Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2712

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
480962 / KG ZA 19-304
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

geschorst lid van alevitische vereniging vraagt toegang tot een (informele) vergadering van de leden, ter voorbereiding op een alv. hoofdvordering wordt toegewezen. #klaretaal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/480862 / KG ZA 19-304

Vonnis in kort geding van 17 mei 2019

in de zaak van

de vereniging

EHLIBEYT CULTURELE VERENIGING VOOR HAARLEM E.O.,

statutair gevestigd in Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. J. Cortet in Utrecht,

tegen

de vereniging

FEDERATIE VAN ALEVITISCHE GEMEENSCHAP NEDERLAND,

statutair gevestigd in Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. H. Dogan in Amsterdam.

Partijen zullen hierna EKD en Hakder genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    de door EKD nagezonden producties 13, 14 en 15,

  • -

    de mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,

  • -

    de pleitnota van Hakder.

1.2.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 17 mei 2019 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de schriftelijke uitwerking.

2 De beoordeling

2.1.

EKD is een culturele vereniging van de alevitische gemeenschap in Haarlem en omgeving. Hakder is de federatie van alevitische verenigingen in Nederland; een soort samenwerkingsverband van verschillende lokale alevitische verenigingen in ons land. EKD is betrokken geweest bij de oprichting van Hakder ongeveer 30 jaar geleden en sindsdien lid-organisatie van de federatie.

Waar gaat het in deze procedure om?

2.2.

In een kort geding procedure wordt aan de rechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kort geding procedure ook een gewone rechtszaak zal komen. In een kort geding procedure beoordeelt de rechter of het waarschijnlijk is dat in de gewone rechtszaak een beslissing zal worden genomen die in het voordeel zal zijn van de eisende partij, dat is in deze procedure EKD. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt, in een kort geding procedure worden toegewezen. In deze zaak gaat het om zes verschillende (primaire) vorderingen, waarvoor de voorzieningenrechter dus steeds moet beoordelen of het voldoende waarschijnlijk is dat de rechter deze in een gewone rechtszaak zal toewijzen.

De vorderingen van EKD zullen hieronder één voor één worden besproken.

2.3.

Omdat EKD met deze procedure onder andere haar aanwezigheid bij een vergadering op 18 mei 2019 wil afdwingen (een dag na de behandeling van het kort geding) is de spoedeisendheid van de zaak gegeven.

De nakoming van de vaststellingsovereenkomst

2.4.

EKD vordert allereerst een bevel dat Hakder gevolg moet geven aan de verplichtingen onder punt 2 en 3 van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 3 mei 2019, waarbij Hakder € 1.000,-- per dag als dwangsom zal moeten betalen als zij dit niet doet.

2.5.

In een eerdere kort gedingprocedure bij deze rechtbank is EKD opgekomen tegen een besluit van Hakder van 27 januari 2019 om haar lidmaatschap te schorsen. In de vaststellingsovereenkomst, die partijen hebben gesloten om die procedure te beëindigen, staat:

“Partijen komen het volgende overeen:

1. EKD zal uiterlijk op 9 mei 2019 de notulen van alle ALV’s gehouden vanaf februari 2017 tot en met 2019 aan Hakder geven. Daarbij wordt een verklaring gevoegd waarin EKD verklaart dat EKD en niet HAKM als lid van Hakder heeft te gelden.

2. Hakder zal na ontvangst van de onder 1 genoemde stukken uiterlijk binnen 24 uur de voorlopige opschorting (schorsing) van het lidmaatschap van EKD intrekken en de leden van Hakder en de Europese Alevitische Confederatie hiervan schriftelijk op de hoogte brengen.

3. EKD heeft daarna weer alle rechten en verplichtingen die een lid van Hakder heeft.

4. EKD zal uiterlijk op 17 juni a.s. het resterende bedrag van de proceskostenveroordeling van € 945 aan Hakder betalen.

5. Partijen dragen ieder de eigen kosten van dit kort geding.

6. Partijen zijn het erover eens dat dit kort geding hiermee wordt beëindigd.

Aldus overeengekomen en voor akkoord ondertekend op 3 mei 2019”

2.6.

Volgens EKD is zij de verplichting nagekomen die onder punt 1 is omschreven, omdat zij (kort na de zitting waarin de vaststellingsovereenkomst was gesloten) de notulen van alle ALV’s gehouden vanaf februari 2017 tot en met 2019 aan Hakder heeft gestuurd. Een verdergaande afspraak (bijvoorbeeld over de inhoud van die notulen of ondertekening ervan) is volgens EKD niet gemaakt, maar Hakder heeft daaraan volgens haar achteraf (onterecht) alsnog voorwaarden gesteld. In eerste instantie heeft EKD alleen een verklaring meegestuurd waarin staat dat EKD als lid van Hakder heeft te gelden. Zij heeft daar toen niet bij vermeld dat HAKM niet als lid te gelden heeft, omdat zij op dat moment nog niet beschikte over de tekst van de vaststellingsovereenkomst, die door de rechtbank enkele dagen na de zitting is opgestuurd. Nadat Hakder haar erop had gewezen dat ook die verklaring nodig was, heeft zij deze verklaring bij de e-mail van haar advocaat van 11 mei 2019 alsnog gedaan. Daarmee is zij dus haar verplichtingen nagekomen, stelt EKD, en had Hakder uitvoering moeten geven aan de verplichtingen onder 2 en 3.

2.7.

Volgens Hakder is EKD niet de verplichtingen nagekomen die onder punt 1 zijn omschreven. Bij de opgestuurde notulen zaten volgens Hakder onjuiste en niet ondertekende notulen, die niet overeenkomen met de notulen zoals die na de betreffende ALV waren opgesteld. Dat volgt volgens Hakder uit een verklaring hierover van een voormalig bestuurslid van EKD, die de notulen destijds heeft opgesteld. Ook ontbrak volgens Hakder de afgesproken verklaring dat EKD en niet HAKM als lid van Hakder heeft te gelden (de rechter begrijpt uit wat [A] hierover op de zitting heeft verklaard dat Hakder bedoelt: in de vorm van een origineel, ondertekend document). Hakder betoogt dat de afgesproken datum (9 mei 2019) waarvoor de notulen én de verklaring moesten worden opgestuurd, een fatale termijn was. Toen EKD op die dag niet aan het eerste punt had voldaan, achtte Hakder zich vrij om ook niet aan het tweede en derde punt te voldoen en, toen EKD opnieuw dreigde met een kort geding, haar te ontzetten uit het lidmaatschap van Hakder.

2.8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat EKD op 8 mei 2019 de notulen van haar ALV’s aan Hakder heeft opgestuurd, zoals afgesproken. Tussen partijen is hierover niets afgesproken waaruit Hakder mocht afleiden dat deze notulen ondertekend zouden moeten zijn of aan andere eisen zouden moeten voldoen. In de verklaring over het lidmaatschap van Hakder die in de e-mail is gedaan, stond inderdaad alleen dat EKD te gelden heeft als lid van Hakder en niet dat HAKM níet te gelden heeft als lid van Hakder. Maar – voor zover dit een groot verschil maakt - dat is op het eerste verzoek van Hakder alsnog door EKD aangevuld. Ook over deze verklaring zijn in de vaststellingsovereenkomst geen vormafspraken gemaakt waaruit Hakder zou mogen afleiden dat het om een officieel, ondertekend document zou moeten gaan. Andere omstandigheden waarop Hakder deze verwachting mocht baseren zijn door haar ook niet aangevoerd. Overigens valt nergens uit af te leiden dat de afgesproken datum (9 mei 2019) een fatale termijn zou zijn. Wanneer een overeenkomst is gesloten die door één van de partijen niet (op de goede manier) wordt nagekomen, is het de aangewezen weg voor de andere partij dat hij diegene sommeert alsnog na te komen. Het niet meteen goed nakomen van een overeenkomst heeft niet als gevolg dat automatisch alle (andere) gemaakte afspraken vervallen. Omdat EKD heeft voldaan aan de eerste afspraak uit de vaststellingsovereenkomst, moest Hakder op grond van de tweede afspraak vervolgens (uiterlijk binnen 24 uur) de voorlopige opschorting (schorsing) van het lidmaatschap van EKD intrekken en de leden van Hakder en de Europese Alevitische Confederatie hiervan schriftelijk op de hoogte brengen en had EKD daarna op grond van de derde afspraak weer alle rechten en plichten die een lid van Hakder heeft.

2.9.

Doordat Hakder op 11 mei 2019 heeft besloten EKD te ontzetten uit het lidmaatschap van Hakder – waarbij het overigens in deze procedure niet gaat over de rechtsgeldigheid van dat besluit – heeft EKD sindsdien op grond van artikel 2:35 lid 4 BW echter opnieuw te gelden als geschorst lid (gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep tegen dat besluit). Het is bij deze stand van zaken dus niet mogelijk om te oordelen dat Hakder gevolg moet geven aan de derde afspraak uit de vaststellingsovereenkomst, waarin immers staat dat EKD na de nakoming van de eerste afspraak weer alle rechten en plichten van een lid van Hakder heeft. De voorzieningenrechter wijst de eerste vordering van EKD daarom toe op de manier die onder 3.1 van ‘de beslissing’ is vermeld.

De aanwezigheid van EKD op de vergaderingen van Hakder

2.10.

Vanwege de hierboven genoemde stand van zaken, heeft EKD als geschorst lid op grond van artikel 2:38 lid 1 BW toegang tot de vergadering waarin het besluit tot schorsing wordt behandeld en is zij bevoegd daarover het woord te voeren. Verder gaan de bevoegdheden van een geschorst lid op grond van de wet niet.

2.11.

Door Hakder is tijdens de zitting erkend dat op de vergadering van 18 mei 2019 alle lid-organisaties zijn uitgenodigd, behalve EKD. Daarmee valt deze vergadering gelijk te stellen met een Algemene Leden Vergadering. Daarbij staat op de agenda ‘contacten met en ontwikkelingen omtrent de vereniging in Haarlem’. Ook heeft Hakder op de zitting meegedeeld dat de vergadering van 18 mei 2019 zal dienen om de lid-organisaties van informatie te voorzien ter voorbereiding op de vergadering van 16 juni 2019, waarin onder andere gestemd zal worden over het besluit om EKD uit het lidmaatschap te ontzetten. Door EKD niet uit te nodigen voor de vergadering van 18 mei 2019 wordt het EKD feitelijk onmogelijk gemaakt zich behoorlijk tegen het besluit van 11 mei 2019 te verweren. Die gang van zaken staat haaks op de bedoeling van het hierboven genoemde artikel 2:38 lid 1 BW. De voorzieningenrechter is in deze omstandigheden van oordeel dat EKD het recht heeft om gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep tegen dat besluit op alle vergaderingen van Hakder aanwezig te zijn waar ook de overige lid-organisatie worden uitgenodigd, om zich daar te kunnen verweren. De tweede en derde vordering van EKD overlappen gedeeltelijk.

Voor de beoordeling van de tweede vordering (dat Hakder EKD in de gelegenheid stelt de rechten en plichten uit te oefenen die EKD heeft op grond van de statuten van Hakder) moet in feite een oordeel worden gegeven over de rechtsgeldigheid van het besluit van 11 mei 2019. Aangezien dat buiten het bestek van deze procedure valt, en de derde vordering van EKD wel geheel wordt toegewezen, zal de voorzieningenrechter de tweede vordering afwijzen.

2.12.

De voorzieningenrechter zal bevelen dat Hakder (de afgevaardigden van) EKD uitnodigt voor de vergadering van 18 mei 2019 en voor iedere eventuele andere vergadering of bijeenkomst waar Hakder de afgevaardigden en/of bestuursleden van de lid-organisaties voor uitnodigt, zodat EKD zich tijdens deze vergadering en de activiteiten daaromheen kan verweren tegen de ontzetting waartoe Hakder op 11 mei 2019 heeft besloten, en tegen het besluit van 27 januari 2019 en zo nodig tegen het rapport/besluit van de Raad van Discipline van Hakder van 10 april 2019, waarbij Hakder € 1.000,-- per dag als dwangsom zal moeten betalen als zij dit niet doet, met een maximum van € 25.000,--.

De schriftelijke rectificatie

2.13.

Het vierde wat EKD vordert is een bevel dat Hakder een schriftelijke rectificatie uitbrengt, waarbij Hakder € 1.000,-- per dag als dwangsom zal moeten betalen als zij dit niet doet, met een maximum van € 25.000,--. Deze vordering is door EKD niet voldoende onderbouwd. Zij heeft de grondslag van deze vordering niet duidelijk gemaakt. Daarom kan niet worden gezegd dat het zo waarschijnlijk is dat deze vordering in een gewone rechtszaak zal worden toegewezen dat hij, vooruitlopend daarop, in deze kort geding procedure al kan worden toegewezen. De vordering wordt dus afgewezen.

Het verbod van smaad en laster

2.14.

De vijfde vordering van EKD is (in feite) een verbod aan Hakder om direct of indirect, mondeling of schriftelijk, publiekelijk smadelijke en belasterende uitspraken over EKD en haar bestuursleden te doen, waarbij Hakder € 1.000,-- per dag als dwangsom zal moeten betalen als zij dit toch doet, met een maximum van € 25.000,--. Voor zover daarmee meer is bedoeld dan wat al uit de wet voortvloeit, kan zo’n verbod alleen worden toegewezen als er sprake is van een, op recente ervaringen gebaseerde, reële kans dat de bedoelde gedragingen zich in de nabije toekomst zullen voordoen. EKD heeft niet voldoende concreet gemaakt dat Hakder in het recente verleden smadelijke en belasterende uitspraken over haar heeft gedaan en (daaruit voortvloeiend) dat er een reële kans is dat Hakder zich in de nabije toekomst zo zal gedragen. Dat maakt dat deze vordering ook niet kan worden toegewezen.

Het opnemen in de Whatsapp-groep

2.15.

Met haar zesde vordering vraagt EKD een bevel dat Hakder de voorzitter van EKD weer in de Whatsapp-groep opneemt waar ook de voorzitters van de andere lid-organisaties in zitten, waarbij Hakder € 1.000,-- per dag als dwangsom zal moeten betalen als zij dit toch doet, met een maximum van € 25.000,--. Ook deze vordering en haar grondslag zijn door EKD niet voldoende onderbouwd. Daarom kan niet worden gezegd dat het zo waarschijnlijk is dat deze vordering in een gewone rechtszaak zal worden toegewezen dat hij, vooruitlopend daarop, in deze kort geding procedure al kan worden toegewezen. De vordering wordt dus afgewezen.

De subsidiaire vordering

2.16.

De subsidiaire vordering is alleen ingesteld voor zover de rechter zou oordelen dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding. Omdat deze situatie zich niet voordoet, hoeft deze vordering ook niet besproken te worden.

De proceskosten

2.17.

EKD heeft in deze procedure op de belangrijkste onderdelen gelijk gekregen, daarom moet Hakder de proceskosten van EKD betalen, met de gevorderde rente daarover. Dat geldt alleen voor de proceskosten van deze procedure, omdat over de vorige kort gedingprocedure in de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat beide partijen de eigen kosten zouden dragen. De kosten van EKD in deze procedure zijn de volgende:

- dagvaarding € 86,40

- griffierecht € 639,00

- salaris gemachtigde € 980,00

Totaal € 1.705,40

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

beveelt dat Hakder is gehouden om gevolg te geven aan de onder punt 2 en 3 van het proces-verbaal van 3 mei 2019 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat, aangezien tussen partijen vast staat dat Hakder op 11 mei 2019 een nieuw besluit heeft genomen om EKD te ontzetten als lid van de vereniging, waardoor het terugdraaien van de eerdere schorsing wordt ingehaald, en welk besluit er op grond van artikel 2:35 lid 4 BW toe leidt dat EKD wederom geschorst is gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep dat mogelijk is tegen dit besluit, punt 3 van de vaststellingsovereenkomst van 3 mei 2019 moet worden gelezen als: “EKD heeft daarna weer alle rechten en verplichtingen die een geschorst lid van Hakder heeft.”;

3.2.

beveelt dat Hakder is gehouden om (de afgevaardigden van) EKD uit te nodigen voor de vergadering van 18 mei 2019, alsook iedere eventuele andere vergadering dan wel bijeenkomst waartoe Hakder de afgevaardigden en/of bestuursleden lid-organisaties uitnodigt om zich tijdens deze vergadering en de activiteiten daaromheen te verweren tegen de ontzetting waartoe Hakder op 11 mei 2019 heeft besloten, en tegen het besluit van 27 januari 2019, alsmede het rapport c.q. besluit van de Raad van Discipline van Hakder van 10 april 2019, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat Hakder, na dit vonnis, in gebreke blijft om hieraan te voldoen met een maximum van € 25.000,--;

3.3.

veroordeelt Hakder in de proceskosten, aan de zijde van EKD tot op heden begroot op € 1.705,40, waaronder € 980,00 aan salaris voor de advocaat;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in aanwezigheid van de griffier mr. C.S. Schür in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019.1

1 type: 4848 coll: