Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2672

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
7227965
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tussen een internetaanbieder en een consument is telefonisch tot stand gekomen. De internetaanbieder heeft de belangrijkste informatie niet schriftelijk aan de consument bevestigd. Dat moet wel op grond van 6:230m BW. Nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7227965 UC EXPL 18-10580 JW/1350

Vonnis van 22 mei 2019

inzake

de besloten vennootschap

CAIW Diensten B.V.,

gevestigd te Naaldwijk,

verder ook te noemen: CAIW,

eisende partij,

gemachtigde: G.Th. van der Velde,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R. Reumkens.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 februari 2019;

- de akte van CAIW;

- de akte van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 27 februari 2019 overwogen dat CAIW nog niet had kunnen reageren op de stelling van [gedaagde] dat de kerngegevens van de overeenkomst niet door CAIW aan [gedaagde] zijn toegestuurd. CAIW heeft daarover in haar akte van 10 april 2019 gesteld dat de overeenkomst tussen partijen telefonisch tot stand is gekomen. Daarna heeft CAIW aan [gedaagde] een e-mail gestuurd met alle relevante gegevens en de algemene voorwaarden. CAIW heeft deze e-mail niet kunnen vinden. Wel heeft zij brieven gevonden die zij op 10 augustus 2015 per post aan [gedaagde] heeft gestuurd. CAIW vindt dat daaruit blijkt dat [gedaagde] beschikte over de kerngegevens. Dat blijkt ook uit het feit dat [gedaagde] vanaf 10 augustus 2015 tot en met februari 2016 aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Bovendien kon [gedaagde] digitaal inloggen en de kerngegevens dan raadplegen.

2.2.

[gedaagde] betwist dat de overeenkomst schriftelijk aan haar is bevestigd. Volgens haar is dat met de door CAIW in het geding gebrachte stukken ook niet komen vast te staan. Overigens betwist zij ook dat zij die brieven (van 10 augustus 2015) heeft ontvangen. [gedaagde] betwist verder dat zij digitaal kon inloggen. Daarvoor had zij geen wachtwoorden. [gedaagde] stelt dat zij niet is geïnformeerd over haar recht op ontbinding, het herroepingsrecht, dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moest beantwoorden, de duur van de overeenkomst en de voorwaarden voor opzegging van de overeenkomst. [gedaagde] beroept zich daarom op de nietigheid althans vernietigbaarheid van de overeenkomst.

2.3.

Zoals in het tussenvonnis al is overwogen gaat het in deze zaak om een overeenkomst die telefonisch tot stand is gekomen. Op grond van artikel 6:230v lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) was CAIW daarom gehouden op een duurzame gegevensdrager de informatie te verschaffen die is vermeld in artikel 6:230m lid 1 BW. In dat artikel 6:230m lid 1 BW is de door de handelaar te verstrekken informatie onderverdeeld in 20 categorieën. Uit de door CAIW overgelegde brieven is niet af te leiden dat de in dat artikel genoemde informatie door CAIW aan [gedaagde] is verstrekt. In die brieven wordt namelijk niet meer vermeld dan dat de aansluiting in orde wordt gemaakt, dat een extra tv-pakket zal worden geleverd en dat bepaalde apparatuur aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld. Uit de brieven blijkt bijvoorbeeld niet dat er informatie is verstrekt over (onder andere:) de prijs van de te leveren diensten, de wijze van betaling, de duur van de overeenkomst en de voorwaarden en de termijn waarbinnen [gedaagde] haar recht van ontbinding kon inroepen. Het had op de weg van CAIW, als eiseres in deze zaak, gelegen om aan te tonen dat die informatie wel aan [gedaagde] is verstrekt. Nu CAIW daar niet in is geslaagd, moet het er voor worden gehouden dat CAIW niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit artikel 6:230v lid 7 BW. Dit wordt niet anders door de stelling van CAIW dat zij die informatie wel aan [gedaagde] heeft gestuurd, maar zij de bevestiging daarvan niet meer kan vinden. Het komt namelijk voor risico van CAIW als zij die bevestiging niet meer heeft.

2.4.

Artikel 3:39 BW bepaalt dat rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig zijn. In dit geval schrijft artikel 6:230v BW een vorm voor. Nu die vorm niet is nageleefd, is de overeenkomst dus nietig. Om deze reden zullen de vorderingen van CAIW worden afgewezen.

2.5.

CAIW zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 108,00 (1,5 punten x tarief € 72,00)

Totaal € 108,00

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt CAIW tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 108,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.