Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2573

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
14-06-2019
Zaaknummer
UTR 18/3458
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2019:6613
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:3016, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze uitspraak worden vier beroepszaken behandeld over de verlening van een omgevingsvergunning voor een aanbouw met een dakopbouw. Sommige eisers zijn ten onrechte door verweerder niet als belanghebbenden aangemerkt. De rechtbank voorziet zelf in hun zaak en beoordeelt direct ook hun inhoudelijke gronden. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de kruimelgevallenregeling. Bij de belangenafweging moet een vergelijking worden gemaakt tussen de aanvraag en wat er op grond van het bestemmingsplan al mogelijk is. Verweerder heeft de belangenafweging voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Gezien de ruime bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan heeft verweerder in redelijkheid tot de afweging kunnen komen dat de relatief kleine afwijkingen voor de omwonenden niet tot onevenredige gevolgen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/3548, 18/3554, 18/3792 en 18/3796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2019 in de zaken tussen

1 [eiseres sub 1] [woonplaats] , eiseres 1

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk) (UTR 18/3548)

2 [eiser sub 2.1] en [eiser sub 2.2] uit [woonplaats] , eisers 2

(gemachtigde: mr. J.C. Zweistra) (UTR 18/3792)

3 [eiser sub 3.1] en [eiser sub 3.2] [woonplaats] , eisers 3

(gemachtigde: mr. S.A.J.T. Hoogendoorn) (UTR 18/3554)

4 [eiser sub 4.1] en [eiser sub 4.2] [woonplaats] , eisers 4

(gemachtigde: mr. S.A.J.T. Hoogendoorn) (UTR 18/3796)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] uit [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde-partij] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor de sloop van een garage, het vergroten van een bestaande aanbouw en het plaatsen van een dakopbouw bij de woning aan de [adres] in [woonplaats] .

Bij besluit van 30 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers 4 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van eisers 1-3 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 28 februari 2019. Eiseres 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens eisers 2 is [eiser sub 2.1] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eisers 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens eisers 4 is [eiser sub 4.1] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, vergezeld door [A] en architect [B] .

Overwegingen

1. Vergunninghouder woont op [adres] in [woonplaats] . In de bestaande situatie is sprake van een woonhuis met een aanbouw aan de achterzijde, met daarnaast een losstaande garage. Achter in de tuin staat een schuur. Vergunninghouder wil de garage slopen, de aanbouw ter hoogte van de huidige garage verbreden en daarop een dakopbouw plaatsen. Verweerder heeft daarvoor een omgevingsvergunning verleend.

2. De [adres] bestaat uit twee-onder-een-kapwoningen. De woning van vergunninghouder op [adres] is twee-onder-een-kap met nummer [nummer] . Eiseres 1 woont daar aan de ene kant naast, op nummer [nummer] . Aan de andere kant staan de twee-onder-een-kapwoningen van eisers 3 (nummer [nummer] ) en eisers 2 (nummer [nummer] ). Daarnaast wonen eisers 4 op nummer [nummer] .

De ontvankelijkheid van eisers 4

3. Het beroep van eisers 4 ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar. Verweerder heeft hen niet als belanghebbenden aangemerkt, omdat zij vanwege de afstand van circa 20 meter tussen hun woning en de woning van vergunninghouder geen gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het besluit.

Eisers 4 hebben gesteld dat zij het bouwwerk kunnen zien vanuit hun slaapkamerraam, hun keukenraam en hun tuin. Dit is door verweerder niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de relatief korte afstand niet uit te sluiten is dat er gevolgen van enige betekenis zijn. Verweerder had eisers 4 daarom als belanghebbenden moeten aanmerken. Het beroep slaagt. De rechtbank zal het beroep van eisers 4 daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover eisers 4 daarin niet-ontvankelijk zijn verklaard.

4. Eisers 4 hebben zowel in bezwaar als in beroep ook inhoudelijke gronden tegen de verleende vergunning ingediend. Deze gronden zijn op de zitting behandeld. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat ten aanzien van eisers 4 inhoudelijk gezien niet een ander besluit zou zijn genomen dan ten aanzien van eisers 1-3. De rechtbank zal daarom in het kader van finale geschillenbeslechting zelf in de zaak voorzien en ook de inhoudelijke gronden van eisers 4 beoordelen, samen met de gronden van eisers 1-3.

De gebruikte voorbereidingsprocedure

5. Niet in geschil is dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank stelt dit ook vast. Verweerder heeft de vergunning verleend met gebruikmaking van de zogeheten ‘kruimelgevallenregeling’ uit Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Tussen een binnenplanse afwijkingsregeling en de kruimelgevallenregeling bestaat geen rangorde (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985). Als gebruik wordt gemaakt van de kruimelgevallenregeling zijn de planregels die gaan over de binnenplanse afwijking niet van toepassing. Als de kruimelgevallenregeling wordt gebruikt is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing.

6. Eisers 3 en 4 hebben aangevoerd dat niet de reguliere voorbereidingsprocedure maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, omdat er een natuurtoets uitgevoerd had moeten worden en een verklaring van geen bedenkingen van de provincie vereist was. Gezien de tekst van de aanvraag en de omvang van het bouwplan gaat het volgens hen feitelijk om een tweede woning.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van handelen in of nabij een natuurgebied en dat daarom geen natuurtoets uitgevoerd hoefde te worden.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aanvraag niet dat sprake is van een tweede woning. Er is op het aanvraagformulier wel aangegeven dat het gaat om de bouw van één of meer woningen, maar verweerder heeft uit de aanvraag (inclusief de bijgevoegde tekeningen) kunnen afleiden dat het gaat om uitbreiding van de bestaande woning. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat een natuurtoets noodzakelijk was. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan heeft immers al een toetsing ten aanzien van de ruimtelijke gevolgen van een woning op deze locatie plaatsgevonden. De aanbouw is niet van een dermate grote omvang dat daarvoor een nieuwe toets zou moeten plaatsvinden.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres 1 heeft aangevoerd dat geen sprake is van een zogenoemd kruimelgeval en dat het bouwplan alleen met gebruikmaking van een buitenplanse afwijking vergund had kunnen worden. In dat geval zou de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Volgens eiseres 1 is niet voldaan aan de vereisten van artikel 4 aanhef en onder 1 van Bijlage II bij het Bor. Op grond van artikel 4 aanhef en onder 1 van Bijlage II bij het Bor kan een vergunning worden verleend voor ‘een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan’. De aanvraag heeft volgens eiseres 1 geen betrekking op een bijbehorend bouwwerk, maar op (een deel van) een hoofdgebouw, omdat de keuken naar het te bouwen gedeelte wordt verplaatst. Verweerder heeft de oorspronkelijke woning als hoofdgebouw aangemerkt en de overige bouwwerken als aanbouwen en bijgebouwen.

De definities van bijbehorend bouwwerk en hoofdgebouw staan in artikel 1 van Bijlage II Bor. Een bijbehorend bouwwerk is een “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”. Een hoofdgebouw is een “gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is”.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bouwplan terecht als een bijbehorend bouwwerk aangemerkt. Vast staat dat het bouwplan geen deel uitmaakt van het oorspronkelijke hoofdgebouw. Het bouwplan wordt gebouwd aan een al bestaande aanbouw. Dat een keuken, gelegen in dat bijbehorend bouwwerk, onderdeel uitmaakt van het gebruik als woning maakt niet dat het bouwplan daarmee ook tot het hoofdgebouw behoort. Onder bijbehorend bouwwerk valt immers een uitbreiding van het hoofdgebouw, of een functioneel met het hoofdgebouw verbonden gebouw. Dat het gebruik gekoppeld is aan het gebruik van het hoofdgebouw is daarom eigen aan een bijbehorend bouwwerk. Omdat sprake is van een bijbehorend bouwwerk mocht verweerder de kruimelgevallenregeling toepassen. De reguliere voorbereidingsprocedure is dan van kracht.

De beroepsgrond slaagt niet.

Het toetsingskader

8. Een vergunning kan op grond van de kruimelgevallenregeling worden verleend als het bouwplan past binnen de in Bijlage II Bor opgenomen categorieën kruimelgevallen en als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Op grond van artikel 4 aanhef en onder 1 kan een vergunning worden verleend voor ‘een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan’. In het artikel staan vereisten over maten, maar die gelden alleen voor gebouwen buiten de bebouwde kom. De rechtbank stelt daarom vast dat het bouwplan past binnen de kruimelgevallenregeling.

De toetsing in deze zaak spitst zich daarom toe op de vraag of de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beleidsruimte heeft bij zijn besluitvorming over de aanvraag van vergunninghouder. Als verweerder van oordeel is dat het bouwplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is, kan hij ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

9. Eisers 3 en eisers 4 hebben aangevoerd dat bij de beoordeling of sprake is van goede ruimtelijke ordening en de daarbij behorende belangenafweging moet worden uitgegaan van een vergelijking tussen de bestaande en de vergunde situatie.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergunde situatie moet worden vergeleken met de maximale planologische situatie.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is namelijk al beoordeeld dat de maximale planologische situatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Bij de belangenafweging moet daarom de maximale planologische situatie als uitgangspunt genomen worden. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2487.

De beroepsgrond slaagt niet.

Vergelijking met planologisch kader

10. Op [adres] geldt op grond van het bestemmingsplan Het Spiegel - Prins Hendrikpark 2010 de bestemming ‘Woondoeleinden’. Het bouwplan is op een aantal onderdelen strijdig met de bouwregels uit het bestemmingsplan, zoals vastgelegd in

artikel 10, vierde lid, van de planregels.

De bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag op grond van onderdeel p niet meer bedragen dan 5 meter. De bouwhoogte van het bouwplan bedraagt echter 5,50 meter. Er is dus sprake van een overschrijding van 0,5 meter.

Het gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag op grond van onderdeel r en s (bij een zij- en achtererf van tenminste 250 m²) ten hoogste 75 m² bedragen. In de vergunde situatie wordt dit overschreden met

2,9 m². Doordat afspraken zijn gemaakt met vergunninghouder over het verkleinen van een bestaande schuur achterin de tuin zal de overschrijding ten opzichte van de bestaande situatie echter afnemen.

Op grond van onderdeel t mag de diepte van een aan- en uitbouw, gemeten vanuit de achtergevel van het hoofdgebouw, niet meer bedragen dan 3 meter. De diepte van de vergunde aanbouw is bijna 13 meter. In onderdeel v is echter een overgangsbepaling opgenomen: bij aan- en uitbouwen die op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met inachtneming van de Woningwet tot stand zijn gekomen wordt in afwijking van onderdeel t (de diepte van een aanbouw) en onderdeel u (de breedte vanuit de zijgevel) de bestaande diepte en/of de bestaande breedte aangehouden. De diepte van de vergunde aanbouw is nagenoeg gelijk aan de diepte van de bestaande aanbouw, die onder het overgangsrecht valt.

11. Eiseres 1 en eisers 3 hebben aangevoerd dat ook sprake is van een overschrijding van onderdeel u van artikel 10, van de planregels, omdat de aanbouw breder is dan 3 meter. In onderdeel u staat dat de breedte van een aan- en uitbouw, gemeten vanuit de zijgevel van het hoofdgebouw, niet meer mag bedragen dan 3 meter.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze bepaling betrekking heeft op aan- en uitbouwen die aan de zijkant van het hoofdgebouw worden gebouwd. De maximale breedte van 3 meter ziet op de breedte naast de zijgevel. Het bestemmingsplan bevat geen bepaling over de breedte van een aanbouw als zodanig.

De rechtbank volgt de uitleg van verweerder. Van strijdigheid met onderdeel u is geen sprake, aangezien de aanbouw niet naast de zijgevel wordt gebouwd.

De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eisers 1 en eisers 3 hebben aangevoerd dat de diepte niet circa 13 meter, maar circa 19 meter is. Volgens hen beschouwt verweerder een deel van de uitbouw ten onrechte als hoofdgebouw, maar zou dit ook onderdeel van de aanbouw uitmaken.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet relevant voor de beoordeling. Op grond van het overgangsrecht uit onderdeel v mag de bestaande diepte, ongeacht hoeveel dat is, worden aangehouden. Vanaf waar er precies gemeten moet worden doet daarom niet ter zake.

De beroepsgrond slaagt niet.

De belangenafweging

13. Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan grote gevolgen heeft voor de bezonning van hun huizen en tuinen. Door de hoogte van de geplande opbouw zal er met name in de winter in de ochtenduren schaduw vallen over het huis en de tuin van eisers 3. De schaduw valt dan ook over de zonnepanelen van eisers 2. Voor eisers 4 geldt dat de schaduw ’s ochtends in hun tuin zal vallen, waar zij een groot deel van de dag al geen direct zonlicht hebben vanwege de schaduw van de eigen aanbouw. Eisers 1 en eisers 3 hebben ter onderbouwing een bezonningsstudie laten opstellen door [adviesbureau] B.V.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de hogere bouwhoogte van 0,5 meter ten opzichte van de planologische mogelijkheden geen onevenredige negatieve invloed heeft. Daarbij vergelijkt verweerder het bouwplan met de situatie waarin de huidige garage, die dichter bij de erfafscheiding staat dan de vergunde aanbouw, tot de maximaal toegestane hoogte van 5 meter verhoogd zou worden (artikel 10, vierde lid, onder q, van de planregels). In de ochtenduren is er door het bouwplan wel enige toename van schaduw, maar de gevolgen zijn niet zodanig dat sprake is van een onaanvaardbare inperking van de gebruiksmogelijkheden van de naburige percelen. Aan het primaire besluit lag een door vergunninghouder ingebrachte bezonningsstudie ten grondslag. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aanvullend nog een eigen bezonningsstudie gemaakt. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de aan het primaire besluit ten grondslag liggende bezonningsstudie afdoende was, maar dat de aanvullende studie is gemaakt om de gevolgen meer inzichtelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht een vergelijking gemaakt tussen de gevolgen van het bouwplan en de gevolgen van de maximale planologische mogelijkheden. De door eisers 1 en 3 ingediende bezonningsstudie gaat uit van een vergelijking tussen de bestaande situatie en de aangevraagde situatie. Aan dat rapport kunnen daarom geen conclusies worden verbonden. Uit de bezonningsstudies die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit blijkt dat er wel effecten zijn voor de bezonning in tuinen en woningen, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat deze gevolgen niet onevenredig zijn. Ook als verweerder geen aanvullende bezonningsstudie had gemaakt was dat met de bezonningsstudie die ten grondslag ligt aan het primaire besluit afdoende onderbouwd.

De schaduw die valt over het huis en de tuin van eisers 3 is in omvang relatief niet veel groter dan de schaduw van het bestaande hek van circa twee meter hoog en van een planologische mogelijke opbouw op de garage van 5 meter hoog. Dat de extra schaduwwerking gevolgen zou hebben voor de opbrengst van de zonnepanelen van eisers 2 is niet nader onderbouwd. Met betrekking tot het argument van eisers 4 dat zij door de schaduw die ’s ochtends over hun tuin valt gedurende de dag nauwelijks meer zonlicht zullen hebben, merkt de rechtbank op dat het gaat om de effecten van het bouwplan. De effecten van de eigen bebouwing worden in de afweging niet meegenomen.

De beroepsgronden slagen niet.

14. Eisers hebben aangevoerd dat het bouwwerk door de omvang en hoogte een massale indruk maakt en dat het leidt tot een verslechtering van het uitzicht. In de tuinen aan de [adres] is nu alleen laagbouw geplaatst. Daardoor wordt het woongenot van de omwonenden aangetast. Eisers 1 en eisers 3 hebben ook aangevoerd dat hun privacy afneemt, doordat de buren vanuit de opbouw uitzicht op hun percelen hebben.

De rechtbank wijst erop dat op grond van het bestemmingsplan een aanbouw met een hoogte van 5 meter is toegestaan. Gelet op wat het bestemmingsplan al mogelijk maakt is sprake van een relatief kleine afwijking van 0,5 meter. Naar het oordeel van de rechtbank zal de extra hoogte van 0,5 meter relatief weinig invloed hebben op de uitstraling van de opbouw en het uitzicht vanuit de opbouw. De gevolgen voor de omliggende percelen en de privacy van eisers zijn daarom niet onevenredig te noemen.

De beroepsgronden slagen niet.

15. Eisers hebben aangevoerd dat de vergunningverlening precedentwerking kan hebben. Eigenaren van andere percelen kunnen dan de medewerking van het college aan een bouwwerk van een dergelijke omvang inroepen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van precedentwerking geen sprake kan zijn, omdat er geen sprake is van identieke woningen. Iedere aanvraag wordt afzonderlijk en naar de eigen specifieke kenmerken beoordeeld.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bestemmingsplan aanbouwen en bijgebouwen van 5 meter hoog zijn toegestaan. Verweerder moet dus al medewerking verlenen aan bouwwerken met een vrijwel vergelijkbare omvang. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat hier sprake is van een specifieke situatie gezien de al bestaande bebouwing. Iedere aanvraag moet op zijn eigen waarden en omstandigheden beoordeeld worden. Precedentwerking ligt gezien de specifieke situatie niet voor de hand.

De beroepsgrond slaagt niet.

16. Verweerder heeft de belangen van de vergunninghouder, namelijk uitbreiding van het woongenot en de beschikbare ruimte, afgewogen tegen de belangen van de omwonenden. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte relatief gering is en beperkte gevolgen heeft voor de omwonenden. Verweerder heeft ook in de belangenafweging meegenomen dat de overschrijding van het te bebouwen oppervlak van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bestaande situatie afneemt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gemaakte belangenafweging afdoende gemotiveerd en onderbouwd. Gezien de ruime bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan heeft verweerder in redelijkheid tot de afweging kunnen komen dat de gevolgen van de relatief kleine afwijkingen voor de omwonenden niet tot onevenredige gevolgen leiden.

Het welstandsadvies

17. Verweerder heeft aan de vergunningverlening een welstandsadvies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed (CRKeE) ten grondslag gelegd. Het bouwplan is op 28 februari 2018 en 14 maart 2018 voorgelegd aan de CRKeE. De CRKeE heeft op 26 maart 2018 positief geadviseerd en ziet geen strijdigheden met de Welstandsnota 2016 Gooise Meren.

18. In de Welstandsnota zijn verschillende criteria opgenomen. Uit het stroomschema (pagina 6) blijkt dat vergunningplichtige aanvragen voor bouwwerken bij en wijzigingen van bestaande panden worden getoetst aan de criteria voor kleine plannen (hoofdstuk 4). Plannen die niet passen binnen de criteria voor kleine plannen worden getoetst aan de objectcriteria (hoofdstuk 5), of als het niet om de specifieke objecten uit de objectcriteria gaat aan de gebiedscriteria (hoofdstuk 6). Plannen die daar ook niet in passen worden getoetst aan de algemene criteria voor afwijkende plannen of de excessenregeling (hoofdstuk 7).

Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat het bouwplan niet voldoet aan de vereisten voor kleine plannen en dat ook geen sprake is van een object uit de objectcriteria. Er is daarom getoetst aan de gebiedscriteria voor het gebied ‘Dorpsgebied Het Spiegel’.

19. Eisers 2, 3 en 4 voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de Welstandsnota. Eisers 3 en 4 noemen meerdere bepalingen waaraan het bouwplan niet zou voldoen. Het betreft onder meer de volgende bepaling uit de gebiedscriteria (pagina 71): ‘Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa.’ Eisers 2 geven aan dat niet is voldaan aan de maatvoeringseisen uit de criteria voor kleine plannen. Het bouwplan is ook in strijd met de gebiedscriteria: het kleinschalige dorpse karakter moet gerespecteerd worden, samenhang en herhaling is belangrijk bij rijen, de bouwmassa moet harmoniëren met het dorpse karakter, en aan- en uitbouwen moeten zijn vormgegeven als toegevoegd element of zijn opgenomen in de hoofdmassa.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de Welstandsnota. Verweerder heeft verwezen naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952) waaruit blijkt dat het college in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen aan het welstandsadvies. Het advies behoeft, tenzij het zodanige gebreken vertoont dat het niet aan het welstandsoordeel ten grondslag mag liggen, in beginsel geen nadere toelichting. Dat is anders wanneer de aanvrager of derde-belanghebbende een advies van een deskundige overlegt of gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de criteria van de Welstandsnota.

De rechtbank stelt vast dat de bepalingen waarnaar eisers 3 en 4 verwijzen, met uitzondering van de genoemde bepaling over massa, afkomstig zijn uit de criteria voor kleine plannen (hoofdstuk 4), de algemene criteria voor afwijkende plannen en de excessenregeling (hoofdstuk 7). Eisers 2 hebben ook verwezen naar de criteria voor kleine plannen. Toetsing aan deze criteria is echter niet aan de orde, juist omdat niet aan de vereisten voor kleine plannen wordt voldaan. De CRKeE heeft geoordeeld dat is voldaan aan de gebiedscriteria, dus aan de criteria uit hoofdstuk 7 wordt niet toegekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 2, 3 en 4 met betrekking tot de gebiedscriteria wel gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten, maar zij hebben dit niet nader onderbouwd. Ook hebben zij geen advies van een deskundige overgelegd. Verweerder mocht daarom doorslaggevende betekenis toekennen aan het welstandsadvies.

20. Eisers 2, 3 en 4 hebben in het kader van mogelijke precedentwerking (zie punt 16 van deze uitspraak) ook nog verwezen naar de mogelijkheid uit de Welstandsnota om een beroep te doen op deze vergunning als een zogeheten ‘standaardplan’.

De rechtbank stelt echter vast dat standaardplannen in de Welstandsnota alleen aan de orde kunnen zijn als sprake is van kleine plannen (hoofdstuk 4). Bouwplannen zoals de vergunde aanvraag vallen echter niet onder de kleine plannen. Er kan daarom geen sprake zijn van een standaardplan.

21. Eisers 2 hebben aangevoerd dat de CRKeE niet alle criteria heeft besproken in het advies en dat het advies onvoldoende is gemotiveerd. Op zitting hebben zij nader toegelicht dat dit in strijd is met artikel 7 van de Verordening Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed Gooise Meren 2016.

In artikel 7, vierde lid, van de Verordening staat: ‘De commissie adviseert en motiveert schriftelijk.’ De rechtbank leest hierin niet de verplichting om in het welstandsadvies een uitputtende motivering op te nemen. De CRKeE is op een aantal onderdelen van het bouwplan uitgebreider ingegaan omdat daarover vragen bestonden. Voor het overige heeft de CRKeE opgemerkt dat zij geen strijdigheden zien met de Welstandsnota. Naar het oordeel van de rechtbank is het welstandsadvies daarmee in beginsel afdoende gemotiveerd. Aangezien er geen sprake is van een gemotiveerde weerspreking hoefde er ook geen nadere toelichting gegeven te worden.

De beroepsgronden ten aanzien van het welstandsadvies slagen niet.

Zorgvuldigheid en motivering

22. Eiseres 1 en eisers 3 hebben aangevoerd dat niet aan de motiveringseis is voldaan. In het bestreden besluit heeft verweerder namelijk het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen. In het advies van de bezwaarschriftencommissie wordt verwezen naar de pleitnota van het college. Dat verweerschrift was echter niet bij het advies gevoegd.

De rechtbank stelt vast dat er in het advies van de bezwaarschriftencommissie één keer wordt verwezen naar de pleitnota van het college zonder dat daarbij wordt herhaald wat daarin staat. De bezwaarschriftencommissie oordeelt dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat sprake is van uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk, verwijst daarbij naar de toelichting van het college in de pleitnota en onderschrijft die. De commissie gaat vervolgens in op de stelling van bezwaarden dat er geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk, maar van een tweede hoofdgebouw en geeft aan die niet te kunnen volgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een motiveringsgebrek. In het primaire besluit is namelijk al aan de orde gekomen dat sprake is van een aanbouw en dat is voldaan aan de vereisten van artikel 4 aanhef en onder 1 van Bijlage II bij het Bor (de kruimelregeling voor bijbehorende bouwwerken). De commissie heeft onderschreven dat sprake is van uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk. Het bezwaar daartegen, namelijk dat sprake zou zijn van een hoofdgebouw, is door de commissie (hoewel summier) aan de orde gesteld en afgewezen.

De beroepsgrond slaagt niet.

23. Eisers 3 en 4 hebben aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is, omdat er gebreken zijn in het advies van de bezwaarschriftencommissie. De commissie heeft ten onrechte de heer [A] , partner van vergunninghouder, als vergunninghouder aangemerkt en in de gelegenheid gesteld zijn standpunten naar voren te brengen. Ook is niet getoetst of nog wel voldoende werd beslist op de aanvraag zoals die oorspronkelijk op 21 december 2017 werd ingediend en die volgens eisers betrekking had op een tweede woning. Omdat sprake is van een tweede hoofdgebouw had ook aan het Bouwbesluit getoetst moeten worden. Eisers 4 mochten op de hoorzitting geen nadere toelichting geven met betrekking tot hun belanghebbendheid. Ook is niet voldaan aan de beginselen voor een goede procesorde, omdat verweerder de nieuwe bezonningstekeningen vlak voor de hoorzitting mocht indienen. De verdieping van de aanbouw is ten onrechte als zolderverdieping aangemerkt en er had ook ingegaan moeten worden op het gegeven dat dat de verdieping als bergruimte gebruikt zal worden, zoals tijdens de bezwaarprocedure vast is komen te staan.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onzorgvuldigheid. Ten aanzien van de belanghebbendheid van eisers 4 wordt het bestreden besluit al vernietigd. Op de tweede woning en het tweede hoofdgebouw is de rechtbank in punt 6 en 7 van deze uitspraak al ingegaan. De overige door eisers genoemde gebreken in het advies van de commissie zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat verweerder niet meer van het advies mocht uitgaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

24. Eiseres 1 en eisers 3 hebben aangevoerd dat op de bouwtekeningen niet de afstand tot de zijdelingse erfgrenzen is opgenomen en dat de tekeningen daarom niet aan de vereisten voldoen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de afstand tot de erfgrens alleen geldt voor hoofdgebouwen en daarom niet relevant is voor de beoordeling.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. In de bouwregels voor aanbouwen is geen bepaling opgenomen die ziet op de afstand tot de erfgrens.

De beroepsgrond slaagt niet.

25. Eisers 1, 3 en 4 hebben ook aangevoerd dat de architect van vergunninghouder in het voortraject veel contact heeft gehad met de gemeente en in het verleden raadslid is geweest. Daardoor is er mogelijk sprake van vooringenomenheid bij de gemeente.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van vooringenomenheid.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusies

26. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Dat betekent dat het beroep van eiseres 1, eisers 2 en eisers 3 ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

27. Zoals de rechtbank onder 3. al heeft overwogen is het beroep van eisers 4 gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover eisers 4 daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard.

De rechtbank heeft in deze uitspraak in het kader van finale geschillenbeslechting de inhoudelijke gronden van eisers 4 beoordeeld. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van eisers 4 alsnog ongegrond te verklaren.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers 4 het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers 4 gemaakte proceskosten in beroep. Voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar is geen aanleiding, aangezien de bezwaren van eisers 4 door de rechtbank ongegrond verklaard worden.

De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De beroepen van eiseres 1 (UTR 18/3548), eisers 2 (UTR 18/3792) en eisers 3 (UTR 18/3554)

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Het beroep van eisers 4 (UTR 18/3796)

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover eisers 4 daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard;

- herroept het primaire besluit, bepaalt dat de daartegen door eisers 4 gemaakte bezwaren ongegrond zijn en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.