Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2701

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
UTR 18/4004 en UTR 18/4026
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing en opdracht voor het vangen en doden van de grauwe gans, de Canadese gans en de verwilderde gedomesticeerde gansb (Wet natuurbescherming). Faunabeheerplan Utrecht en Ganzenbeheerplan Schiphol. Veiligheid van het luchtverkeer en mogelijke andere bevredigende oplossing.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in de bestreden besluiten (uiteindelijk) voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3.18 en 3.3 van de Wnb. De bestreden besluiten worden wel vernietigd omdat voor de Canadese gans ten onrechte een ontheffing is verleend, maar de rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven omdat de voor deze gans verleende opdracht stand houdt. Concreet betekent dit dat verweerder dus geen nieuwe beslissing(en) op de bezwaren van eisers hoeft te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/4004 en UTR 18/4026

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaken tussen

1. Stichting De Faunabescherming, te Amstelveen,

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),

2. Stichting Fauna4life, te Amstelveen, en

3. Stichting Animal Rights, te Arnhem,

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

eisers,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. W. van Dijk en drs. R. Beenen).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Stichting Faunabeheereenheid Utrecht,

(gemachtigde: J. Nuissl) en

Royal Schiphol Group N.V.

(gemachtigde: mr. drs. B.B. de Bruijne en drs. S.D. van Zutphen).

Procesverloop

In het besluit van 24 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Stichting Faunabeheereenheid Utrecht (hierna: de Faunabeheereenheid) een ontheffing en opdracht verleend voor het gebruik van vangkooien, boten, netten, koolstofdioxide (CO2) etc., voor het vangen en doden van de grauwe gans, de Canadese gans en de verwilderde gedomesticeerde gans voor de periode tussen 1 mei en 1 augustus gedurende de jaren 2018 en 2019. De gevraagde ontheffing voor het vangen en doden van de brandgans heeft verweerder in dit besluit geweigerd.

Stichting De Faunabescherming, Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights (samen aangeduid als eisers) hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In twee afzonderlijke uitspraken van 8 juni 20181 heeft de voorzieningenrechter beide verzoeken afgewezen.

Vervolgens heeft verweerder in besluiten van 18 september 2018 (de bestreden besluiten)

het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten verduidelijkt dat:

- ten aanzien van de Canadese gans de ontheffing is verleend op basis van het belang

genoemd in artikel 3.3, vierde lid, onder b, sub 2, van de Wet natuurbescherming (Wnb);

- ten aanzien van de nijlgans de ontheffing is geweigerd;

- de duur van de ontheffing is beperkt tot de duur van het Faunabeheerplan en voor het

meerdere is geweigerd.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gelijktijdig plaatsgevonden op 24 april 2019. Namens de Stichting De Faunabescherming is verschenen [A] , bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Stichting Fauna4Life is verschenen [B] , bijgestaan door haar gemachtigde, die er ook was namens de Stichting Animal Rights. Namens verweerder zijn zijn gemachtigden verschenen. Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het volgende.

De Faunabeheereenheid heeft op 4 april 2018 verweerder gevraagd om een ontheffing op grond van artikel 3.17 van de Wnb en een opdracht op grond van artikel 3.18 van de Wnb voor het vangen en doden van ganzen in de 20 km zone rond het vliegveld Schiphol. De aanvraag ziet op de periode 1 mei tot 1 augustus in de jaren 2018-2024 en gaat over de grauwe gans, de nijlgans, de brandgans, de Canadese gans en de verwilderde gedomesticeerde gans.

2. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals hiervoor vermeld onder het kopje ‘Procesverloop’. Voor het vangen en doden van de brandgans en de nijlgans heeft verweerder de ontheffing en opdracht geweigerd. Deze uitspraak gaat dus alleen over het vangen en doden van de grauwe gans, de Canadese gans en de verwilderde gedomesticeerde gans. De periode waarvoor de ontheffing en opdracht zijn verleend, heeft verweerder gelijkgesteld aan de duur van het faunabeheerplan. Concreet betekent dit dat deze drie soorten ganzen alleen nog dit jaar van 1 mei tot 1 augustus mogen worden gevangen en gedood.

3. Tijdens de zitting is met partijen gesproken over de hoger beroepszaken die bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) op 6 februari 2019 ter zitting zijn behandeld. Inmiddels heeft de ABRvS op 15 mei 20192 uitspraak gedaan in die zaken. Deze uitspraken zal de rechtbank meenemen in haar beoordeling.

4. Voor een betere leesbaarheid is de tekst van de relevante regelgeving opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Verwilderde gedomesticeerde gans

5. De rechtbank stelt vast dat deze gans geen beschermde ganzensoort is zoals bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb gelezen in samenhang met artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Het toetsingskader van de Wnb voor ontheffingen en vrijstellingen is daarom niet van toepassing op deze ganzensoort. Omdat voor het doden van deze ganzen geen ontheffing of vrijstelling nodig is, noch enige andere verbodsbepaling uit de Wnb wordt overtreden, zal de rechtbank de voor deze gans verleende ontheffing buiten haar beoordeling laten.

Opdracht en ontheffing

6.1

Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights voeren aan dat de wetssystematiek en de rechtszekerheid zich ertegen verzetten dat voor het vangen en doden van dezelfde (soorten) vogels zowel een ontheffing wordt verleend als een opdracht wordt gegeven. De ontheffing en opdracht zijn namelijk verschillende instrumenten met andere voorwaarden, mogelijkheden en rechtsgevolgen.

6.2

Net als verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat een ontheffing en een opdracht niet samen kunnen gaan. Verweerder heeft een ontheffing verleend voor de grauwe gans en de Canadese gans. In het bestreden besluit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt dat voor deze twee ganzensoorten getoetst is aan de eisen van artikel 3.17 van de Wnb en aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.3 van de Wnb. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft verweerder bevestigd dat de ontheffing alleen is gecombineerd met de opdracht om het mogelijk te maken dat de Faunabeheereenheid bij de uitvoering gronden kan betreden, desnoods zonder toestemming van de eigenaar. De opdracht op grond van artikel 3.18 van de Wnb kan dus worden gezien als aanvullend op de ontheffing. De verwilderde gedomesticeerde ganzen zijn niet beschermd en daarvoor hoefde dus geen ontheffing te worden gevraagd/verleend. Voor deze soort ganzen kan verweerder alleen een opdracht geven voor het populatiebeheer. Ook voor de verwilderde gedomesticeerde ganzen heeft verweerder getoetst of wordt voldaan aan de eisen van artikel 3.17 en 3.3 van de Wnb. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het door verweerder toegepaste toetsingskader voor de ontheffing in dit geval niet verschilt van dat voor de opdracht. Dat de Faunabeheereenheid bij de uitvoering van de ontheffing en (aanvullende) opdracht voor de beschermde soorten moet handelen overeenkomstig het faunabeheerplan (zie het tweede lid van artikel 3.17 van de Wnb), terwijl dat niet zo is bij de uitvoering van de opdracht voor de verwilderde gedomesticeerde gans, betekent niet dat sprake is van rechtsonzekerheid. Dit verschil is namelijk verklaarbaar doordat sommige ganzensoorten wel en andere niet zijn beschermd door de Vogelrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Basis in het Faunabeheerplan Utrecht 2014-2019 (hierna: het Faunabeheerplan)?

7.1

Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights voeren aan dat de bestreden besluiten ten onrechte geen motivering op grond van het ‘eigen’ Faunabeheerplan van verweerder bevatten, zoals is vereist in artikel 3.17, tweede lid, van de Wnb. Volgens hen kan verweerder het Ganzenbeheerplan Omgeving Schiphol 2018-2024 (hierna: het Ganzenbeheerplan) niet rechtstreeks aan het bestreden besluit ten grondslag leggen. De verwijzing op pagina 79 van het Faunabeheerplan is ook onvoldoende, omdat die verwijzing ziet op het inmiddels vervallen Ganzenbeheerplan omgeving Schiphol 2013-2018.

7.2

De rechtbank stelt vast dat het Faunabeheerplan in paragraaf 6.1.3 ingaat op het beheer van de grauwe gans. Op pagina 79 is het volgende opgenomen:

“Parallel aan het faunabeheerplan is het Ganzenbeheerplan omgeving Schiphol van kracht, dit plan omvat het beheer van ganzen binnen een zone van 20 kilometer vanaf Schiphol. In het kader van de luchtverkeersveiligheid worden op basis van dit plan o.m. vangacties en afschot uitgevoerd. De op basis van dit beheerplan uitgegeven ontheffingen komen qua voorwaarden overeen met de ontheffing voor het reguliere ganzenbeheer, hierdoor worden complicaties in de uitvoering vermeden. De aanpak van de ganzenproblematiek rondom Schiphol is op vier pijlers gebaseerd, te weten:

- Aanpassen van vliegoperaties op basis van gedetecteerde risicovogels;

- Reduceren van baankruisingen door risicovolle soorten door middel van ruimtelijke maatregelen;

- Realiseren van de gewenste omvang van de populatie ganzen;

- Het beperken van het foerageren van ganzen in de directe nabijheid van de start- en landingsbanen.

Het ganzenbeheerplan richt zich vanzelfsprekend op pijler 3, het terugdringen van de populatie ganzen binnen een zone van 20 kilometer rondom de luchthaven.”

In paragraaf 6.1.4 is de doelstelling beheer planperiode 2014-2019 voor de grauwe gans opgenomen. Hierin valt onder andere te lezen:

“Een deel van WBE Vecht en Veenstreek ligt binnen de 10 kilometerzone vanaf Schiphol, het beheer zal in deze zone op de aangrenzende provincie, Noord Holland, worden afgestemd. In het kader van de veiligheid voor luchtverkeer zal hier een ontheffing worden afgegeven voor jaarrond beheer van aanwezige grauwe ganzen. In bijlage 14 wordt het gebied binnen de 10 kilometerzone weergegeven.

(…)

Noodzakelijk beheersinstrumentarium:

Ontheffing art. 68, F&F-wet WBE Vecht en Veenstreek, voor het jaarrond doden en verjagen van grauwe ganzen binnen het Utrechtse deel van de 10 kilometerzone vanaf Schiphol. Met de mogelijkheid voor beheer in de periode 1 april - 31 oktober van 1 uur voor zonsopkomst tot 1 uur na zonsondergang en in de periode 1 november tot 1 april ½ uur voor zonsopkomst tot ½ uur na zonsondergang; ontheffing dient gericht te zijn op het zo optimaal mogelijk faciliteren van afschot ter voorkoming van overlast voor vliegverkeer.”

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het Faunabeheerplan op deze wijze een expliciete basis voor wat verweerder gedurende de planperiode voor ogen staat qua (populatie)beheer van de grauwe gans met het oog op de luchtverkeersveiligheid en biedt het Faunabeheerplan ook voldoende grondslag voor het kunnen verlenen van een ontheffing. Dat verweerder vervolgens in een concreet geval aan de hand van het Ganzenbeheerplan nader onderbouwt waarom hij een ontheffing al dan niet verleent, is niet in strijd met de bepalingen van de Wnb. Juist in een geval waarin zoals hier een vastgesteld plan ziet op een langere periode, kan in een individueel besluit gemotiveerd worden ingegaan op de vraag of een gevraagde ontheffing past binnen het voorgenomen populatiebeheer. De beroepsgrond slaagt ten aanzien van de grauwe gans niet.

7.4

De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat ook voor de Canadese gans een ontheffing (en dus niet alleen een opdracht) is gegeven. Paragraaf 6.4 van het Faunabeheerplan gaat in op het (populatie)beheer van de Canadese gans. In deze paragraaf is echter niets opgenomen over het beheer van de Canadese gans in relatie tot de luchtverkeersveiligheid. Daarmee biedt het Faunabeheerplan voor de Canadese gans dus geen grondslag voor het met dit oogmerk kunnen verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.17 van de Wnb. De beroepsgrond slaagt.

Gevolgen slagen beroepsgrond

7.5

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden welke consequenties zij aan deze conclusie moet verbinden. Daarbij geldt dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op bezwaar op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit op bezwaar in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan moet de bestuursrechter nagaan of een bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

7.6

In zijn verweerschrift en ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat, in het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat er geen sprake is van een grondslag voor de verleende ontheffing, het totaal aan toegestane handelingen hoe dan ook onder het instrument van de opdracht kan vallen. Materieel verandert dat volgens verweerder niets aan wat in zijn totaliteit wordt toegestaan. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een grondslag voor het verlenen van een ontheffing niet automatisch betekent dat voor de beschermde soort ook geen opdracht als bedoeld in artikel 3.18 van de Wnb mag worden gegeven. Dit artikel is immers bedoeld als sluitstuk voor het beheer van populaties3, zodat ook in gevallen waarin een Faunabeheerplan niet voorziet, maatregelen waar nodig kunnen worden uitgevoerd. Ook bij een opdracht gelden de voorwaarden en beperkingen die van toepassing zijn bij afwijkingen van de beschermingsregimes. In het geval de rechtbank bij een verdere inhoudelijke beoordeling tot de conclusie komt dat verweerder in de bestreden besluiten ten aanzien van de Canadese gans voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3.18 en 3.3 van de Wnb, dan kunnen naar het oordeel van de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven.

Voorwaarden en beperkingen

8. Op grond van de artikelen 3.17 en 3.18 in combinatie met artikel 3.3 van de Wnb wordt een ontheffing of opdracht uitsluitend verleend indien a. er geen andere bevredigende oplossing bestaat, b. zij nodig is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer en c. de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Eisers voeren geen beroepsgronden aan die zien op de laatste voorwaarde. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder in de bestreden besluiten voldoende heeft gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en het vangen en doden van de grauwe en de Canadese gans en de verwilderde gedomesticeerde gans nodig is in het belang van de luchtverkeersveiligheid.

Nodig in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer?

9.1

Eisers voeren aan dat niet is aangetoond dat het vangen en doden van de ganzen nodig is in het belang van de luchtverkeersveiligheid. De bestreden besluiten zijn niet zorgvuldig tot stand gekomen omdat verweerder zich niet heeft vergewist van de juistheid van de primaire data, waarop de conclusies van het Ganzenbeheerplan zijn gebaseerd. De door Bird Control Group verstrekte gegevens zoals aantallen incidenten, bird strikes en baankruisingen hebben geen wetenschappelijk karakter. Ook heeft verweerder onvoldoende onderzocht of het vergassen van ruiende ganzen op relatief grote afstand van de luchthaven enig effect heeft op het aantal incidenten met het vliegverkeer. Evenmin heeft verweerder aangetoond dat een relatie bestaat tussen de (lokale) ganzen die in juli en augustus ruien in het gebied tussen 10 en 20 kilometer van Schiphol en de ganzen die over de luchthaven vliegen.

9.2

Net als eerder de voorzieningenrechter ziet de rechtbank in wat eisers aanvoeren onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het Ganzenbeheerplan uitgaat van foutieve data en verweerder het daarom niet aan de bestreden besluiten ten grondslag had mogen leggen. In paragraaf 2.1 van het Ganzenbeheerplan wordt uiteengezet hoeveel en welke type aanvaringen (birdstrikes dan wel fauna-incidenten) zich met ganzen op Schiphol over de periode 2005-2017 hebben voorgedaan. In paragraaf 2.4 wordt inzicht gegeven in de aantallen ganzen voor de periode 2011-2017 binnen de 0-10 km zone en voor de periode 2014-2017 binnen de 10-20 km zone van Schiphol. Hiervoor is gebruik gemaakt van de evaluatie van het Ganzenbeheerplan Schiphol (Van Bommel, 2017), actuele gegevens van de provincie Noord-Holland (onder andere Bloem et al., 2018), gegevens van Nationale Databank Flora en Fauna en Sovon en gegevens die door de FBE Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht zijn verstrekt. Eisers betwisten weliswaar de juistheid van (de wijze van verzamelen van) deze gegevens, maar weerleggen deze niet met een verklaring of rapport van een eigen deskundige. Het enkel plaatsen van kanttekeningen bij de gegevens vindt de rechtbank, gelet op de onderbouwing in het Ganzenbeheerplan en de uiteenzetting van verweerder in het verweerschrift, onvoldoende om te concluderen dat de gebruikte gegevens onjuist zijn of dat verweerder zich niet op deze gegevens had mogen baseren. Ter ondersteuning van haar oordeel verwijst de rechtbank nog naar rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de ABRvS van 15 mei 20194.

9.3

Het Ganzenbeheerplan vormt samen met het Faunabeheerplan voor verweerder de basis voor de gecombineerde aanpak van maatregelen. Uit het Ganzenbeheerplan is af te leiden wat de effecten van de maatregelen zijn, juist op die ganzen die in de meest risicovolle zones voor Schiphol verblijven. In de paragrafen 4.2.3 en 6 wordt nader toegelicht waarom het reduceren van bepaalde populaties ganzen een effectieve oplossing is en ook nodig is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Ook wordt uiteengezet dat een populatiereductie in de 10-20 km zone van belang blijft, omdat daarmee voorkomen wordt dat ganzen zich naar de 0-10 km zone verplaatsen. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat de mogelijkheid van aanvaringen van ganzen met vliegtuigen bij Schiphol een veiligheidsrisico oplevert en dat beperking van het aantal ganzen daarom in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer is. Dat de kans op een aanvaring tussen een gans en een vliegtuig klein is, maakt niet dat niet van een reëel veiligheidsrisico kan worden gesproken, nu de gevolgen van een aanvaring aanzienlijk kunnen zijn. Ook hier verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de ABRvS van 15 mei 20194.

9.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het reduceren van de in de ontheffing en/of opdracht aangewezen populatie ganzen een effectieve oplossing is en nodig is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Deze beroepsgronden slagen niet.

9.5

Eisers voeren, kort samengevat, ook aan dat artikel 3.9, tweede lid, onder b, van het Besluit natuurbescherming en de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vogelrichtlijn, omdat het middelen, installaties en methoden toestaat die niet in afwijkende bepalingen worden vermeld en/of die onvoldoende specifiek. nauwkeurig en duidelijk zijn en daarom niet voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid. De rechtszekerheid vereist dat alle middelen en installaties die worden ingezet ofwel in de wettelijke methode worden beschreven, zoals in dit geval is gebeurd met de vangkraal, ofwel worden genoemd in zelfstandige wettelijke bepalingen. Eisers zijn het niet eens met verweerders standpunt dat middelen zoals achtervolgingsvaartuigen, fuiken en netten slechts hulpmiddelen zijn ten behoeve van het bijeendrijven van de ganzen en daarom niet zijn aan te merken als zelfstandige vangmiddelen, zodat deze middelen niet te hoeven worden vermeld in een wettelijk voorschrift. Ook voor het middel DUKE’s Carbon Dioxide geldt volgens eisers dat het niet in een door de Vogelrichtlijn vereist algemeen verbindend wettelijk voorschrift wordt vermeld, zodat het in strijd met artikel 9 lid 2, aanhef en onder b, van de Vogelrichtlijn door verweerder is toegestaan.

9.6

In de al vaker genoemde uitspraak van 15 mei 20194 is de ABRvS in de rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.10 uitgebreid ingegaan op de (vorm)voorwaarden voor het vangen of doden van ganzen. De rechtbank ziet geen aanleiding om over de gronden die eisers hierover hebben aangevoerd anders te oordelen dan de ABRvS heeft gedaan. Deze beroepsgronden slagen niet.

Andere bevredigende oplossing

10.1

Eisers voeren aan dat het vergassen van ganzen geen oplossing is voor het probleem rondom Schiphol en dat alternatieven (zoals verjaging op de grond en gebruik van een vogelradar) ten onrechte niet of onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken.

10.2

Het populatiebeheer is één van de vier pijlers (zie rechtsoverweging 7.2) uit het Ganzenbeheerplan die gezamenlijk het risico op incidenten moeten verkleinen. Ondanks de maatregelen die op de andere pijlers zijn ingezet, neemt de ganzenpopulatie binnen een straal van 20 kilometer rondom Schiphol niet voldoende af om het risico op aanvaringen reëel te verminderen. In paragraaf 2.3 van het Ganzenbeheerplan wordt ook geconcludeerd dat de eerste drie sporen pas effect zullen hebben op de langere termijn en dat populatiereductie thans de enige effectieve beheersmaatregel is. Ter zitting is van de kant van derde-partijen nog toegelicht dat de vogelradar inmiddels wordt ingezet. De radar scant de omgeving om te zien waar risicosoorten zitten, waarna een birdcontroller poolshoogte kan nemen. Daarnaast verzamelt de radar data over bijvoorbeeld baankruisingen en aanwezige vogels om een vliegtuig. Op dit moment is de radar vooral ondersteunend van aard en geen oplossing voor het ganzenprobleem. Een andere maatregel is dat boeren worden gesubsidieerd om andere gewassen te telen. Uit de tellingen blijkt echter dat het aantal ganzen binnen het risicogebied te hoog blijft wat teveel risico voor het luchtverkeer meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank is op deze wijze voldoende gemotiveerd dat er in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer op korte termijn geen andere bevredigende oplossing is dan het reduceren van de populatieomvang van ganzen zoals opgenomen in de ontheffing en/of opdracht. De rechtbank sluit hierbij aan bij rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van 15 mei 2019 van de ABRvS4.

Bestuur Faunabeheereenheid Noord-Holland

11.1

Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights voeren nog aan dat het bestuur van de Faunabeheereenheid Noord-Holland louter uit jachthouders bestaat. Dit is volgens hen in strijd met artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb omdat daarin staat dat het bestuur tevens uit (ten minste twee) maatschappelijke organisaties moet bestaan. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland had het Ganzenbeheerplan daarom niet mogen goedkeuren en verweerder had de bestreden besluiten ook om deze reden niet op het Ganzenbeheerplan mogen baseren.

11.2

De samenstelling van het bestuur van de Faunabeheereenheid Noord-Holland en het goedkeuringsbesluit van de provincie Noord-Holland zijn geen onderwerpen die de rechtbank in het kader van de bestreden besluiten kan toetsen. Verweerder heeft het Ganzenbeheerplan ‘slechts’ gebruikt om zijn besluitvorming te motiveren. In rechtsoverweging 7.3 heeft de rechtbank daarover reeds haar oordeel gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Eindconclusie

12. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in de bestreden besluiten ook ten aanzien van de Canadese gans voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3.18 en 3.3 van de Wnb. De bestreden besluiten zullen daarom wel worden vernietigd omdat voor de Canadese gans ten onrechte een ontheffing is verleend, maar de rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven omdat de voor deze gans verleende opdracht stand houdt. Concreet betekent dit dat verweerder dus geen nieuwe beslissing(en) op de bezwaren van eisers hoeft te nemen.

Proceskosten

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor zowel Stichting De Faunabescherming als voor Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights samen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten voor zover verweerder daarbij een ontheffing heeft

verleend voor het vangen en doden van de Canadese gans;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan Stichting de

Faunabescherming te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan Stichting Fauna4life en

Stichting Animal Rights te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.024,- te betalen

aan Stichting de Faunabescherming;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.024,- te betalen

aan Stichting Fauna4life en Stichting Animal Rights.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en

mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Artikel 1, van de Vogelrichtlijn bepaalt, voor zover hier van belang,:

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

2. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.

Op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Vogelrichtlijn mogen de lidstaten, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5 tot en met 8:

- in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

- in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,

- ter bescherming van flora en fauna.

Op grond van het tweede lid moet in de in het eerste lid bedoelde afwijkende bepalingen worden vermeld:

- voor welke soorten mag worden afgeweken;

- welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan;

- onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van

tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen;

- welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen

welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen

en door welke personen;

- welke controles zullen worden uitgevoerd.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb is het verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

Op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Op grond van het vierde lid wordt een ontheffing of een vrijstelling uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

4°. ter bescherming van flora of fauna;

5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de

daarmee samenhangende teelt, of

6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van

bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde

omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Op grond van het vijfde lid worden in een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over:

a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik

wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden;

b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en

c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Artikel 3.12, eerste lid, van de Wnb bepaalt dat er faunabeheereenheden zijn die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.

Op grond van het tweede lid heeft een faunabeheereenheid de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd. Op uitnodiging van het bestuur van de faunabeheereenheid kunnen vertegenwoordigers van andere dan de in de tweede volzin bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren.

Op grond van artikel 3.17, eerste lid, van de Wnb verlenen gedeputeerde staten, ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is:

a. ingeval van vogels:

1º. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2º. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3º. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of

4º. ter bescherming van flora en fauna.

Op grond van het tweede lid wordt een ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleend aan een faunabeheereenheid, die handelt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan.

Op grond van artikel 3.18, eerste lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten aan faunabeheereenheden of wildbeheereenheden, aan andere samenwerkingsverbanden van personen, of aan personen opdracht geven om, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1, 3.4, eerste lid, 3.5, 3.9, eerste lid, en 3.10, eerste lid, de omvang van een bij de opdracht aangeduide populatie van vogels of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, te beperken als dat nodig is om de onderscheidenlijke redenen, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, onderdelen a, b en c. De artikelen 3.3, vierde en vijfde lid, 3.8, vijfde lid, en 3.10, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op die opdracht.

Op grond van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten ten aanzien van één of meer van de door hen krachtens het eerste lid aangewezen personen of groepen van personen bepalen dat zij, ter uitvoering van de opdracht, bedoeld in het eerste lid:

a. toegang hebben tot gronden, zo nodig met behulp van de sterke arm, of

b. handelen overeenkomstig een vastgesteld en goedgekeurd faunabeheerplan.

Op grond van het vierde lid zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing op het beperken van de omvang van populaties van dieren die zijn aan te merken als exoten of van verwilderde dieren.

Artikel 3.9 van het Besluit natuurbescherming (de in artikel 3.3, vijfde lid, van de Wnb bedoelde amvb) bepaalt:

1. Als middelen als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

a. (…);

e. vangkooien;

f. vangnetten;

(…).

2. Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

a. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;

b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a;

(…).

1 ECLI:NL:RBMNE:2018:2577 en ECLI:NL:RBMNE:2018:2578

2 ECLI:NLRVS:2019:1534 en ECLI:NL:RVS:2019:1535

3 MvT, TK vergaderjaar 2011-2012, 33 348, nr. 3, p. 169

4 ECLI:NL:RVS:2019:1535