Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2895

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
16/059098-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 56-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval in Nieuwegein. Op 10 maart van dit jaar reed hij in op een auto waarbij een 8-jarig jongetje om het leven kwam. Twee andere leden van het gezin raakten zwaar gewond.

De aanrijding vond plaats op 10 maart omstreeks 16:48 uur op het kruispunt van de Graaf Florisweg en de ’s-Gravenhoutseweg in Nieuwegein. De verdachte was, naar eigen zeggen, om te ontspannen auto gaan rijden. Hij had last van stressklachten door een dreigend verlies van zijn baan. Hij had een fles wodka meegenomen om hier tijdens het rijden wat van te drinken. De Utrechter heeft verklaard dat hij al snel merkte dat hij aangeschoten was en te veel gedronken had. Hij gebruikte antidepressiva en heeft verklaard dat hij wist dat dit geneesmiddel het reactievermogen nadelig beïnvloedt, ook in combinatie met alcohol.

Uit onderzoek blijkt dat de man veel te hard gereden heeft, met een geschatte pieksnelheid van 134 km/uur. Tot vlak voor het ongeval heeft de man plankgas gereden. Pas tussen de 2 en 1,5 seconden voor de aanrijding wordt het gas losgelaten en het rempedaal bediend. Daarnaast staat vast dat de man door rood gereden heeft. Een botsing met de kruisende auto met daarin het gezin – ouders met hun twee jonge kinderen – was toen niet meer te vermijden. De man heeft met zijn roekeloze rijgedrag de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Terwijl de jongste zoon in de ene kamer in het ziekenhuis stierf, lag de oudste zoon in de kamer daarnaast voor zijn leven te vechten. Het leven van het gezin is compleet veranderd.

De rechtbank beseft dat geen enkele straf recht zal doen aan het leed van de nabestaanden. De man is verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn handelen. Wel moet voor ogen worden gehouden dat van opzet geen sprake is: het was niet de bedoeling om een verkeersongeval te veroorzaken met de dood van het jongetje en het zwaar lichamelijk letsel van zijn broer en moeder tot gevolg. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten. Daarin wordt bij het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval met een zeer hoge mate van schuld als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 jaar genoemd. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak sprake is van een (nog) hogere mate van schuld, namelijk roekeloosheid. De rechtbank heeft daarom ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Naast de gevangenisstraf van 4 jaar mag de man ook 5 jaar lang geen motorrijtuigen besturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2019/40 met annotatie van Regterschot, W.H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/059098-19 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 26 juni 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

Aanwezig waren ook de ouders van [slachtoffer 1] , de heer [vader] en mevrouw

[slachtoffer 2] , en zijn grootouders.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en zakelijk weergeven, op neer dat verdachte:

op 10 maart 2019 in Nieuwegein als bestuurder van een auto, onder invloed van alcohol, te hard en door rood rijdend, een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het staat vast dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Verdachte heeft met zijn rijgedrag welbewust onaanvaardbare risico’s voor andere weggebruikers veroorzaakt en aan de zorgvuldigheid die verdachte als bestuurder van een ‘potentieel dodelijk wapen’ in acht had dienen te nemen, kleven zeer ernstige gebreken. Dat betekent dat sprake is van roekeloos rijden, de zwaarste vorm van schuld.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman spreekt tegen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan roekeloos rijden. Hoewel de verdachte met zijn (rij)gedrag zeer onvoorzichtig en gevaarzettend heeft gehandeld en onaanvaardbare risico’s op de ernstige gevolgen in het leven heeft geroepen, is hier niet sprake van een dusdanig uitzonderlijk geval dat het de conclusie dat verdachte roekeloos heeft gereden, rechtvaardigt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Botsing

Op 10 maart 2019 omstreeks 16:48 uur heeft op het kruispunt van de Graaf Florisweg en de ’s-Gravenhoutseweg te Nieuwegein een aanrijding plaatsgevonden tussen een Volkswagen, type Golf, met het kenteken [kenteken] (hierna: de Golf) en een Renault, type Clio, met het kenteken [kenteken] (hierna: de Renault).2 De bestuurder van de Golf had gereden over één van de voorsorteerstroken van de ’s-Gravenhoutseweg, komende uit de richting van de Henri Dunantlaan en gaande in de richting van de Plettenburgerbaan.3 De bestuurder van de Renault had gereden over de voorsorteerstrook voor linksafslaand verkeer, komende uit de richting van de Plettenburgerbaan, gaande in de richting van de Graaf Florisweg.4

De Golf is met de voorzijde tegen de rechter achterzijde van de Renault gebotst. De linker voorzijde van de Golf was niet zwaar beschadigd, zodat de linker voorzijde zich zeer waarschijnlijk achter de achterzijde van de Renault bevond op het moment van de botsing.5

Alcohol

Operationeel Coördinator [operationeel coördinator] zag ter plaatse dat verdachte bloeddoorlopen ogen had en dat zijn adem naar alcohol rook.6 Uit het ademanalyseonderzoek van 10 maart 2019 om 18:13 uur volgt dat de alcoholconcentratie 355 µg/l bedroeg.7

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bestuurder van de Golf was. Door een dreigend verlies van zijn baan had hij last van stressklachten. Om te ontspannen is hij op 10 maart 2019 auto gaan rijden. Hij had een fles wodka meegenomen om hier tijdens de rit wat van te drinken. Hij heeft verklaard dat hij dit twee keer eerder heeft gedaan en dat hij wist dat rijden onder invloed van alcohol heel onverstandig is. Op 10 maart 2019 is verdachte op enig moment, nadat hij is gaan rijden, gestopt en heeft hij wodka uit de fles overgegoten in een leeg Spaflesje. Dit, voor de helft gevulde, flesje heeft hij meegenomen in de auto. Hij is verder gaan rijden, waarbij hij al rijdend de wodka uit het Spaflesje heeft opgedronken. Verdachte heeft verklaard dat hij het effect van de wodka al snel merkte. Toen hij in Nieuwegein reed, merkte hij dat hij aangeschoten was en te veel gedronken had. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij altijd antidepressiva gebruikt en dat hij weet dat dit geneesmiddel het reactievermogen negatief beïnvloedt, ook in combinatie met alcohol.8

Snelheid

De toegestane maximumsnelheid op de ’s-Gravenhoutseweg is 70 km/uur.9

Uit de berekening, weergegeven in het Onderzoek Plaats Delict Werking van verkeersregelinstallaties, blijkt dat de Golf voorafgaand aan het verkeersongeval het kruispunt is genaderd met een gemiddelde indicatieve snelheid gelegen tussen de 116 km/uur en 133 km/uur.10

De motorregelmodule heeft een crashsignaal ontvangen waarbij een snelheid van 102 km/uur is vastgelegd.11

De zogenaamde Pre-Crash-Data van de Golf van de vijf seconden voorafgaand aan het activeren van de airbags zijn verwerkt in de volgende tabel12:

Hieruit volgt dat 5 seconden voor het activeren van de airbags de Golf is gaan versnellen waarbij het gaspedaal ongeveer voor 98% is ingedrukt. Dit heeft erin geresulteerd dat het voertuig rond de 1,5 seconden voor het activeren van de airbags een geschatte snelheid van 134 km/uur heeft gehad.13

Tussen de 2 en 1,5 seconden voor de aanrijding wordt het gaspedaal losgelaten (0%) en wordt het rempedaal bediend. In dit tijdsbestek wordt ook de ABS geactiveerd hetgeen inhoud dat er een noodremming werd uitgevoerd.14

Rijden op twee rijstroken tegelijk

Uit de analyse van een faselog, opgemaakt uit logbestanden van 10 maart 2019 tussen 01:25 uur en 18:00 uur15, volgt dat de Golf, gelet op de ligging van de detectoren en de gelijktijdige activatie en deactivatie, in de seconden voor de botsing midden op de rijbaan heeft gereden.16

Rood verkeerslicht

Uit het onderzoek Plaats Delict Werking van verkeersregelinstallaties volgt dat alle lantaarns op de betrokken rijrichtingen naar behoren functioneerden17 en dat alle lantaarns in de richting van waaruit de Golf reed vanaf een afstand van ongeveer 100 meter voor de stopstreep goed zichtbaar waren voor naderende automobilisten.18

Uit de analyse van een faselog, opgemaakt uit logbestanden van 10 maart 2019 tussen 01:25 uur en 18:00 uur,19 volgt dat op het moment dat de Golf de stopstreep voor het kruispunt passeerde het verkeerslicht voor hem minimaal 6,7 seconden op rood stond.20 De Renault is het kruispunt op gereden toen het verkeerslicht voor hem al minimaal 4 seconden op groen stond.21

Overlijden [slachtoffer 1]

Verbalisant [verbalisant] was als eerste ter plaatse en zag achterin de auto van de Renault twee kleine jongens liggen. Het werd hem later duidelijk dat de jongens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heetten. Hij zag dat beiden bewusteloos waren en nergens op reageerden22. Hij heeft beide jongens uit de auto gehaald. Op 11 maart 2019 is [slachtoffer 1] aan het door het verkeersongeval opgelopen letsel overleden. [slachtoffer 1] was acht jaar.23

Letsel [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]

Uit de geneeskundige verklaring volgt dat het ongeval traumatisch schedel- en hersenletsel heeft veroorzaakt bij [slachtoffer 3] , waarvoor hij een langdurig revalidatietraject moet doorlopen.24 Bij [slachtoffer 2] is een minimale longcontusi in met name middenkwab en een borstbeenfractuur geconstateerd.25

Bewijsoverweging

Inleidende opmerkingen

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 het eenieder die aan het verkeer deelneemt verboden is om zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt, waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

De vorm van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt ook wel ‘culpa’ genoemd. Culpa behelst een zwaardere vorm van schuld dan het element schuld dat als ondergrens van de verwijtbaarheid bij elk delict aanwezig moet zijn, wil nog van een strafbaar feit kunnen worden gesproken. Culpa betekent kort gezegd: verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Culpa moet worden onderscheiden van opzet.

Met opzet wordt bedoeld dat de dader willens en wetens heeft gehandeld. Hij weet dat zijn handelen een bepaald gevolg zal hebben en hij accepteert dit gevolg. Bij de zogenaamde ‘culpose dader’ ontbreekt dit wilselement; hij wilde het bewuste gevolg niet (hij vertrouwde op een goede afloop), maar het valt hem te verwijten dat het toch is gebeurd. Het gevolg was te vermijden geweest als hij minder onvoorzichtig of onoplettend was geweest.

Met ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt bedoeld: schuld die betrekking heeft op het verkeersongeval. Er is sprake van schuld indien het optreden van de verdachte/bestuurder aanmerkelijk is achtergebleven bij hetgeen in het algemeen van een verkeersdeelnemer wordt geëist. De meetlat waartegen de gedraging van de bestuurder wordt gelegd bestaat aldus uit de eisen die aan de gemiddeld oplettende en verstandige weggebruiker mogen worden gesteld. Van een automobilist wordt in het algemeen geëist dat hij geen verkeersovertredingen maakt, nuchter achter het stuur zit en zijn aandacht op de weg en zijn voertuig houdt.

De schuld heeft geen betrekking op de relatie tussen het gedrag en de dood of het letsel. Dat betekent dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het handelen, kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Schuld

De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte op 10 maart 2019 in de Golf over de ’s-Gravenhoutseweg in Nieuwegein heeft gereden, waarbij hij tegen de Renault is gebotst, die vanuit tegengestelde richting linksaf de kruising op reed. De Renault passeerde daarbij het verkeerslicht terwijl dit groen licht uitstraalde. Als gevolg van de botsing is [slachtoffer 1] overleden en hebben [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Bij de beoordeling van het gedrag van verdachte zijn de volgende omstandigheden van belang:

 Verdachte heeft tijdens het rijden bewust alcohol gedronken, terwijl hij wist dat alcohol op zich, en al helemaal in combinatie met zijn medicijngebruik, het reactievermogen en de rijvaardigheid negatief beïnvloedt.

 Daarbij heeft verdachte de wettelijke toegestane hoeveelheid alcohol ruim overschreden. Verdachte realiseerde zich tijdens het rijden dat hij aangeschoten was.

 Verdachte is de stopstreep voor het kruispunt gepasseerd terwijl het verkeerslicht voor hem al minimaal 6,7 seconden op rood stond.

 Terwijl dit verkeerslicht voor hem al op rood stond, heeft hij het gaspedaal voor 98% ingetrapt. Verdachte reed op dat moment dus ‘plankgas’, wat erin heeft geresulteerd dat de Golf 1,5 seconde voor de aanrijding een geschatte pieksnelheid van 134 km/uur heeft behaald, althans in ieder geval een gemiddelde indicatieve snelheid van tussen de 116 km/uur en 133 km/uur.

 Pas tussen de 2 en 1,5 seconden voor de aanrijding heeft verdachte het gaspedaal losgelaten en het rempedaal bediend.

 Kort voor de aanrijding heeft verdachte midden op de rijbaan, op twee rijstroken tegelijk, gereden.

 Verdachte was met de wegsituatie ter plaatse – en naar dus mag worden aangenomen ook met het feit dat sprake is van kruisend verkeer – bekend.

Deze omstandigheden rechtvaardigen zonder meer de conclusie dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Roekeloosheid

De vraag dient vervolgens te worden beantwoord of de schuld van verdachte bestaat in roekeloosheid.

Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6, in verbinding met artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Of sprake is van roekeloosheid in deze zin zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval.

Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, bepaaldelijk eisen worden gesteld.

Verdachte heeft verklaard dat hij al twee keer eerder ter ontspanning onder invloed van alcohol is gaan autorijden en dat hij zich ervan bewust was dat dat heel onverstandig is, ook omdat hij antidepressiva gebruikt. Dat heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw te gaan autorijden en daarbij ondertussen wodka te drinken. Verdachte realiseerde zich al rijdend dat hij aangeschoten raakte, maar dit bracht hem er niet toe zijn auto te parkeren. Integendeel, hij is blijven rijden, op enig moment zelfs met een excessieve snelheid, op een moment dat het verkeerslicht in zijn richting rood licht uitstraalde. Op dat moment heeft hij het gaspedaal zelfs met 98% ingetrapt zodat zijn toch al te hoge snelheid werd verhoogd tot een geschatte pieksnelheid van 134 km/uur; de gemiddelde indicatieve snelheid op het traject vlak voor het verkeerslicht was tussen de 116 km/uur en 133 km/uur. Pas 2 tot 1,5 seconden voor de botsing, toen het stoplicht dus al secondenlang rood licht uitstraalde, heeft verdachte het gas losgelaten en het rempedaal bediend.

Verdachte moet zich gelet op het voorgaande vlak voor de aanrijding bewust zijn geweest van het risico dat door zijn gedrag een ernstig verkeersongeluk zou ontstaan, en in ieder geval had hij zich hiervan, ook gelet op het feit dat hij eerder onder invloed is gaan rijden, bewust moeten zijn. Desondanks heeft hij dit risico genomen, op een koopzondag aan het einde van de middag.

Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, merkt de rechtbank het bewezen verklaarde gedrag van verdachte aan als roekeloos.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

op 10 maart 2019 te Nieuwegein als bestuurder van een (personen)auto, type Volkswagen, kenteken [kenteken] , daarmee rijdende over de ’s-Gravenhoutseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos,

- terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank (355 ugl) en een hoeveelheid van een of meerdere stoffen (bevattende antidepressiva) waarvan hij wist dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, te weten een medicijn - de rijvaardigheid kon verminderen en

- een kruising met verkeerlichten te naderen en

- met een snelheid tussen de 115 en 130 km/u te rijden en

- midden op de weg te rijden en

- het in zijn richting gekeerde rood licht uitstralende verkeerslicht te negeren en

- zonder zijn snelheid voldoende te minderen en

- zijn voertuig niet (adequaat) tot stilstand te brengen en

- vervolgens met zeer hoge snelheid tegen een personenauto (Renault Clio, kenteken [kenteken] ), die vanuit tegengestelde richting linksaf door het in zijn richting groen licht uitstralende verkeerslicht de kruising op reed, te botsen, waardoor

- [slachtoffer 1] werd gedood en

- [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en hersentrauma werd toegebracht,

- [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken borstbeen, werd toegebracht,

- terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank (355 ugl) en een hoeveelheid van een andere stof (bevattende antidepressiva), waarvan hij wist dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid -kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en

- terwijl verdachte, de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a van deze wet en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie

bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van het

voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorvoertuigen te besturen voor de duur

van vijf jaar

8.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte is niet eerder in aanraking geweest met politie of justitie. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en heeft volledig meegewerkt met het onderzoek door de politie. Hoewel niet te vergelijken met het leed dat hij heeft veroorzaakt bij de nabestaanden en slachtoffers, zal verdachte moeten leven met het feit dat hij een kind heeft doodgereden. Daar komt bij dat verdachte zijn baan zal verliezen, terwijl zijn kansen op de arbeidsmarkt gelet op zijn leeftijd niet groot zijn. De LOVS-oriëntatiepunten adviseren om in geval van een dodelijk ongeval, veroorzaakt door ernstige schuld, waarbij sprake is van alcoholgebruik, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 12 tot 24 maanden met daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie tot vier jaar. Gelet op alle omstandigheden acht de raadsman passend een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest met daarnaast een groot voorwaardelijk deel, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaar.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Omstandigheden en ernst van het feit

Verdachte is op 10 maart 2019, in een voor hem stressvolle periode, ter ontspanning bewust onder invloed van alcohol gaan autorijden. Hij realiseerde zich hoe gevaarlijk dat was. Tijdens de autorit merkte hij dat de alcohol vat op hem kreeg. Het is blijkbaar niet in hem opgekomen om zijn auto ergens langs de kant van de weg te parkeren en zijn weg op een andere manier te vervolgen. Integendeel, hij heeft vervolgens op verschillende momenten onbegrijpelijke keuzes gemaakt, met zeer ernstige gevolgen. Hij heeft excessief hard gereden, op een moment dat het verkeerslicht in zijn richting rood licht uitstraalde. Op dat moment heeft hij het gaspedaal zelfs met 98% ingetrapt zodat zijn toch al te hoge snelheid werd verhoogd tot een geschatte pieksnelheid van 134 km/uur. De indicatieve gemiddelde snelheid op het stuk vlak voor de botsing was tussen de 116 km/uur en 133 km/uur. Pas 2 tot 1,5 seconden voor de botsing, toen het stoplicht dus al secondenlang rood licht uitstraalde, heeft verdachte het gas losgelaten en het rempedaal bediend. Een botsing met een kruisende auto met daarin een jong gezin – ouders met hun twee jonge kinderen – was toen niet meer te vermijden. Als gevolg van de enorme klap is de jongste zoon, [slachtoffer 1] , overleden. De klap heeft bij de oudste zoon, [slachtoffer 3] , traumatisch schedel- en hersenletsel veroorzaakt, waarvoor hij een langdurig revalidatietraject moet doorlopen. Ook de moeder, [slachtoffer 2] , heeft door onder meer een breuk van het borstbeen zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Verdachte is door zijn roekeloze rijgedrag verantwoordelijk voor een verkeersongeval waardoor een jonge jongen uit het leven is gerukt. Daarmee heeft verdachte de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. De ouders en grootouders hebben ter zitting bij het uitoefenen van het spreekrecht verteld hoe enorm het verdriet is: de ouders hebben verklaard dat met de dood van [slachtoffer 1] ook een stuk van henzelf is gestorven.

Terwijl [slachtoffer 1] in de ene kamer in het ziekenhuis stierf, lag [slachtoffer 3] in de kamer daarnaast voor zijn leven te vechten. De wanhoop die de ouders op dat moment moeten hebben ervaren is onbeschrijfelijk. Ter zitting hebben de ouders verteld hoezeer zij hun zoontje missen, hoezeer [slachtoffer 3] zijn broertje [slachtoffer 1] mist en hoe zij allen worstelen met de gevolgen daarvan. Het leven van het gezin is compleet veranderd.

De persoon van de verdachte

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 mei 2019 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Uit het Pro Justitiarapport van drs. T. ’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, van 15 mei 2019 volgt dat verdachte een (boven)gemiddeld intelligente, wat sociaal angstige en introverte man is bij wie ten tijde van het onderzoek geen aanwijzingen zijn van een psychiatrische stoornis. Er speelden voorafgaand aan het ten laste gelegde weliswaar toegenomen stemmings- en spanningsklachten, maar dit is begrijpelijk gezien de onzekerheid over het voortbestaan van zijn baan waarin hij al 35 jaar werkzaam was. Niet is gebleken van een stoornis in het alcoholgebruik. Verdachte is niet eerder met politie of justitie in aanraking geweest en er komt geen patroon naar voren van gedragsproblemen of agressie. Hoewel verdachte vermijdende trekken vertoont, is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis of een ontwikkelingsstoornis. Verdachte toont zich volgens de psycholoog oprecht schuldbewust. De psycholoog ziet geen aanleiding om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op herhaling van vergelijkbaar delictgedrag wordt ingeschat als laag. De bevindingen van dr. S.J. Roza, psychiater, die zijn neergelegd in het rapport van 16 mei 2019, zijn in lijn met de bevindingen van de psycholoog. Ook de psychiater is van mening dat verdachte niet door psychiatrische stoornissen beperkt is geweest in het maken van gedragskeuzes. Hij wist dat hij met het gebruik van alcohol risico’s liep in het verkeer, en moet in staat worden geacht naar deze kennis te hebben kunnen handelen.

Uit het reclasseringsrapport van 23 mei 2019, opgemaakt door reclasseringswerker S. Dijkslag, volgt dat verdachte in staat is naar zijn gedrag (bij oplopende stress) en alcoholgebruik te kijken en hier reeds gesprekken over voert met de inrichtingspsycholoog. De reclassering acht dit van belang om de lage kans op recidive verder te reduceren. Gezien de houding van verdachte gaat de reclassering er vanuit dat hij in een vrijwillig kader aan zijn gedrag zal blijven werken, zodat reclasseringstoezicht geen toegevoegde waarde heeft.

Op basis van het voorgaande en ook de behandeling ter terechtzitting is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte zich bewust is van zijn schuld, berouw heeft en verantwoordelijkheid wil nemen voor wat hij heeft gedaan. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij zich realiseert dat geen enkele straf de gevolgen van zijn handelen ongedaan kan maken. Hij heeft verklaard dat hij slechts boete kan doen en daarom straf verdient.

De strafmaat

De rechtbank oordeelt dat het bewezenverklaarde een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur rechtvaardigt.

De rechtbank beseft dat geen enkele straf recht zal doen aan het leed van de nabestaanden en aan het gemis dat zij hun leven lang zullen ervaren. Toch dient bij het bepalen van de strafmaat ook voor ogen te worden gehouden dat verdachte nooit de bedoeling heeft gehad een verkeersongeval te veroorzaken met de dood van [slachtoffer 1] en het zwaar lichamelijk letsel van zijn broer en moeder tot gevolg. Verdachte is verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn handelen, maar van opzet is geen sprake.

In dit licht heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat gekeken naar de zogeheten LOVS-oriëntatiepunten, waarin uitgangspunten voor de strafmaat zijn neergelegd. Daarin wordt bij het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval, onder invloed van alcohol en met een zeer hoge mate van schuld, als uitgangspunt voor de strafmaat genoemd een gevangenisstraf van drie jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier jaar.

Bij verdachte is echter sprake van een hogere mate van schuld, te weten roekeloosheid. De rechtbank heeft daarom bij het bepalen van de strafmaat ook gekeken naar vonnissen van andere rechtbanken en van gerechtshoven in gevallen van verkeersongelukken, waarbij sprake was van roekeloosheid. Uit deze rechtspraak blijkt dat in veel gevallen een gevangenisstraf van lange duur is opgelegd. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van zes jaren vindt de rechtbank, mede op basis van deze rechtspraak, echter te hoog.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar. De tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt op de duur van de gevangenisstraf in mindering gebracht.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en

M.C. Danel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2019.

Mr. E.J.W. Verhaagh is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2019 te Nieuwegein als bestuurder van een

motorrijtuig (te weten een (personen)auto, type Volkswagen, kenteken

[kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de 's-Gravenhoutseweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende

drank (355 ugl) en/of een hoeveelheid van een of meerdere andere

stoffen (bevattende antidepressiva) waarvan hij wist of redelijkerwijs

moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met

het gebruik van een andere stof, te weten (onder meer) een of meerdere

medicijn(en) - de rijvaardigheid kon verminderen en/of

- een kruising met verkeerslichten te naderen en/of

- met een snelheid van tussen de 115 en 130 km/u, in elk geval een

(aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane

maximumsnelheid van 70 km/u te rijden en/of

- ( gelijktijdig) meerdere rijstroken te gebruiken, althans midden op de

weg te rijden en/of

- het in zijn richting gekeerde roodlicht uitstralende verkeerslicht te

negeren en/of

- zonder zijn snelheid (voldoende) te minderen en/of zijn voertuig niet

(adequaat) tot stilstand te brengen en/of

- ( vervolgens) (met (zeer) hoge snelheid) tegen een (personen)auto (type

Renault Clio, kenteken [kenteken] ) die vanuit tegengestelde richting

linksaf door het in zijn richting groenlicht uitstralende verkeerslicht de

kruising op reed, te botsen/aan te rijden, waardoor

- een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of

- een ander (genaamd [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een

schedelbasisfractuur en/of hersentrauma en/of psychisch letsel, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte

of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan,

- een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te

weten een gebroken borstbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

- terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende

drank (355 ugl) en/of een hoeveelheid van een of meerdere andere

stoffen (bevattende antidepressiva), waarvan hij wist of redelijkerwijs

moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met

het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen,

althans terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dat hij niet tot

behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en/of

- terwijl hij, verdachte, de krachtens deze wet vastgestelde

maximumsnelheid in ernstige matige heeft overschreden;

art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

( art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 april 2019, genummerd PL0900-2019071616, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 337. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse 2019071616-8, van 19 maart 2019, pagina 90.

3 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict Werking van verkeersregelinstallaties 2019071616-31, van 19 maart 2019, pagina 127.

4 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict Werking van verkeersregelinstallaties 2019071616-31, van 19 maart 2019, pagina 128.

5 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse 2019071616-8, van 19 maart 2019, pagina 117.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 51.

7 Proces-verbaal rijden onder invloed, pagina’s 58 en 60.

8 Proces-verbaal van de terechtzitting.

9 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse 2019071616-8, van 19 maart 2019, pagina 96.

10 Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie 2019071616-32, van 19 maart 2019, p. 182.

11 Proces-verbaal voertuigonderzoek BHV: 2019071616-33, pagina 196.

12 Proces-verbaal voertuigonderzoek BHV: 2019071616-33, pagina 195.

13 Proces-verbaal voertuigonderzoek BHV: 2019071616-33, pagina 196.

14 Proces-verbaal voertuigonderzoek BHV: 2019071616-33, pagina 197.

15 Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie 2019071616-32, van 19 maart 2019, pagina 177.

16 Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van de gegevens van een verkeersregelinstallatie 2019071616-32, van 19 maart 2019 , pagina 180.

17 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict Werking van verkeersregelinstallaties 2019071616-31 van 19 maart 2019, pagina 138.

18 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict Werking van verkeersregelinstallaties 2019071616-31 van 19 maart 2019, pagina 136.

19 Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie 2019071616-32, van 19 maart 2019, pagina 177.

20 Proces-verbaal Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie 2019071616-32, van 19 maart 2019, pagina 180.

21 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse 2019071616-8, van 19 maart 2019, pagina 117.

22 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 40 onderaan en 41.

23 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood, pagina 79.

24 Medische verklaring van 29 mei 2019, pagina 331.

25 Medische verklaring van 28 mei 2019, pagina 335.