Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2859

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
7379821 MC EXPL 18-10438 ML/1133
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, uitbetaling min-uren, artikel 7:628 lid 1 BW, geheimhoudingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 7379821 MC EXPL 18-10438 ML/1133

Vonnis van 26 juni 2019

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. C.A. Fokker

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 april 2019

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte met nagekomen productie 15 van 21 mei 2019 van de zijde van [gedaagde]

  • -

    de comparitie na antwoord waarvan aantekening is gehouden door de griffier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] was in dienst bij [gedaagde] in de functie van Medewerker Horeca in de periode van 13 juni 2016 tot en met 28 februari 2018. Feitelijk werkte [eiseres] bij [bedrijfsnaam] , een cliënt van [gedaagde] . De arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging van [eiseres] .

2.2.

In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst staat het volgende:

“Artikel 14: geheimhouding

14.1

De werknemer erkent, dat aan hem door de werkgever geheimhouding is opgelegd van alle bijzonderheden het bedrijf van de werkgever en de cliënten van de werkgever betreffende, of daarmee verband houdende.

14.2

Het is aan de werknemer verboden om hetzij tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst, hetzij erna op enigerlei wijze, direct of indirect in welke vorm ook, mededelingen te doen van of aangaande het bedrijf van de werkgever alsmede van of aangaande de cliënten van de werkgever,

14.3

Bij een overtreding van artikel 14.1/2 verbeurt de werknemer een onmiddellijk opeisbare boete van 5000 euro per overtreding vermeerdert met 500 euro per dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever op nakoming en/of schadevergoeding.”

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst zijn algemene voorwaarden zoals opgenomen in het huishoudelijk reglement (HHR) van toepassing. In artikel 6 HHR staat:

6. Uren registratie

(…)

De uren registratie is gebaseerd op de eindroosters die worden aangeleverd door de leidinggevende.

De overeengekomen uren uit je arbeidsovereenkomst worden iedere maand uitbetaald. Als je een maand minder werkt dan afgesproken moeten deze uren worden ingehaald. De extra gewerkte uren in een volgende maand krijg je dan niet uitbetaalt. Dit heet; tijd voor tijd. Andersom is ook mogelijk.

(…)

Je blijft zelf verantwoordelijk voor een correcte registratie

(…)”

2.4.

[eiseres] had aanvankelijk een arbeidsovereenkomst voor 30 uren per week. Eind 2016 is afgesproken dat zij vanwege haar opleiding tijdelijk niet op vrijdag zou werken en deze uren in de avond of in het weekend zou inhalen. Later is de arbeidsduur op verzoek van [eiseres] met ingang van 1 november 2017 uitgebreid naar 35 uur per week.

2.5.

Op 4 januari 2018 heeft [eiseres] haar arbeidsovereenkomst opgezegd omdat zij een andere werkgever had gevonden. In reactie op een e-mail van [eiseres] over haar laatste werkdag bij [gedaagde] heeft de heer [A] , directeur van [gedaagde] , haar op 15 januari 2018 de volgende e-mail teruggeschreven:

“(…)

Ik ben bang dat je [voornaam van B] verkeerd hebt begrepen.

Aanzeggen doe je tegen het einde van de lopende maand. Dat betekend dat jij kan aanzeggen per hete einde van januari en dan moet nog 1 maand in acht nemen. Dat wilt zeggen dat je laatste werkdag 28-02-2018 zal zijn.

Dat betekend dat je dient te werken tot eind februari. Als je eventueel nog vakantie had staan dan zou dit eventueel in aanmerking komen voor een opname zodat je eerder weg kunt. Echter sta je met je uren in de min, en omdat je zelf ontslag hebt genomen moet je die terug betalen/worden die verrekend met nog resterende vergoedingen zoals vakantiegeld en vakantie tegoeden.

Wellicht kan je een afspraak maken met [voornaam van B] om je poel aan min-uren terug te dringen door extra te werken komende maand.(…)”

2.6.

In een e-mailbericht van 22 januari 2018 heeft [A] het volgende aan [eiseres] geschreven:

“(…) Ik heb bij [voornaam van B] navraag gedaan en die geeft aan dat hij je heeft gemeld dat je tot 1 maart 2018 zou moeten doorwerken (…). Hij heeft je verteld dat je wellicht eerder zou kunnen stoppen als je tegoeden voldoende hoog zouden zijn en de planning dit toelaat. (…) Zoals het er nu naar uit ziet heb je niet voldoende saldo en zal je derhalve tot eind februari moeten doorwerken. Je saldo aan minuren is momenteel 108,25 (…)”

2.7.

[eiseres] reageert kort daarna, eveneens op 22 januari 2018 als volgt hierop:

“(…) Dit is helemaal niet waar ik heb akkoord gekregen om 5 februari te stoppen (…) daarnaast kan de minuren ook niet kloppen want zoals ik al vermeld heb heb ik tot 2 maandengeleden al 90 uur heb moeten inhalen dus dat betekend dat ik in 2 maanden tijd 108 minuren zou moeten hebben opgebouwd dat betekend dus dat ik bijna niet gewerkt heb volgens jullie echter heb ik me eigen roosters bijgehouden daar komt iets heel anders uit dus ik vind het best wel vervelend dat jullie dit op zo een manier afsluiten (…)”

2.8.

In een e-mailbericht van 24 januari 2018 heeft [A] het volgende aan [eiseres] geschreven:

“(…) De tijd tikt weg om uren in te gaan halen. Ik stel dan ook voor dat je hier zo spoedig als mogelijk langskomt om de door jou bijgehouden roosters naast de roosters te leggen zoals wij die van de locatie hebben ontvangen. Een uitdraai van de uren heb je reeds ontvangen dus mocht er een discrepantie zitten met je eigen registratie dan kunnen wij daar gezamenlijk direct naar kijken. (…) Dit is de meest efficiënte manier, zeker gezien het feit dat je nog maar 5 weken hebt om de uren in te halen. Let erop dat de registratie zoals wij die vanuit de locatie hebben ontvangen, leidend zijn. Je hebt immers conform het HHR zelf de verantwoordelijkheid en de mogelijkheid gehad om je roostertijden in de betreffende weken zelf aan te passen wanneer je afwijkende uren zou hebben gewerkt.(…)”

2.9.

[eiseres] is vanaf 5 februari 2018 tot het einde van de arbeidsovereenkomst arbeidsongeschikt geweest.

2.10.

[gedaagde] heeft bij de eindafrekening loon voor 111 uren (hierna: de min-uren) in mindering gebracht.

2.11.

De heer [B] was de leidinggevende van [eiseres] gedurende haar dienstverband bij [gedaagde] . Een medewerker van [bedrijfsnaam] heeft op 15 augustus 2018 het volgende e-mailbericht aan [B] gestuurd:

“Hi [voornaam van B] ,

Werd gebeld door de heer [C] uit [plaatsnaam] , hij belt voor [eiseres] die bij [gedaagde] heeft gewerkt en blijkbaar nog geld krijgt. Heb gezegd dat ik de boodschap doorgeef maar dus niet weet of jij er wat mee doet. (…)”

2.12.

Op 17 augustus 2018 stond op de vacaturesite www. [.] .nl het volgende vermeld onder een advertentie van [gedaagde] :

Slecht werkgeverschap

Catering medewerker (voormalig medewerker) – [plaatsnaam] – 16 augustus 2018

Helaas houd dit bedrijf zich niet aan de passende cao en ook niet aan de wettelijke bepalingen. Ook bij mij is er een aardig geld bedrag zonder pardon ingehouden. Als ik hier verhaal over haal word er heel onproffessioneel gereageerd en gehandeld door zowel werkgever als de rest van het HR Team. Ik vind dit echter zeer betreurend dat werknemers zo worden behandelt en ik hoop dat er meer mensen zullen zijn die hun verhaal zullen doen. Erg spijtig dat zoveel mensen de dupe hiervan worden”

2.13.

Mevrouw [D] is directeur bij [gedaagde] . Zij heeft op 20 mei 2019 een verklaring opgesteld met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

Op of omstreeks 15 augustus werd ik gebeld door meneer [C] . Hij stelde zich voor als de vader van [voornaam van eiseres] ( [eiseres] ) en zei dat hij [voornaam van eiseres] had gesproken. (…) [voornaam van eiseres] had meneer [C] gevraagd om te bellen omdat er een verkeerde afrekening was gemaakt. Ik vertelde dat de afrekening wel degelijk correct was opgemaakt.

Zijn toonstemming werd behoorlijk agressief, hij schreeuwde dat ze nog geld van [gedaagde] kreeg en dat we dat onmiddellijk moesten overmaken. Op luide toon zei hij dat we uren hadden inhouden en deze direct moesten uitbetalen. (…)

Meneer [C] werd steeds kwader en schreeuwde dat hij en [voornaam van eiseres] ons in de media zwart ging maken en dat hij al onze opdrachtgevers ging benaderen en er voor ging zorgen ging vertellen dat we de salarissen niet betaalde. Hij ging er voor zorgen dat er niemand meer zaken met [gedaagde] wilde doen en [gedaagde] kapot ging! (…)

Ik heb meneer meteen verteld dat dit niet zo een goed idee was omdat dir een grove leugen is en hij zijn dochter dan ook in ernstige problemen zou bezorgen. Ik vertelde dat er een geheimhoudingsbeding met een boete clausule in haar arbeidsovereenkomst staat. Ik heb verteld dat we [voornaam van eiseres] en hem direct aansprakelijk zouden stellen voor de schade en dat [voornaam van eiseres] dan ernstig in de problemen zou komen. Meneer schreeuwde nog wat grove woorden naar me toe en verbrak vervolgens de verbinding, (…)”

2.14.

[B] heeft op 17 januari 2019 een schriftelijke verklaring opgesteld met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

“Eind 2016 kwam [voornaam van eiseres] naar mij toe met de mededeling dat zij in 2017 iedere vrijdag vrij wilde zijn omdat ze een opleiding ging volgen. Ik wilde haar opleiding niet in de weg zitten en heb toen afgesproken dat ze de uren die ze normaal op vrijdag werkte dan in de avonduren of in het weekend zou moeten inhalen, want ze maakte te weinig uren. [voornaam van eiseres] had steeds een ander smoesje waarom ze niet kon komen werken.

In de zomer van 2017 was haar saldo zo ver opgelopen dat ik met haar het gesprek ben aangegaan om een plan te bedenken zodat ze haar min-uren niet verder zouden oplopen en de uren terugliepen. Hier werkte ze in het begin goed aan mee.

Omdat ik zo een goede band had met haar, en het volste vertrouwen had dat zij kon uitgroeien tot wellicht een hogere functie heb ik haar vaak met haar gesproken. Ze vertelde mij dat moeite had met rondkomen en eigenlijk een fulltime contract nodig had en dat dat ook de reden was dat ze niet lekker in haar vel zat en steeds niet kon werken. Ze vroeg aan mij of dat niet mogelijk was. Ik heb daarop contact opgenomen met HR. Ik heb voor haar gevraagd naar de mogelijkheden Ik kreeg hier geen akkoord voor omdat [voornaam van eiseres] nog steeds een flink min-uren saldo had staan. Ik heb dat besproken met [voornaam van eiseres] die mij beloofde dat ze de uren (zeker na haar studie) zou inhalen. Ik heb hemel en aarde moeten bewegen en uiteindelijk akkoord gekregen om haar contract naar 35 uur per week uit te breiden. Ik zag dit als een investering in de toekomst.

In januari 2018 verraste ze mij compleet door ontslag te nemen, ze vertelde dat ze een nieuwe uitdaging had gevonden. (…) Ik heb haar gewezen op haar opzegtermijn en haar verantwoording. Ik heb haar verteld dat ze nog wel de opgebouwde min-uren zou moeten gaan inhalen of ze werden ingehouden van haar salaris. Vanaf dat moment veranderde [voornaam van eiseres] op slag. Ze wilde eigenlijk direct weg en alles laten vallen.(…)”

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. veroordeling van [gedaagde] om aan haar te voldoen € 1.165,50, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de voldoening;

II. veroordeling van [gedaagde] om gelijktijdig met elke betaling aan haar een deugdelijke bruto/netto loonspecificatie te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 150,00 per dag, waaronder een dagdeel heeft te gelden als een gehele dag, tot een maximum van € 10.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met het beschikbaar stellen van die loonspecificatie, althans op straffe van een andere door de kantonrechter te bepalen dwangsom

III. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat zij op grond van artikel 7:628 lid 1 BW recht heeft op volledige uitbetaling van haar loon over de periode dat zij in dienst was, omdat het voor rekening van [gedaagde] dient te komen dat zij de overeengekomen arbeid niet volledig heeft kunnen uitvoeren. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] haar pas op het allerlaatst, vanaf 16 januari 2018, gewezen op haar min-uren en dat zij die moest inhalen. Kort daarna werd zij arbeidsongeschikt. Dat zij deze uren niet heeft kunnen inhalen kan dan in redelijkheid ook niet voor haar rekening komen.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. [gedaagde] voert hiertoe aan dat zij [eiseres] er telkens en tijdig op heeft gewezen dat zij haar niet gewerkte uren alsnog moest inhalen, maar dat [eiseres] hier telkens geen gehoor aangaf.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2018 en met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

3.6.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [gedaagde] dat [eiseres] het geheimhoudingsbeding van haar arbeidsovereenkomst heeft geschonden door haar vader, de heer [C] , namens haar contact op te laten nemen met [bedrijfsnaam] over het tegoed dat zij stelt te hebben. Ook heeft [eiseres] onder een advertentie van [gedaagde] negatief commentaar geplaatst.

3.7.

[eiseres] betwist dat het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Met haar vader heeft zij al jaren geen contact meer. Haar vader heet ook niet [C] .

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

In geschil is of en hoeveel min-uren [eiseres] heeft opgebouwd en of het voor rekening van [gedaagde] moet komen dat [eiseres] deze uren uiteindelijk niet heeft gewerkt. In artikel 7:628 lid 1 BW is bepaald dat de werknemer het recht op naar tijdruimte vastgestelde loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.

4.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter dient [gedaagde] in onderhavige zaak de min-uren uit te betalen. [gedaagde] wenst terecht dat haar werknemers de uren waarvoor zij betaald worden, ook daadwerkelijk werken. Maar het ligt als goed werkgever op haar weg, ter bescherming van haar werknemers, om hier actief op te sturen.

Overwogen wordt dat [eiseres] pas vanaf 15 januari 2018 schriftelijk en ondubbelzinnig (zie 2.5. t/m 2.8.) wordt gewezen op haar plicht de min-uren in te halen en dat zij geen vakantie-uren meer heeft om eerder te stoppen met haar werk. De verklaring van [B] , waarin hij stelt met [eiseres] over haar pool aan min-uren te hebben gesproken, overtuigt onvoldoende. De inhoud van deze verklaring wordt ten eerste betwist door [eiseres] . Maar ook indien [B] wordt gevolgd in zijn verklaring dat hij als leidinggevende van [eiseres] meerdere keren met haar over haar min-uren heeft gesproken, volstaat dit niet als onderbouwing dat [gedaagde] als werkgever voldoende adequaat heeft gehandeld. Gelet op de eigen stelling van [gedaagde] heeft [eiseres] al jarenlang min-uren, haalt zij slechts af en toe wat in, maar laat zij meestal met smoesjes de mogelijkheid om extra uren te werken, aan zich voorbij laat gaan. In zo’n situatie mag van een werkgever, althans van een werkgever die over een langere periode opgebouwde min-uren bij het einde van de arbeidsovereenkomst wenst te verrekenen, meer verwacht worden dan te wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de werknemer. Bij [eiseres] heeft deze situatie meerdere jaren bestaan en het inhalen is op de lange baan geschoven. In het Huishoudelijk Reglement (zie 2.3.) is bepaald dat niet gewerkte uren ingehaald dienen te worden. Daarbij wordt er met zoveel woorden vanuit gegaan dat deze korte tijd later zullen worden ingehaald, mede gelet op de zinsnede “de volgende maand”. In de regel zal het dan om een paar uren gaan, die eenvoudig weer ingehaald kunnen worden, zonder dat daar ingewikkelde verrekeningen voor nodig zijn. Bij [eiseres] zou het echter gaan om meer dan 100 uren. Kennelijk heeft [gedaagde] dit zo laten gebeuren.

Het heeft [gedaagde] er zelfs niet van weerhouden op enig moment een contractswijziging goed te keuren op grond waarvan [eiseres] nog meer uren zou gaan werken. En dat terwijl zij op dat moment al een forse achterstand had vanwege de afspraak dat zij op vrijdag vanwege haar opleiding niet hoefde te werken. [B] heeft deze urenwijziging goedgevonden, zo volgt uit zijn verklaring, omdat zij had toegezegd deze uren na haar studie te zullen inhalen. [gedaagde] zag er dus destijds geen probleem in dit op de lange termijn te schuiven. Zij heeft de verantwoordelijkheid ten aanzien van in te halen uren vervolgens wel geheel bij [eiseres] gelaten, die kennelijk met medeweten van haar leidinggevende aldus een stuwmeer aan ongewerkte uren opbouwde.

Ter zitting is duidelijk geworden waarom dit gedurende het dienstverband op zijn beloop is gelaten. [gedaagde] zag in [eiseres] een talentvolle medewerker, met een grote kans op promotie naar een meer veeleisende (managers)functie, waarin de uren vanzelf wel gemaakt zouden gaan worden. [gedaagde] was dan ook echt teleurgesteld door de onverwachte opzegging van [eiseres] . Maar naar het oordeel van de kantonrechter is het niet redelijk om [eiseres] kort voor haar vertrek, ineens wel actief aan te spreken op haar plicht deze in te halen. Toen was het te laat en de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] heeft het zelfs onmogelijk gemaakt. [gedaagde] had hier anders en eerder in moeten optreden. Dat [eiseres] de afgesproken uren uiteindelijk niet volledig heeft gewerkt dient voor rekening van [gedaagde] te blijven, hetgeen betekent dat zij geen min-uren op de eindafrekening in mindering had mogen brengen. Het achterstallige loon van € 1.165,50 wordt dan ook toegewezen.

4.3.

De wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW, waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, is terecht gevorderd en wordt dan ook toegewezen. Dit komt neer op een bedrag van € 582,75. De wettelijke rente daarover, vanaf de dag van de dagvaarding wordt eveneens toegewezen.

4.4.

De gevorderde loonspecificaties worden toegewezen. De dwangsomvordering wordt afgewezen, nu verder niet is onderbouwd waarom de verwachting is dat [gedaagde] deze niet zonder dwangsom zal overleggen.

4.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 102,31

- griffierecht € 79,00

- salaris gemachtigde € 240,00 (2 punten x tarief € 120,00)

Totaal € 421,31

In reconventie

4.6.

De vordering in reconventie wordt afgewezen. [gedaagde] heeft ter zitting zelf aangevoerd dat zij het niet hard kan maken dat de onder 2.12. weergegeven opmerking onder een advertentie van [gedaagde] afkomstig is van [eiseres] . Ten aanzien van de onder 2.11. en 2.13. weergegeven acties van ”de heer [C] ” geldt het volgende. [eiseres] heeft kennelijk een kennis van haar, meneer [C] , die in zijn communicatie naar [gedaagde] en [bedrijfsnaam] zich voordeed als haar vader, ingelicht over haar moeilijkheden met [gedaagde] . Hoewel [eiseres] ter zitting nogal vaag was in haar toelichting wie nu die meneer [C] was en wat zij hem heeft verteld en hoe deze persoon erbij is gekomen op grove wijze verhaal te halen bij [gedaagde] en [bedrijfsnaam] , kan haar hiermee nog niet verweten worden dat zij de geheimhoudingsplicht van artikel 14.1 en 14.2 van haar arbeidsovereenkomst heeft geschonden. Deze geheimhoudingsplicht is er op gericht dat er geen bijzonderheden van bedrijf naar buiten komen, waardoor het bedrijf, bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) in haar concurrentiepositie geschaad kan worden. Deze geheimhoudingsplicht gaat echter niet zo ver dat een voormalig werknemer als [eiseres] in privékring zich niet mag beklagen over een geschil ten aanzien van haar loon. Dit klemt te meer nu zij zich daar ook terecht over heeft beklaagd (zie conventie). Niet hard gemaakt kan worden, laat staan bewezen, dat meneer [C] zijn intimiderend bedoelde acties op instructie van [eiseres] heeft uitgevoerd. Dit kan [eiseres] in rechte dan ook niet verweten worden. Dat laat onverlet dat [eiseres] wel wat zorgvuldiger mag zijn in wie zij in vertrouwen neemt over haar professionele problemen.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 420,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 210,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.748,25 met de wettelijke rente over € 582,75 vanaf de dagvaarding tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 421,31, waarin begrepen € 240,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om gelijktijdig met de onder 5.1. en 5.2. genoemde betalingen een deugdelijke bruto/netto loonspecificatie te verstrekken;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

5.6.

wijst de vordering af;

5.7.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 420,00 aan salaris gemachtigde;

5.8.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019.