2019, uitgebracht door M.D. Beijer-Holtman, GZ-psycholoog en P.K.J. Ronhaar, psychiater.

De reclassering is niet in staat geweest om een gedegen risicoschatting te maken, omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan onderzoeken vanuit het NIFP en niet in gesprek is gegaan met de reclassering. Omdat niet bekend is welke risicofactoren aanwezig zijn en welke leefgebieden hebben meegespeeld tijdens het ten laste gelegde, kan er geen plan van aanpak worden opgesteld. Ook het opleggen van een maatregel kon niet worden onderzocht.

De reclassering heeft daarom geadviseerd om een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Ook tijdens zijn opname ter observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) heeft verdachte geen medewerking verleend aan het onderzoek. Hij is niet of nauwelijks met individuele onderzoekers in gesprek gegaan en sprak niet over forensisch relevante onderwerpen. Hij heeft niet meegewerkt aan testpsychologisch onderzoek en milieuonderzoek. Verdachte liet zich weinig zien op de afdeling en onttrok zich aan groepsactiviteiten. De weigering lijkt te zijn ingegeven door zijn proceshouding. Weigering op pathologische grondslag wordt onwaarschijnlijk geacht. Er zijn geen aanwijzingen gezien voor psychotische symptomen of ernstige intellectuele beperkingen. Er is geen zicht verkregen op zijn functioneren direct voorafgaand aan en tijdens het ten laste gelegde. Daarom kunnen geen uitspraken worden gedaan over eventuele pathologische aspecten bij de totstandkoming van het ten laste gelegde. Een inschatting van het recidiverisico kan niet worden gemaakt. De deskundigen van het PBC hebben geen advies kunnen geven.

Nu niet is komen vast te staan of en zo ja, in hoeverre een eventuele psychische stoornis van invloed is geweest op het plegen van het bewezenverklaarde feit, moet de rechtbank er van uit gaan dat de verdachte ten tijde van het plegen van dit feit volledig toerekeningsvatbaar was.

Conclusie van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusie.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden is. Met name als gevolg van het feit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van moord komt, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officieren van justitie.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde 1] (stiefvader (en voormalig voogd) van [slachtoffer] ), [benadeelde 2] (broer van [slachtoffer] ) en [benadeelde 3] (moeder van [slachtoffer] ), hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.

[benadeelde 1] heeft een bedrag van € 14.130,01 gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 9.130,01 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[benadeelde 2] heeft een bedrag van € 5.000,- gevorderd, bestaande uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[benadeelde 3] heeft een bedrag van € 15.000,- gevorderd bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De vorderingen kunnen geheel worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De impact van de confrontatie met het gehavende lichaam van [slachtoffer] zal een enorme schok zijn geweest voor de nabestaanden. Voor het aannemen van immateriële schade is een rapport van een psycholoog of psychiater daarom niet nodig. De psychische schade bij de nabestaanden kan in alle redelijkheid worden aangenomen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is aan [benadeelde 1] een bedrag van € 12.474,- uitgekeerd. Aan zowel [benadeelde 2] als [benadeelde 3] is een bedrag van € 5.000,- uitgekeerd. De benadeelde partijen moeten tot deze bedragen niet-ontvankelijk verklaard worden in hun vorderingen, omdat de Staat van rechtswege in de verhaalsrechten van de benadeelden is getreden.

De niet vergoede materiële schade van [benadeelde 1] ter hoogte van € 2.100,37 komt voor vergoeding in aanmerking en tot dat bedrag kan deze vordering worden toegewezen. De raadsvrouw heeft verzocht daarbij te bepalen dat verdachte dit bedrag mag betalen in 24 maandelijkse termijnen van € 87,51.

[benadeelde 3] dient ook voor het meer gevorderde aan immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard te worden. Zij kampt al jaren met zeer ernstige psychische problemen. Een oorzakelijk verband tussen het overlijden van haar dochter en haar ernstige psychische problemen kan dus niet worden vastgesteld. Voor een hoger bedrag aan immateriële schade dan het reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag ontbreekt onderbouwing.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Schade vergoed door Schadefonds Geweldsmisdrijven

Ten aanzien van het door de verdediging ingenomen standpunt dat reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven gevorderde schade niet meer voor vergoeding in aanmerking komt overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 6 lid 4 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven staat: ‘De uitkering komt niet in mindering op het recht op schadevergoeding van het slachtoffer jegens derden. Het slachtoffer betaalt de uitkering terug aan het fonds, voor zover de schade waarop de uitkering betrekking heeft op andere wijze is vergoed.’ Dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan de nabestaanden van [slachtoffer] reeds een bedrag heeft uitgekeerd, doet dus niet af aan de mogelijkheid om schade te verhalen op verdachte.

Schadevergoeding voor naasten

Door het overlijden van [slachtoffer] moeten de benadeelde partijen hun dochter en zus missen. Het verdriet en leed dat zij hierdoor ondervinden is groot, hetgeen duidelijk naar voren is gekomen in de ter terechtzitting voorgelezen verklaringen. In het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade ten aanzien van het verlies van een dierbare, als het feit zich heeft voorgedaan voor 1 januari 2019, echter zeer beperkt. Artikel 51f, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geeft, in samenhang met de artikelen 6:106 en 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van een strafbaar feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve (uitputtende) opsomming van wat gevorderd kan worden. Alleen de kosten die in dit artikel worden genoemd, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten van de begrafenis en om shockschade.

De rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de gevorderde schade onderscheid maken tussen de door [benadeelde 1] gevorderde materiele schade en de door alle nabestaanden gevorderde immateriële schade.

De materiële schade

[benadeelde 1] heeft kosten gemaakt voor de crematie, de grafsteen en voor de vergunning grafbedekking in verband met het overlijden van [slachtoffer] . Daarnaast heeft hij reiskosten gemaakt. Vaststaat dus dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden die op grond van artikel 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank waardeert deze schade op € 9.130,01 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 6 juli 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 80 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis betalingsverplichting niet opheft. De rechtbank zal daarbij bepalen dat het toegewezen bedrag desgewenst kan worden voldaan in 24 maandelijkse termijnen van € 380,41.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten, te weten de reiskosten naar de advocaat en de rechtbank, worden tot op dit moment begroot op € 444,36.

De immateriële schade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2010/387). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Onder shockschade valt niet het (enkele) verdriet van een ouder om het verlies van een kind door een onrechtmatige daad. Voor vergoeding van shockschade is op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

[benadeelde 2] en [benadeelde 3]

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] afwijzen. Reden daarvoor is dat op basis van de verklaringen van en namens de benadeelden niet is gebleken dat zij direct zijn geconfronteerd met de gevolgen van het strafbare feit (in dit geval het levenloze lichaam van [slachtoffer] ) en evenmin dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen.

Nu de vordering van de benadeelden worden afgewezen, zullen de benadeelde partijen in de kosten van verdachte worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Immateriële schade [benadeelde 1]

In het geval van [benadeelde 1] kan de rechtbank op basis van hetgeen uit het dossier is gebleken en ter terechtzitting naar voren is gebracht, niet beoordelen of aan de criteria voor het toekennen van shockschade is voldaan. Met name de manier waarop en de omstandigheden waaronder benadeelde met de dood van zijn stiefdochter is geconfronteerd, zijn onvoldoende duidelijk geworden. De rechtbank acht niet verzekerd dat de benadeelde partij in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om datgene naar voren te brengen hetgeen hij ter staving van zijn vordering kan of had kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. De rechtbank vindt dat de benadeelde partij in de gelegenheid moet kunnen worden gesteld dit nader te onderbouwen. Dit brengt echter mee dat de verdere beoordeling een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert. De vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals het artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

[benadeelde 1]

- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 9.130,01;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    bepaalt dat het toegewezen bedrag desgewenst kan worden voldaan in 24 termijnen van elk € 380,41 per maand.

- verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 444,36;

[benadeelde 2]

- wijst de vordering van [benadeelde 2] af;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 3]

- wijst de vordering van [benadeelde 3] af;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. D.S. Terporten-Hop en A. Wilken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juli 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 juli 2018 in de gemeente Hilversum opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans éénmaal, met een schaar en/of een mes, althans één of meerdere scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

1 Een geschrift, te weten een rapport ‘Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’, opgesteld op 26 juli 2018 door dr. H.H. de Boer, arts en patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina’s 3 tot en met 6 (156 tot en met 159 forensisch dossier).