Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:290

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
UTR 18/3918 en UTR 18/3969
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Wnb-ontheffing vijf diersoorten ‘Westelijke Ontsluiting Amersfoort’

Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht heeft aan de gemeente Amersfoort voor de periode van 27 juni 2017 tot en met 31 december 2022 ontheffing verleend van een aantal verboden in de Wet natuurbescherming (Wnb) voor de zandhagedis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, hazelworm en ringslang. Het gebied waarvoor de ontheffing geldt loopt parallel aan de [straatnaam] en betreft de [straatnaam] en het fietspad door Birkhoven, in Amersfoort. In dit gebied zal het project ‘Westelijke Ontsluiting Amersfoort’ worden uitgevoerd.

Eisers, verschillende verenigingen, stichtingen en omwonenden, zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld tegen de verleende Wnb-ontheffing. De rechtbank heeft op 22 januari 2019 mondeling uitspraak gedaan in de zaak en eisers geen gelijk gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is de ontheffing nodig vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang, in dit geval de noodzaak om de verkeersdoorstroom, de leefbaarheid in de zin van lucht en geluid en de verkeersveiligheid in Amersfoort West te verbeteren. De rechtbank is niet gebleken dat er een andere bevredigende oplossing bestaat voor het project dan projectvariant 7B. Ook is voldoende vast komen staan dat binnen deze projectvariant is gekozen voor werkzaamheden die het minst ingrijpend zijn voor de vijf diersoorten waarvoor de ontheffing is verleend. Tot slot heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de gunstige staat van instandhouding van deze vijf diersoorten door de verleende ontheffing bedreigd wordt.

Het beroep van een aantal eisers wordt door de rechtbank vanwege een procedureel punt gegrond verklaard, wat betekent dat gedeputeerde staten van de provincie Utrecht het door hen betaalde griffierecht en de proceskosten moet vergoeden. Inhoudelijk krijgen de eisers geen gelijk; de verleende Wnb-ontheffing blijft in stand.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2019:103 (voorlopige voorziening))

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/3918 en UTR 18/3968

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2019 in de zaken tussen

UTR 18/3918

1 Belangenvereniging […] -laan even nummers;

2 Stichting Woonklimaat Berg;

3 Vereniging Samenwerkende Groeperingen Leefbaar Amersfoort (SGLA);

4 [verzoeker sub 4a] [verzoekster sub 4b] ;

5. [verzoeker/verzoekster sub 5a] en [verzoeker/verzoekster sub 5b];

6. [verzoeker sub 6a] en [verzoekster sub 6b];

7. [verzoeker/verzoekster sub 7a] en [verzoeker/verzoekster sub 7b];

8. [verzoekster sub 8];

9. [verzoeker sub 9a] en [verzoekster sub 9b];

10. [verzoeker/verzoekster sub 10];

11. [verzoeker/verzoekster sub 11];

12. [verzoeker/verzoekster sub 12a] en [verzoeker/verzoekster sub 12b];

13. familie [achternaam 1];

14. familie [achternaam 2] - [achternaam 3];

15. familie [achternaam 4] - [achternaam 5];

16. [verzoeker/verzoekster sub 16a] en [verzoeker/verzoekster sub 16b];

17. [verzoeker/verzoekster sub 17a] en [verzoeker/verzoekster sub 17b];

18. [verzoeker/verzoekster sub 18a] en [verzoeker/verzoekster sub 18b];

19. [verzoeker/verzoekster sub 19a] en [verzoeker/verzoekster sub 19b];

20. [verzoeker/verzoekster sub 20];

21. [verzoeker/verzoekster sub 21a] en [verzoeker/verzoekster sub 21b];

22. [verzoeker sub 22a] en [verzoekster sub 22b];

23. [verzoeker/verzoekster sub 23a] en [verzoeker/verzoekster sub 23b];

eisers, allen te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. L. Haver-Droeze)

en

het college van gedeputeerde staten Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Wink).

en tussen

UTR 18/3968

1a

Vereniging Behoud Bos Birkhoven en Bokkeduinen (VBBBB), te Amersfoort, eiseres

(gemachtigde: mr. A.I. de Haan)

en

voornoemde verweerder.

Als derde-partij heeft aan beide gedingen deelgenomen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, derde-partij

(gemachtigde: mr. H. Maaijen)

Procesverloop

In het besluit van 30 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde‑partij voor de periode van 27 juni 2017 tot en met 31 december 2022 ontheffing verleend van de verboden in de Wet natuurbescherming (Wnb) om:

 de zandhagedis in zijn natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen zoals bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb;

 de ruige dwergvleermuis opzettelijk te verstoren zoals bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb;

 de voortplantings- of rustplaatsen van de rosse vleermuis en de zandhagedis te beschadigen of te vernielen zoals bedoeld in artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb;

 de hazelworm en de ringslag opzettelijk te doden of te vangen en vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen zoals bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wnb.

Het gebied waarvoor de ontheffing geldt loopt parallel aan de [straatnaam] en betreft de [straatnaam] en het fietspad door Birkhoven, in Amersfoort (het projectgebied).

In het besluit van 23 juni 2017 heeft verweerder een aantal voorwaarden bij de ontheffing aangepast. Voor het overige is het primaire besluit onverkort van kracht gebleven.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft de VBBBB de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door deze rechtbank bij uitspraak van 1 maart 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:961, afgewezen.

Bij besluiten van 11 september 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de eisers sub 1 en sub 4 tot en met 23 niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaren van de andere eisers ongegrond verklaard en de verleende ontheffing, zoals gewijzigd bij besluit van 23 juni 2017, in stand gelaten.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Tijdens de beroepsprocedure hebben eisers de voorzieningenrechter wederom verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door deze rechtbank bij uitspraak van 4 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:103, toegewezen. De bestreden besluiten en de primaire besluiten zijn geschorst en het was derde-partij verboden om (kap)werkzaamheden te (doen) verrichten in het projectgebied ten behoeve van het project ‘Westelijke ontsluiting Amersfoort’ tot en met 22 januari 2019.

De behandeling van de beroepen op zitting was op 22 januari 2019. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, bijgestaan door [A] van de Dassenwerkgroep. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [B] , deskundige soortenbescherming. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. [E] en drs. [D] , beide ecologisch adviseur bij [bedrijfsnaam] B.V., ing. [F] , technisch projectmanager en ing. [C] , projectleider van het project ‘Westelijke ontsluiting Amersfoort’.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

UTR 18/3918

De rechtbank:

 verklaart het beroep van de familie [achternaam 1] , [adres] , en het beroep van [verzoeker sub 22a] en [verzoekster sub 22b] , [adres] , beide te [woonplaats] , niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep van de overige eisers gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voor zover [verzoeker sub 4a] en [verzoekster sub 4b] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 5a] en [verzoeker/verzoekster sub 5b] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 7a] en [verzoeker/verzoekster sub 7b] , [adres] , [verzoekster sub 8] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 10] , [adres] , [verzoeker sub 9a] en [verzoekster sub 9b] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 11] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 12a] en [verzoeker/verzoekster sub 12b] , [adres] en de Belangenvereniging […] ‑laan even nummers, daarin niet-ontvankelijk zijn verklaard;

 voorziet zelf in de zaak door hen alsnog ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar en de bezwaren ongegrond te verklaren conform het bestreden besluit zoals dat luidt ten opzichte van de eisers die door verweerder wel ontvankelijk zijn bevonden;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

 Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 338,-- vergoedt;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 512,--.

UTR 18/3968

De rechtbank verklaart het beroep van de VBBBB ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft u, eisers, inhoudelijk geen gelijk en zal u hierna uitleggen waarom.

Feiten

2.1

Ter verbetering van de verkeersdoorstroom van de westelijke ontsluitingsweg bij Amersfoort is het gemeentelijke project ‘Westelijke ontsluiting Amersfoort’ (hierna: het project) in gang gezet. Ten behoeve van dit project heeft de gemeenteraad op 11 oktober 2016 het bestemmingsplan ‘Westelijke ontsluiting’ vastgesteld. Daarbij is gekozen voor projectvariant 7B. Deze variant houdt kort gezegd in dat er een nieuwe weg verdiept wordt aangelegd parallel aan de [straatnaam] . De weg kruist het spoor met een tunnel. Fietsers worden met een fietsviaduct over het spoor geleid. Ten noorden van het spoor wordt de [straatnaam] ( […] -laan) in westelijke richting verlegd, zodat ruimte ontstaat voor de aanleg van een parallelweg tussen de weg en de woningen aan de […] -laan. Met de uitspraak van 24 januari 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), ECLI:NL:RVS:2018:246, is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden.

2.2

Het project houdt het verrichten van een groot aantal werkzaamheden in, waarbij onder meer bomen worden gekapt, verkeerssituaties worden aangepast en nieuwe wegen met bijbehorende kunstwerken worden gerealiseerd. Deze werkzaamheden kunnen invloed hebben op beschermde diersoorten die in en om het projectgebied leven. Door [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ) zijn daarom verschillende onderzoeken verricht naar de natuurwaarden in en om het gebied. [bedrijfsnaam] heeft op 1 december 2014 een eerste rapport uitgebracht onder de naam ‘Realisatie Westelijke Ontsluiting, Effectstudie natuurwaarden en maatregelen natuurwetgeving’. Op 15 augustus 2016 heeft [bedrijfsnaam] een afrondende publicatie van de effectstudie opgesteld (de effectstudie 2016) en nadien zijn nog verschillende (veld)onderzoeken verricht waarvan [bedrijfsnaam] notities heeft uitgebracht. Derde-partij heeft verweerder op 26 januari 2017 gevraagd om ontheffing van een aantal verboden in de Wnb voor de hazelworm, zandhagedis, ringslang, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Op 3 april 2017 heeft derde-partij deze aanvraag op verzoek van verweerder op een aantal punten aangevuld. Daarna heeft verweerder de besluiten genomen die onder ‘Procesverloop’ staan vermeld.

2.3

Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de Awb‑Adviescommissie van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten (hierna: de adviescommissie) van 18 juni 2018. De adviescommissie heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat de eisers sub 1 en sub 4 tot en met 23 niet-ontvankelijk zijn en dat de bezwaren van de andere eisers ongegrond zijn, omdat is voldaan aan de vereisten van artikel 3.8, vijfde lid van de Wnb. Volgens de adviescommissie heeft verweerder de alternatieven voldoende afgewogen. Ook blijkt uit verkeersonderzoeken dat er een belang is gemoeid met de ontheffing. De adviescommissie ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie uit de effectstudie 2016 dat de gunstige staat van instandhouding van de diersoorten niet in het geding komt.

Ontvankelijkheid

UTR 18/3918

Familie [achternaam 1] , [adres]

3.1

De rechtbank stelt vast dat bij het beroepschrift geen machtiging is overgelegd namens de familie [achternaam 1] , wonende aan de [adres] in [woonplaats] . De rechtbank heeft de gemachtigde telefonisch verzocht om deze machtiging op zijn laatst op de zitting van 22 januari 2019 over te leggen, omdat de rechtbank het beroep van de familie [achternaam 1] anders niet‑ontvankelijk kan verklaren. Op de zitting is geen machtiging overgelegd. De rechtbank is niet gebleken van een verschoonbare reden hiervoor. De familie [achternaam 1] is daarom niet-ontvankelijk in hun beroep.

[verzoeker sub 22a] en [verzoekster sub 22b] , [adres]

3.2

In artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat geen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld door iemand aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. De gemachtigde van eisers heeft een machtiging overgelegd van de bewoners, waaronder van de heer [verzoeker sub 22a] en mevrouw [verzoekster sub 22b] , de bewoners van de [adres] . De rechtbank is niet gebleken dat zij bezwaar hebben gemaakt tegen de primaire besluiten. De rechtbank is ook hier niet gebleken van een verschoonbare reden daarvoor. [verzoeker sub 22a] en [verzoekster sub 22b] zijn daarom niet-ontvankelijk in hun beroep.

Belanghebbendheid

UTR 18/3918

4.1

Verweerder heeft de Belangenvereniging […] -laan even nummers en de eisers die wonen aan de [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] en [straatnaam] in het bestreden besluit niet‑ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens verweerder geen belanghebbenden zijn bij de verleende Wnb-ontheffing.

4.2

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid worden als belangen van rechtspersonen ook beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Voor de belanghebbendheid van individuen bij een verleende Wnb‑ontheffing, in deze zaak de bewoners, is bepalend of redelijkerwijs te verwachten is dat de handeling waar de Wnb-ontheffing betrekking op heeft, in deze zaak de verstoring van de vijf diersoorten waarvoor ontheffing is verleend (en dus niet het project), invloed zal hebben op de directe woon- en leefomgeving van diegene die woont en leeft in de nabijheid het ontheffingsgebied.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat de eisers die wonen aan de [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] en [straatnaam] , belanghebbenden zijn bij de verleende Wnb-ontheffing. Omdat deze straten ín het ontheffingsgebied liggen vindt de rechtbank het redelijkerwijs te verwachten en kan zij in ieder geval niet uitsluiten, dat verstoring van de vijf diersoorten waarvoor ontheffing is verleend invloed zal hebben op de natuur waarin deze eisers wonen en leven. De belangen van deze eisers zijn daarom rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Dat het volgens verweerder slechts gaat om kleine dieren waarvan niet is aangetoond dat die zich laten zien in de tuinen van eisers en daarom weinig ruimtelijke uitstraling hebben, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen zeggen dat invloed op de directe woon- en leefomgeving van deze eisers niet redelijkerwijs is te verwachten. Dit betekent dat verweerder de eisers die wonen aan de [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] en [straatnaam] in het bestreden besluit ten onrechte niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de eisers die wonen aan de [straatnaam] en [straatnaam] geen belanghebbenden zijn bij de verleende Wnb-ontheffing. Deze straten liggen buiten het ontheffingsgebied. Naar het oordeel van de rechtbank wonen deze eisers op zo’n afstand van het ontheffingsgebied dat niet redelijkerwijs is te verwachten dat verstoring van de vijf diersoorten waarvoor ontheffing is verleend invloed zal hebben op het woon- en leefklimaat van deze eisers. Hun belangen zijn daarom niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Door de gemachtigde van eisers is dit op zitting ook erkend. Dit betekent dat verweerder de eisers die wonen aan de [straatnaam] en de [straatnaam] in het bestreden besluit terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat de Belangenvereniging […] -laan even nummers belanghebbende is bij de verleende Wnb-ontheffing. Zoals onder rechtsoverweging 4.2 al is overwogen, zijn daarvoor de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van de belangenvereniging van belang. Gelet op haar statuten behartigt de belangenvereniging - kort gezegd - onder meer de collectieve belangen van de bewoners van de even nummers van de […] -laan en voert zij daartoe ook feitelijke werkzaamheden uit. Die feitelijke werkzaamheden bestaan uit het informatie delen onder de leden en het behartigen van hun belangen, bijvoorbeeld in procedures. Bij de vraag of de vereniging belanghebbende is vindt de rechtbank in dit geval relevant dat de vereniging de belangen van de leden bundelt. De rechtbank bekijkt daarom ook of de belangen van de leden rechtstreeks zijn geraakt. Vaststaat dat een deel van de […] -laan in het ontheffingsgebied ligt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom redelijkerwijs te verwachten en in ieder geval niet uit te sluiten dat verstoring van de vijf diersoorten waarvoor ontheffing is verleend, invloed zal hebben op het woon- en leefklimaat van in ieder geval een deel van de leden van de belangenvereniging. Het collectieve belang dat de belangenvereniging behartigt, is daarom rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder de Belangenvereniging […] -laan even nummers in het bestreden besluit ten onrechte niet‑ontvankelijk heeft verklaard.

4.6

De rechtbank voorziet in ieder geval zelf in de zaak door de eisers die ten onrechte niet‑ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar alsnog ontvankelijk te verklaren. Voor het antwoord op de vraag of de rechtbank ook inhoudelijk zelf kan voorzien voor dit vernietigde onderdeel van het bestreden besluit en dus of de rechtbank deze eisers alsnog een inhoudelijke beslissing op bewaar kan geven, is van belang dat de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft gezegd dat als deze eisers ontvankelijk waren geweest in hun bezwaar, voor hen dezelfde beslissing zou gelden als voor degenen die wel ontvankelijk zijn verklaard. Daarom zal de rechtbank eerst de andere, inhoudelijke, beroepsgronden bespreken.

UTR 18/3918 en UTR 18/3968

Wet- en regelgeving

5. De wetsartikelen die relevant zijn in deze zaak, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Omvang van het geding

6.1

De rechtbank overweegt dat de omvang van het geding in deze zaak wordt bepaald door de op grond van de aanvraag verleende Wnb-ontheffing en door de beroepsgronden die eisers hiertegen hebben ingediend. Uit rechtspraak van de ABRvS, zoals de uitspraak van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5108, volgt dat verweerder dient te beslissen op grondslag van de aanvraag zoals die door de aanvrager is ingediend en eventueel is aangepast. De aanvraag van derde-partij ziet op ontheffing van de Wnb voor de zandhagedis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, hazelworm en ringslag. Dit betekent dat alleen de verleende Wnb-ontheffing voor deze vijf diersoorten bij de rechtbank ter beoordeling voorligt. Het betoog van eisers dat ten onrechte geen Wnb-ontheffing is verleend voor andere diersoorten valt daarom buiten de omvang van dit geding. Eisers kunnen dit standpunt eventueel via een handhavingsverzoek bij verweerder aan de orde stellen. Eisers hebben op de zitting verteld dat zij dit voor een aantal diersoorten, zoals de das, ook al hebben gedaan.

6.2

De gronden van eisers die zien op het fietspad en de noodweg treffen evenmin doel. Ing. [C] heeft op de zitting gezegd dat de noodweg er niet komt. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen ook de plankaart bekeken. Hierop is te zien dat het fietspad onderdeel uitmaakt van het projectplan, zodat plaatsing van het fietspad door verweerder is betrokken bij het bestreden besluit.

UTR 18/3918

Dwingende reden van groot openbaar belang

7.1

De eerste vraag die de rechtbank moet beoordelen is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Wnb-ontheffing nodig is vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang. Derde-partij heeft aan de aanvraag ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden waarvoor ontheffing nodig is, noodzakelijk zijn om de verkeersdoorstroom, de leefbaarheid in de zin van lucht en geluid en tot slot de verkeersveiligheid, te verbeteren. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit dwingende redenen van groot openbaar belang zijn. Eisers betwisten ook niet, zo bleek op de zitting, dat dit dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen zijn, maar zij betwisten dat daar in dit geval sprake van is. Volgens eisers is het verkeersmodel 2014, op grond waarvan derde-partij meent dat de verkeersdoorstroom (in de toekomst) verbetering behoeft, onjuist. De verkeersbewegingen als gevolg van de verhuizing van ziekenhuis De Lichtenberg zijn daarin niet meegenomen en voor bedrijventerrein Isselt is per vergissing het landelijk aantal van 1800 arbeidsplaatsen gebruikt in plaats van het lokaal aantal arbeidsplaatsen. Dit betekent volgens eisers dat niet zorgvuldig is onderzocht of het project en daarmee dus ook de Wnb‑ontheffing, wel nodig is.

7.2

De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder moest twijfelen aan de juistheid van de prognoses uit het verkeersmodel 2014, waardoor nader onderzoek vereist zou zijn. Op de zitting is door ing. [F] voldoende toegelicht dat de verkeersbewegingen als gevolg van de verhuizing van ziekenhuis De Lichtenberg wel zijn meegenomen en dat het foutief gebruikte aantal arbeidsplaatsen van bedrijventerrein Isselt, na kalibratie, een minimaal effect heeft op de verkeersprognoses uit het model. Hier tegenover hebben eisers geen toelichting of rapport van een (verkeers)deskundige ingebracht waardoor de rechtbank aan deze toelichting van deskundige [F] twijfelt. Dit betekent dat verbetering van de verkeersdoorstroom, de leefbaarheid in de zin van lucht en geluid en de verkeersveiligheid, naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een dwingende reden van groot openbaar belang oplevert. De beroepsgrond slaagt niet.

Andere bevredigende oplossing

8.1

De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor het project. Dit moet worden bezien in relatie tot het doel van het project en de dwingende reden van groot openbaar belang die maakt dat het project nodig is. Die dwingende reden is in dit geval dus de verbetering van de verkeersdoorstroom, de leefbaarheid in de zin van lucht en geluid en de verkeersveiligheid. Eisers voeren aan dat de door hen aangedragen projectvariant 10+ een andere bevredigende oplossing is en dat verweerder had moeten bekijken of binnen projectvariant 7B voor minder ingrijpende werkzaamheden kan worden gekozen.

8.2

Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er, gegeven het doel van het project, geen andere bevredigende alternatieven zijn dan de gekozen projectvariant 7B. Op de zitting is door de gemachtigde van derde-partij toegelicht dat de projectvarianten die in de Strategische Milieu Beoordeling voor bepaalde deelgebieden beter scoren op ‘natuur: EHS’ en ‘natuur: soorten’, onvoldoende scoren op ‘lucht’ en ‘geluid’ om als bevredigend alternatief te dienen. Verder is variant 7B voor de verkeersveiligheid een voorkeursvariant vanwege de fietstunnel en de ongelijke spoorovergang. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Projectvariant 10+ hoefde verweerder niet bij zijn beoordeling te betrekken, omdat enkel varianten die het doel van het project dienen een bevredigend alternatief kunnen zijn. Variant 10+ voorziet onder meer niet in een oplossing van het probleem van de doorstroom van het verkeer. Tot slot hebben drs. [E] en drs. [D] van [bedrijfsnaam] op de zitting voldoende toegelicht dat binnen projectvariant 7B is gekozen voor de manier van werken die het minst ingrijpend is voor de vijf diersoorten waarvoor ontheffing is verleend. De beroepsgrond slaagt niet.

Gunstige staat van instandhouding van de vijf diersoorten

9.1

De derde vraag die de rechtbank moet beoordelen is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Wnb-ontheffing geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de vijf diersoorten waarvoor de ontheffing is verleend. Eisers hebben betoogd dat deze gunstige staat van instandhouding in het geding is.

9.2

De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich op het standpunt had moeten stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de vijf diersoorten wordt bedreigd. Verweerder heeft, mede op basis van de effectstudie 2016 van [bedrijfsnaam] , voldoende toegelicht dat die gunstige staat van instandhouding met de te treffen ontheffingsmaatregelen niet in het geding komt. Eisers hebben hun stelling dat de gunstige staat van instandhouding in gevaar is, niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld een rapport van een deskundige op dit gebied. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van [bedrijfsnaam] . Voor zover eisers hebben betoogd dat aan het onderzoek van [bedrijfsnaam] geen waarde kan worden gehecht, omdat het onzorgvuldig is uitgevoerd volgt de rechtbank eisers evenmin. In wat eisers daarover hebben aangevoerd – dat de te slopen bebouwing onvoldoende en niet conform het Vleermuizenprotocol is onderzocht, dat de onderzoeksgegevens niet verifieerbaar zijn en dat onduidelijk is in welke bomen zich vleermuizennesten bevinden – ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor dat oordeel. Het betoog slaagt niet.

9.3

Eisers hebben tot slot aangevoerd dat de te treffen ontheffingsvoorschriften feitelijk niet uitvoerbaar zijn, omdat de gronden waarop de maatregelen uitgevoerd moeten worden niet in eigendom zijn van derde-partij. Op de zitting heeft ing. [C] hierover toegelicht dat met alle eigenaren van deze gronden afspraken zijn gemaakt en dat er geen privaatrechtelijke of andere belemmeringen meer aan de uitvoering van de maatregelen in de weg staan. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De stelling van eisers dat het ontheffingsvoorschrift dat ziet op het herplanten van bomen geen volwaardige compensatie biedt voor het verlies van oud eiken- en beukenbos, hebben eisers niet onderbouwd. In dit betoog ziet de rechtbank dan ook geen reden om te twijfelen aan de doelmatigheid van dit voorschrift. Tot slot wijst de rechtbank eisers erop dat als derde-partij zich niet aan de ontheffingsvoorschriften houdt, er de mogelijkheid bestaat om verweerder te verzoeken daartoe handhavend op te treden.

Conclusie

UTR 18/3918

10.1

Het onder rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2 gegeven oordeel leidt ertoe dat het beroep van de familie [achternaam 1] , [adres] , en van [verzoeker sub 22a] en [verzoekster sub 22b] , [adres] , beide te [woonplaats] , niet-ontvankelijk is.

10.2

Het onder rechtsoverwegingen 4.3 en 4.5 gegeven oordeel leidt ertoe dat het beroep van de overige eisers gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover [verzoeker sub 4a] en [verzoekster sub 4b] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 5a] en [verzoeker/verzoekster sub 5b] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 7a] en [verzoeker/verzoekster sub 7b] , [adres] , [verzoekster sub 8] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 10] , [adres] , [verzoeker sub 9a] en [verzoekster sub 9b] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 11] , [adres] , [verzoeker/verzoekster sub 12a] en [verzoeker/verzoekster sub 12b] , [adres] en de Belangenvereniging […] ‑laan even nummers, daarin niet‑ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te beslissen op hun bezwaar. Zij worden door de rechtbank alsnog ontvankelijk verklaard in hun bezwaar en hun bezwaren worden ongegrond verklaard conform het bestreden besluit zoals dat luidt ten opzichte van de eisers die door verweerder in het bestreden besluit wel ontvankelijk zijn bevonden. De rechtbank heeft de beroepsgronden tegen het bestreden besluit van hen en de andere eisers op zitting besproken en beoordeeld en de gronden slagen niet. Concreet betekent dit dat het beroep weliswaar om een processuele reden gegrond is, maar dat eisers inhoudelijk geen gelijk krijgen in de zaak. De verleende Wnb‑ontheffing blijft overeind.

10.3

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 338,-- vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 512,-- en een wegingsfactor 1).

UTR 18/3968

11. Het beroep van de VBBBB is ongegrond, voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

12. Op de zitting zijn alle partijen erop gewezen dat tegen deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. M.C. Stoové en mr. ing. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal mondelinge uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

In het bestreden besluit heeft verweerder aan derde-partij ontheffing verleend van de verboden in artikel 3.5, eerste, tweede en vierde lid van de Wet natuurbescherming (Wnb) en artikel 3.10, aanhef en eerste lid, onder 3, van de Wnb. Voor beide artikelen geldt dat een aanvraag om ontheffing moet worden getoetst aan de voorwaarden in artikel 3.8 van de Wnb. De rechtbank zal bij haar beoordeling daarom uitgaan van het wettelijk kader zoals dat is neergelegd in de artikelen 3.5, 3.10 en 3.8 van de Wnb.

Op grond van artikel 3.10, aanhef en eerste lid, onder a en b van de Wnb is het onder meer verboden om in het wild levende zoogdieren van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wnb, opzettelijk te doden of te vangen en de vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen. De hazelworm en de ringslang zijn in onderdeel A van de betreffende bijlage opgenomen.

Op grond van artikel 3.5, eerste, tweede en derde lid van de Wnb is het onder meer verboden om in het wild levende dieren van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a bij de Habitatrichtlijn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, deze soorten opzettelijk te verstoren en de voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen. De zandhagedis, ruige vleermuis en rosse vleermuis zijn in onderdeel a van de betreffende bijlage opgenomen.

In artikel 3.8 van de Wnb is het beoordelingskader opgenomen aan de hand waarvan een verzoek tot ontheffing van voornoemde bepalingen van de Wnb moet worden beoordeeld. Op grond van het vijfde lid wordt die ontheffing uitsluitend verleend als - kort gezegd - geen andere bevredigende oplossing bestaat, de ontheffing nodig is ter voorkoming van ernstige schade en daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie van de betrokken soort. Voor zover het gaat om een ontheffing van artikel 3.10, eerste lid van de Wnb, kan - voor zover hier relevant - in aanvulling op de redenen die in het vijfde lid van artikel 3.8 zijn opgesomd, de noodzaak voor ontheffing ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde.