Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2785

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
UTR 18/4254
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

maatwerkvoorschriften geluid

artikel 2.17 en 2.20 Activiteitenbesluit

Verweerder is in redelijkheid overgegaan tot het stellen van nieuwe maatwerkvoorschriften voor geluid voor een fabriek in (prefab) betonproducten. Door de systematiek van de Wmb en het Activiteitenbesluit kan verweerder niet verplicht worden om het aanleggen van een geluidsscherm als middelvoorschrift in de maatwerkvoorschriften op te nemen. Verweerder is wel bereid om te bemiddelen tussen eiser en de fabriek zodat partijen verder kunnen praten over manieren waarop de overlast voor eiser beperkt kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/4254

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Brenk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

Met het besluit van 30 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder met betrekking tot het aspect geluid maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien de inrichting van [derde-partij] B.V. (hierna: de inrichting), gelegen aan [adres] in [vestigingsplaats] .

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] . Namens de inrichting is verschenen ing. [B] , werkzaam voor adviesbureau [naam adiesbureau] .

Overwegingen

Inleiding

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De inrichting is een betonfabriek voor de productie van diverse (prefab) betonproducten en ligt op industrieterrein [naam industrieterrein] in [plaatsnaam] . Dit terrein is een geluidgezoneerd industrieterrein. Sinds oktober 2014 zijn voor de inrichting maatwerkvoorschriften van toepassing. Omdat de inrichting zijn bedrijfsactiviteiten gedeeltelijk heeft gewijzigd en er sprake is van een toename van de productie, zijn de maatwerkvoorschriften uit 2014 verouderd. De inrichting heeft daarom op 28 augustus 2017 en 7 maart 2018 bij verweerder een melding activiteitenbesluit gedaan voor de wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten. Dit heeft geleid tot het bestreden besluit zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. In de directe omgeving van de inrichting bevinden zich diverse bedrijven. Het industrieterrein wordt aan de westzijde begrenst door het [..] . Aan de overzijde van het [..] bevinden zich enkele woningen. Eiser is woonachtig aan de overzijde van het [..] , ten zuidwesten van de inrichting.

Het bestreden besluit

3. Het bestreden besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbereid en op 19 juli 2018 ter inzage gelegd. In deze periode heeft eiser een zienswijze ingediend tegen de ontwerpbeschikking. In het bestreden besluit heeft verweerder de door eiser ingediende zienswijze ongegrond verklaard.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder de maatwerkvoorschriften van 3 oktober 2014 ingetrokken en vervangen. Verweerder heeft in de nieuwe maatwerkvoorschriften voor de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting geluidsvoorschriften vastgesteld. Ten aanzien van de woning van eiser heeft verweerder de volgende geluidsnormen vastgesteld: 46 dB overdag (van 07.00 tot 19.00 uur), 43 dB in de avond (van 19.00 tot 23.00 uur) en 36 dB in de nacht (van 23.00 uur tot 7.00 uur). In het bestreden besluit zijn verder drie middelvoorschriften vastgesteld voor het gebruik van de hoge drukreiniger, het vullen van de mixers en het lossen van cementbulkwagens. Tot slot zijn er in het bestreden besluit afwijkende geluidsnormen vastgesteld voor incidentele bedrijfssituaties, waaronder het gebruik van een puinbreker en het afvoeren van betonelementen per schip.

De standpunten van partijen

5. Eiser heeft al jaren geluidsoverlast van de inrichting en de overige bedrijven die op het bedrijventerrein zijn gevestigd. Hierdoor wordt het woongenot van eiser verstoord. Bovendien ervaart hij door de overlast veel stress en heeft hij gezondheidsklachten. In 2014 heeft eiser met verweerder afspraken gemaakt over de hoogte van een geluidsscherm bij de inrichting. Volgens eiser zou het geluidsscherm ten minste 4 meter en op sommige plekken 5 meter hoog moeten zijn. Het huidige geluidsscherm voldoet daar niet aan. Op de zitting heeft eiser bevestigd dat hij de vastgestelde geluidsbelasting (doelvoorschriften) in de maatwerkvoorschriften niet betwist, maar dat de afspraken over het geluidsscherm als middelvoorschrift in de maatwerkvoorschriften moeten worden opgenomen. Als alternatief heeft eiser aan verweerder verzocht om hem een andere standplaats toe te kennen of om hem een budget aan te bieden voor de verplaatsing van zijn woning.

6. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat bij het vaststellen van de geluidsnormen is uitgegaan van de aanwezigheid van het geluidsscherm. Uit een controle van verweerder is gebleken dat het aanwezige geluidsscherm niet de hoogte heeft zoals is beschreven in het akoestisch rapport uit 2017. Hierdoor is de huidige situatie niet meer gelijk aan de situatie die bestond ten tijde van het vaststellen van de geluidsnormen. Verweerder is daarom een handhavingstraject gestart. Dat staat los van deze maatwerkvoorschriften. Het geluidsscherm kan volgens verweerder echter niet als middelvoorschrift in de maatwerkvoorschriften worden opgenomen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de systematiek van de Wet milieubeheer (Wmb) en het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Hieruit volgt dat verweerder doelvoorschriften kan opleggen voor de maximale geluidsbelasting door een inrichting. De inrichting heeft vervolgens zelf de vrijheid om te bepalen welke maatregelen er worden getroffen om aan de doelvoorschriften te voldoen. Verweerder heeft op de zitting verder toegelicht dat ook de oude maatwerkvoorschriften uit 2014 waren opgesteld als doelvoorschrift.

Het toetsingskader

7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat verweerder beleidsruimte toekomt bij beantwoording van de vraag of hij gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en dient verweerder daarbij een belangenafweging te maken1. Uit de toelichting bij het Activiteitenbesluit volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven. Indien wordt besloten tot het stellen van maatwerkvoorschriften, heeft verweerder een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. De beoordeling van de rechtbank ziet dan ook uitsluitend op de vraag of verweerder in redelijkheid is overgegaan tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

De beoordeling door de rechtbank

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de maatwerkvoorschriften kunnen stellen zonder daarbij het geluidsscherm als middelvoorschrift op te nemen. Zoals ook volgt uit het onder 7. beschreven toetsingskader heeft verweerder beleidsruimte om maatwerkvoorschriften te stellen. Verweerder kan dan ook niet verplicht worden om in de maatwerkvoorschriften ook middelvoorschriften op te nemen. Op de zitting heeft verweerder bovendien duidelijk gemotiveerd toegelicht dat zij geen middelvoorschrift heeft opgelegd omdat dit niet past in de systematiek van de Wmb en het Activiteitenbesluit. De rechtbank kan deze toelichting van verweerder volgen en overweegt daarbij dat het opleggen van doelvoorschriften bevordert dat inrichtingen zoeken naar innovatieve oplossingen om aan de doelvoorschriften te voldoen. Het opleggen van de verplichting om een geluidsscherm van een vastgestelde hoogte te realiseren past niet bij die systematiek. De rechtbank betrekt hierbij dat in de geluidsrapporten die aan de vastgestelde geluidsbelasting ten grondslag liggen is uitgegaan van de aanwezigheid van een muur om het terrein. Het niet voldoen door de inrichting aan de geluidsnormen is dan ook een kwestie van handhaving. Verweerder heeft daarmee bij de afweging van de verschillende belangen voldoende rekening gehouden. De beroepsgrond slaagt niet.

8.2

Op de zitting is met partijen gesproken over het geluidsscherm en over andere mogelijkheden om de door eiser ervaren overlast te beperken. In dat kader heeft verweerder aangegeven dat hij bereid is om te bemiddelen in het contact tussen eiser en de inrichting om verder te praten over het geluidsscherm. Bovendien heeft verweer toegezegd om handhavend op te treden tegen eventuele overtredingen van de vastgestelde maatwerkvoorschriften. Tot slot is op de zitting ook gesproken over de wens van eiser om een nieuwe standplaats. De gemachtigde van verweerder heeft daarover op de zitting verklaard dat hij deze wens van eiser nog een keer onder de aandacht zal brengen bij verweerder.

9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid is overgegaan tot het stellen van de maatwerkvoorschriften. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, en

mr. N.M.H. van Ek en mr. J. Lange, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:619.