Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2673

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
7519633
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingebruikgenomen strook grond. Verjaring op grond van artikel 3:105 BW. Vordering op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309) is ook verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2019/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 7519633 AC EXPL 19-446 JW/1350

Vonnis van 29 mei 2019

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: SRK Rechtsbijstand,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 april 2019;

- de akte wijziging van eis van de zijde van [eiser] ;

- het antwoord daarop van de zijde van [gedaagde] ;

- de mondelinge behandeling van 10 mei 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn buren. [eiser] woont aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] in [woonplaats] . [gedaagde] woont aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] . Vóór hem woonden zijn ouders op [straatnaam] [nummeraanduiding 2] . [gedaagde] heeft het huis en het perceel in 1990 van zijn ouders gekocht.

2.2.

[eiser] heeft in maart 2018 een grensreconstructie laten uitvoeren. Hieruit bleek dat de kadastrale grenzen tussen de percelen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] enerzijds en de percelen [straatnaam] [nummeraanduiding 2] en [straatnaam] [nummeraanduiding 3] anderzijds niet overeenstemden met de werkelijke afscheidingen. Kort gezegd waren de tuinen van de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 3] vergroot ten koste van het perceel [straatnaam] [nummeraanduiding 1] .

2.3.

[eiser] heeft met de bewoners van [straatnaam] [nummeraanduiding 3] afgesproken dat de aanwezige erfgrens wordt verplaatst naar de door het kadaster ingemeten grens. Hij heeft dit ook aan [gedaagde] verzocht, maar daar heeft [gedaagde] niet mee ingestemd. In deze procedure vordert [eiser] daarom (kort gezegd) dat [gedaagde] alle bestrating en overige constructies verwijdert van het perceel van [eiser] . Het gaat dan om het strookje grond dat [gedaagde] volgens [eiser] ten onrechte gebruikt. Uit de onderstaande tekening wordt dit duidelijk (de percelen met de nummers [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] zijn eigendom van [eiser] ; het perceel met nummer [perceelnummer 3] is eigendom van [gedaagde] . De discussie tussen partijen gaat over het gearceerde gedeelte):

2.4.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van partijen dat tussen hen niet ter discussie staat dat de door het kadaster ingemeten grens niet op dezelfde plek ligt als de feitelijke grens tussen hun erven. Er is dus geen discussie over dat het door [gedaagde] gebruikte, en op de kaart gearceerde deel van de tuin van [gedaagde] onderdeel is van perceel [perceelnummer 2] . De vraag is of het stuk al zo lang bij [gedaagde] in gebruik is dat het door verjaring eigendom van hem is geworden. [gedaagde] vindt dat dat het geval is. [eiser] vindt van niet.

Gebruiksovereenkomst? Nee.

2.5.

Mr. Van Maarle heeft namens [eiser] tijdens mondelinge behandeling gezegd dat [gedaagde] zich in de brief van 5 november 2018 (productie 10) op het standpunt stelde dat zijn ouders het stuk grond in overleg met [eiser] (of diens ouders) in gebruik genomen hebben. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] daarmee gesteld dat er over het gebruik overeenstemming tussen partijen bestond. Een dergelijke gebruiker is een “houder” en geen “bezitter”. Een bezitter pretendeert namelijk zelf eigenaar te zijn en een houder niet. Een bezitter kan door verloop van tijd door verjaring eigenaar worden. Een houder kan dat niet. [gedaagde] kan er volgens [eiser] niet op terugkomen dat hij het stuk grond in overleg met [eiser] gebruikt (en hij dus een “houder” is).

2.6.

De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Beide partijen hebben ter zitting verklaard dat er geen afspraak bestaat tussen hen of hun rechtsvoorgangers op grond waarvan (de rechtsvoorganger van) [eiser] het stuk grond aan (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] in gebruik heeft gegeven. [gedaagde] heeft hierover tijdens de zitting gezegd dat hij in zijn brief van 5 november 2018 heeft bedoeld te schrijven dat zijn ouders het stuk grond al in gebruik hadden zolang hij zich kan herinneren, en (de rechtsvoorganger van) [eiser] dit ook altijd geweten heeft. [eiser] heeft in zijn dagvaarding geschreven dat hij “nadrukkelijk betwist dat toestemming is gegeven tot gebruik van de betreffende strook grond”. Tijdens de zitting heeft hij gezegd dat hij vermoedt dat de erfafscheiding tussen beide percelen in de loop der jaren steeds iets verder is opgeschoven. Wat hier verder ook van zij, duidelijk is dat beide partijen verklaren dat de strook grond niet op basis van een overeenkomst bij [gedaagde] in gebruik is. Tegen deze achtergrond en met de uitleg die [gedaagde] daarover heeft gegeven betekent het enkele feit dat [gedaagde] eerder heeft geschreven dat het stukje grond in overleg met (de rechtsvoorgander van) [eiser] in gebruik is genomen niet dat [gedaagde] het recht heeft prijsgegeven om zich op verjaring te beroepen. De kantonrechter zal daarom beoordelen of het beroep van [gedaagde] op verjaring slaagt.

Verjaring?

2.7.

[gedaagde] beroept zich erop dat het stuk al zeer lang bij hem en zijn ouders in gebruik is, zeker al sinds zijn geboorte. De kantonrechter begrijpt uit de overgelegde stukken dat [gedaagde] is geboren in 1960. Daarom is het stuk grond volgens [gedaagde] door verjaring zijn eigendom geworden. [eiser] betwist dat het stuk grond al zo lang in gebruik is. Volgens hem was de doorgang eerst een stuk kleiner. Daar konden net twee fietsen door. Die doorgang is in de loop der tijd verbreed ten koste van zijn perceel.

2.8.

De kantonrechter overweegt het volgende. Sinds 1 januari 1992 verjaart een rechtsvordering zoals die van [eiser] door verloop van 10 jaar (als de bezitter te goeder trouw is) of (in overige gevallen) door verloop van 20 jaar. De kantonrechter zal er hierna veronderstellenderwijs van uitgaan dat er geen sprake is goede trouw. Als de rechtsvordering van [eiser] zelfs in dat geval is verjaard, hoeft namelijk niet nader onderzocht te worden of er sprake is van goede trouw. Verder overweegt de kantonrechter dat de verjaringstermijn tot 1 januari 1992 30 jaar bedroeg. Op grond van het overgangsrecht geldt in een geval als dit echter dat de verjaringstermijn 20 jaar is geworden.

2.9.

[eiser] heeft [gedaagde] aangesproken tot teruggave van de strook grond op 10 oktober 2018. De eerste vraag is dus of de strook grond toen al 20 jaar bij hem in gebruik was. [gedaagde] heeft foto’s overgelegd waarop de tuin te zien is. Die foto’s zijn volgens de bijschriften uit 1970, 1973, 1974, 1981, 1982, 1983 en 1998. [eiser] heeft gezegd dat deze jaartallen niet vaststaan. Op de foto’s staan echter personen, waarvan de kantonrechter aanneemt dat het familieleden van [gedaagde] zijn. Hieruit heeft [gedaagde] kunnen afleiden in welk jaar de foto’s genomen zijn. Er is geen aanwijzing voor dat [gedaagde] daarbij niet de juiste jaartallen heeft vermeld. De kantonrechter ziet daarom onvoldoende aanleiding om aan de genoemde jaartallen te twijfelen
Uit de foto’s is af te leiden dat de doorgang waar [eiser] het over had, in 1983 al zo ruim was, dat daar een auto door kon. Er staat namelijk een auto op de foto uit 1983. Op de foto uit 1981 is te zien dat de doorgang toen ook al zo ruim was. Dat betekent dat de rechtsvordering tot ongedaanmaking van die toestand in elk geval is verjaard in 2001 (20 jaar na 1981). Op grond van artikel 3:105 van het Burgerlijk Wetboek is [gedaagde] toen eigenaar geworden van de strook grond.

2.10.

[eiser] heeft in zijn akte nog aangevoerd dat – zelfs als de vordering is verjaard – hij op basis van de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (vindplaats: ECLI:NL:HR:2017:309) teruglevering van de strook grond kan vorderen van [gedaagde] . Op zichzelf is het juist dat de Hoge Raad in die uitspraak heeft bepaald dat dat onder omstandigheden kan. Er moet dan wel sprake zijn van een situatie waarin iemand de grond in bezit heeft genomen en gehouden terwijl hij wist dat een ander daarvan eigenaar was. Dit handelen is dan onrechtmatig tegenover die ander, zodat die schadevergoeding kan vorderen. Die schadevergoeding kan ook bestaan uit teruglevering van het stuk grond. Een dergelijke vordering is zelf echter ook weer aan verjaringsregels onderworpen. De verjaringstermijn is in beginsel 5 jaar, te rekenen vanaf het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies en de daarvoor aansprakelijke persoon. In elk geval verjaart de vordering 20 jaar na de voltooiing van de hiervoor onder 2.9 bedoelde verjaring.

2.11.

Zoals onder 2.9 is overwogen is de strook grond in 2001 door verjaring eigendom van [gedaagde] geworden. [eiser] of zijn rechtsvoorganger moet dat op dat moment geweten hebben. Het gaat namelijk om een stuk grond dat onderdeel uitmaakt van hun eigen tuin. [eiser] heeft bovendien verklaard dat hij al die tijd al het idee had dat de grens niet op de juiste plek lag, en in de loop der tijd verschoven was. Verder heeft hij verklaard dat hij weliswaar mee heeft betaald aan de aanleg van een schutting maar dat hij toen ook al met [gedaagde] van mening verschilde over de vraag waar de grens lag. [eiser] was dus op de hoogte van het feit dat dit stuk grond door [gedaagde] werd gebruikt. De rechtsvordering uit onrechtmatig daad is dan ook verjaard in 2006, vijf jaar na het eerder genoemde moment in 2001.

2.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het strookje grond waar deze zaak over gaat, door verjaring eigendom is geworden van [gedaagde] . De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

2.13.

[eiser] zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] . Deze kosten worden bepaald op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.