Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2505

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
16/659622-18; 21/004794-17 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot moord, overwegingen voorberdachten rade en tbs met dwangverpleging bij weigerende observandus. Gevangenisstraf 5 jaren + tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/659622-18; 21/004794-17 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1989] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Rijnmond te Krimpen aan de IJssel,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M. Tromp en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] en haar advocaat mr. W. van Egmond naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 21 augustus 2018 in Hilversum [slachtoffer] heeft geprobeerd, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, te doden;

subsidiair:

op 21 augustus 2018 in Hilversum [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden. De officier van justitie heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft neergestoken en dat het slachtoffer daardoor ernstige verwondingen heeft opgelopen. De officier van justitie rekwireert tot een bewezenverklaring van poging tot moord, omdat sprake is van voorbedachten rade. Getuige [getuige] heeft om 07.00 uur waargenomen dat verdachte voor de woning van [slachtoffer] stond te wachten. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij om 09.45 uur verdachte zag staan, dat hij een mes in zijn hand vast had, iets heeft gezegd over zijn zus en direct op haar in is gaan steken. Nadat verdachte is aangehouden heeft hij naar het slachtoffer geroepen “Laat dit een les voor jullie zijn. Wie aan mijn familie komt, steek ik neer, net als vanochtend.” Verdachte droeg bij zijn aanhouding een tas met daarin twee messen en twee barbecue-vorken. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, was sprake van een welberaden plan. De verklaring van verdachte dat hij die messen bij zich had vanwege een geplande barbecue en slechts een gesprek wilde aanknopen met [slachtoffer] , waarna bij hem de stoppen zijn doorgeslagen, is gelet op de verklaring van voornoemde [getuige] kennelijk leugenachtig en kan als zodanig voor het bewijs tegen verdachte worden gebruikt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde wat betreft de voorbedachten rade. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte het plan heeft gehad om [slachtoffer] te doden. Verdachte is naar de woning van [slachtoffer] gegaan om met haar in gesprek te gaan. Doordat [slachtoffer] verdachte vertelde over zijn zusje is hij ontstoken in woede en heeft hij haar in een opwelling neergestoken. Hij heeft zich niet kunnen beraden over het besluit, dan wel het genomen besluit. Verdachte had twee messen bij zich omdat hij later op de dag zou gaan barbecueën. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan en bij de politie onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 21 augustus 2018 rond 08.45 uur mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] verlaten en ben via de lift naar beneden gegaan. Aangekomen op de begane grond, zag ik iemand van de trap afkomen en mijn kant op lopen. Terwijl ik naar de algemene toegangsdeur liep, zag ik dat de persoon die naar mij toeliep mijn ex-vriend [verdachte] was. Ik had hem helemaal niet verwacht en zei: “Wat doe jij hier?” Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Wat doe jij met mijn zusje! Wat doe je met haar!” Hij riep dit heel boos tegen mij. Terwijl hij dit riep, stond hij op nog geen meter afstand van mij. Ik zag dat hij een mes in zijn handen had. Ik zag dat mes en direct hierop begon [verdachte] mij met het mes te steken. Het mes had een fel rode of roze kleur. Het handvat had die kleur, maar ook het ijzer. Ik voelde dat hij meerdere keren in mijn buik, armen en bovenlichaam stak. Ik was volledig in paniek en riep: “Hij steekt mij! Hij steekt mij! Bel de politie!” [verdachte] rende toen heel hard weg. In het ziekenhuis bleek dat ik een heftige interne bloeding in mijn buik had en dat hij zodanig in mijn buik had gestoken dat hij mijn darmen had geraakt.2

Getuige [getuige] heeft bij de politie onder meer als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 21 augustus 2018, omstreeks 07.00 uur, deed ik de balkondeuren van de slaapkamer van mijn kinderen open. Ik keek naar buiten en ik zag pal tegenover mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] dat een man bij de ingang van het buitenportaal van de flat aan de overzijde stond. Ik herkende de man als de (ex)vriend van [slachtoffer] . Ik ken hem persoonlijk niet, maar ik heb geregeld gezien dat hij hun zoontje op kwam halen. Op 21 augustus 2018, omstreeks 08.45 uur, kwam ik weer in genoemde slaapkamer. Ik hoorde dat buiten om hulp werd geroepen. Ik keek direct via de openstaande deuren naar buiten en zag dat de (ex)vriend van [slachtoffer] wegrende. Op dat moment zag ik [slachtoffer] op de stoep staan. Ik zag dat zij mijn kant opkeek en riep dat zij was neergestoken.3 Ik weet 100% zeker dat de man die wegrende dezelfde persoon betrof die ik om 07.00 uur voor de woning van [slachtoffer] had zien staan.4

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in hun proces-verbaal van aanhouding onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Op het moment dat wij de aangehouden verdachte, [verdachte] , van de plaats van aanhouding naar het dienstvoertuig transporteerden, hoorden wij ineens dat de aangehouden verdachte ging schreeuwen. Wij hoorden dat hij in de richting van het publiek op de Bonnikestraat het volgende schreeuwde: “Laat dit een les voor jullie zijn. Wie aan mijn familie komt, steek ik neer, net als vanochtend. Volgende keer doe ik het misschien wel met lood.”5

Uit het rapport van het AMC van 29 augustus 2018 blijkt dat [slachtoffer] zowel thoracaal als abdominaal steekverwondingen heeft opgelopen. Er was tevens sprake van een laceratie van het colon transversum, waardoor deze moest worden overgehecht.6

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben in hun proces-verbaal sporenonderzoek onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Er is onderzoek ingesteld naar de steeg waar verdachte zich had opgehouden en is aangehouden.7 Ik zag aan de rechterzijde nabij de schutting en recht in de grond gestoken een rood ‘vlees’ mes. Aan de linkerzijde ter hoogte van het aangetroffen mes zag ik een zwart/bruine tas. Ik zag in de tas een groene jas, een zwart gebreide muts, een oranje mes, een gekarteld zwart mes en twee verschillende barbecuespiesen.8

Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 mei 2019 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 21 augustus 2018 omstreeks 08:00 uur de woning waar ik verbleef verlaten. Ik zou die dag gaan barbecueën en had daarom twee messen en twee barbecuespiesen bij mij. Ik was op weg naar de slager. De slagerij is in de buurt van de woning van [slachtoffer] . Ik ben naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Ik heb haar neergestoken. Ik heb haar meerdere keren met een rood mes in haar buik en armen gestoken.

Bewijsoverwegingen

Voorbedachten rade

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen staan de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte stond op 21 augustus 2018 omstreeks 07.00 uur voor de ingang van het buitenportaal van de flat waar [slachtoffer] woonachtig was. Verdachte is naar die flat toegegaan met een tas met daarin niets meer dan een jas, muts, messen en twee barbecuespiesen. Omstreeks 08.45 uur verliet [slachtoffer] haar woning en werd zij door verdachte meerdere keren in haar buik en armen gestoken met een mes. Verdachte werd omstreeks 11.00 uur aangehouden en schreeuwde daarna in de richting van het publiek: “Laat dit een les voor jullie zijn. Wie aan mijn familie komt, steek ik neer, net als vanochtend. Volgende keer doe ik het misschien wel met lood.”

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 21 augustus 2018 min of meer toevallig bij de flat van [slachtoffer] was. Hij zou omstreeks 08.00 uur de woning waar hij verbleef hebben verlaten en onderweg zijn naar een slager in de buurt van de woning van [slachtoffer] om vlees te kopen voor een barbecue die hij diezelfde dag zou hebben. Hij had messen en twee barbecuespiesen bij zich omdat de persoon bij wie hij zou gaan barbecueën die niet zou hebben. Verdachte besloot bij [slachtoffer] langs te gaan omdat hij tegen [slachtoffer] wilde zeggen dat zij moest stoppen zijn moeder lastig te vallen. Toen hij [slachtoffer] zag zou [slachtoffer] tegen verdachte hebben gezegd dat zijn zusje bij haar verbleef en dat zij drugs hadden gebruikt. Op dat moment zou er iets bij verdachte zijn geknapt en heeft hij haar neergestoken met een mes wat hij bij zich had gestoken voor de barbecue.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte pas ter terechtzitting de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken heeft gesteld. Daarbij heeft hij niet een voor verificatie vatbaar element willen verstrekken, in het bijzonder niet met betrekking tot de persoon bij wie hij de nacht voorafgaand aan het incident zou hebben verbleven en/of de persoon waarmee hij zou hebben afgesproken om te gaan barbecueën. In de kern houdt zijn verklaring niet meer in dan een stelling, die volgens zijn mening door de inhoud van het dossier niet wordt weerlegd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte wordt weerlegd door de verklaring van de getuige [getuige] . In het licht daarvan waardeert de rechtbank de verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen, zijnde de waarheid dat verdachte al vanaf 07.00 uur [slachtoffer] voor de ingang van haar flat stond op te wachten met messen en twee barbecuespiesen.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en acht poging tot moord bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair:

op 21 augustus 2018 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en met voorbedachten rade meerdere malen met een mes in de buik en armen, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

primair:

poging tot moord.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 16 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie voert daartoe – kort gezegd – aan dat verdachte heeft geprobeerd de moeder van zijn eigen kind van het leven te beroven door haar meermalen met een mes in haar buik, bovenlichaam en armen te steken. Door medisch ingrijpen is het slachtoffer niet komen te overlijden. Het handelen van verdachte heeft tot op de dag van vandaag een enorme impact op het leven van het slachtoffer en haar omgeving. Ook de maatschappij is door het handelen van verdachte ernstig geschokt. Hoewel de officier van justitie het wenselijk zou vinden dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging), ziet zij geen mogelijkheid tot het eisen van een tbs-maatregel met dwangverpleging, gelet op de uitkomsten van het onderzoek in het Pieter Baan Centrum naar de geestvermogens van verdachte. Om die reden acht de officier van justitie slechts een gevangenisstraf van zeer lange duur gerechtvaardigd, om zowel het slachtoffer als de maatschappij te beschermen tegen verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De verdediging heeft – kort gezegd – aangevoerd dat een maatregel als bedoeld in artikel 37a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet kan worden opgelegd, nu aan de daaraan in de wet gestelde voorwaarden niet is voldaan. Door de deskundigen is geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte geconstateerd en is ten aanzien van de agressieregulatie geen patroon van delicten bekend. Wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf heeft de raadsman, gelet op soortgelijke jurisprudentie, verzocht de gevorderde gevangenisstraf fors te matigen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft op 21 augustus 2018 geprobeerd de moeder van zijn kind te vermoorden. Verdachte heeft daartoe [slachtoffer] vanaf 07.00 uur op staan wachten voor de ingang van haar flat, terwijl hij messen en twee barbecuespiesen bij zich had. Toen [slachtoffer] om 08.45 uur haar flat wilde verlaten, stapte verdachte op haar af en heeft hij haar vrijwel direct meerdere keren gestoken met een mes. [slachtoffer] is daarbij onder andere in haar buik geraakt. Dit heeft een heftige bloeding in haar buik veroorzaakt. Ook zijn daarbij haar darmen geraakt. Verder heeft zij steekwonden over haar gehele bovenlichaam opgelopen. [slachtoffer] is na alert handelen van buurtbewoners met spoed overgebracht naar het AMC te Amsterdam. Tijdens deze overbrenging is haar toestand dermate achteruit gegaan dat een traumahelikopter ter ondersteuning is opgeroepen. Het is te danken aan het adequaat ingrijpen van de buurtbewoners en hulpverlening dat [slachtoffer] niet is komen te overlijden.

Verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Naast fysiek letsel heeft verdachte het slachtoffer ook psychisch leed bezorgd. Uit de slachtofferverklaring, die door [slachtoffer] ter terechtzitting is voorgelezen, blijkt dat zij iedere dag opnieuw wordt geconfronteerd met de gevolgen – zoals ontsierende littekens op haar lichaam – van verdachtes handelen. Dat dit alles heeft plaatsgevonden voor haar woning, waar zij samen met hún zoon woont, maakt dat dit extra traumatisch is geweest.

Door het onderhavige feit zijn niet alleen het slachtoffer en haar directe omgeving ernstig geschokt, maar ook de rechtsorde. Onderhavig feit is immers niet het eerste voorbeeld van geweld waarbij iemand, al dan niet in huiselijke sfeer, zomaar wordt neergestoken. Dergelijke acties veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 5 april 2019, waaruit blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan het onderhavige feit niet is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank laat dit, gelet op de ernst van het feit, in zeer geringe mate meewegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van het NIFP (locatie: Pieter Baan Centrum) van 19 maart 2019, opgesteld door M.J. van Haaren, psychiater,

R. Haveman, GZ-psycholoog en A. Kiers, forensisch milieuonderzoeker (hierna: PBC-rapport). In het PBC-rapport staat dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Desalniettemin is het voor de deskundigen mogelijk gebleken tot enkele diagnostische overwegingen te komen. Vanaf de adolescentie is sprake van middelenproblematiek, namelijk ten aanzien van het gebruik van cannabis en cocaïne. Verdachte zou zich in het verleden in verband met zijn cocaïnegebruik tot tweemaal toe hebben laten opnemen in een verslavingskliniek. Tevens scoorde verdachte positief op cannabis bij een urinecontrole bij aanvang van de observatie. Gezien voornoemde kan niet anders dan worden geconcludeerd dat bij betrokkene sprake moet zijn van een stoornis in het gebruik van cocaïne alsook in het gebruik van cannabis. Ook lijkt verdachte op verschillende leefgebieden te disfunctioneren. Zo is het hem niet gelukt een vaste arbeidsbetrekking, een zelfstandige woonruimte of een stabiele relatie te verkrijgen en blijkt sprake van schulden. Dit zou kunnen wijzen op het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek. Onduidelijk blijft of dit disfunctioneren enkel te wijten is aan de voornoemde verslavingsproblematiek of dat daarnaast nog sprake is van meer structurele persoonlijkheidspathologie als oorzakelijke factor hierin. De stoornissen in het gebruik van cannabis en cocaïne waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig.

Straf en maatregel

Tbs-maatregel:

De vraag die de rechtbank voorligt is of een tbs-maatregel met dwangverpleging aangewezen is. De verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit (i) een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan ter beschikking kan worden gesteld indien sprake is van (ii) een misdrijf genoemd in artikel 37a, lid 1, onder 1 Sr en (iii) de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist.

I: Gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens:

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum concluderen dat ten tijde van het begaan van het feit bij verdachte sprake was van een stoornis in het gebruik van cocaïne alsook in het gebruik van cannabis. Daarnaast stellen de deskundigen vast dat verdachte op verschillende levensgebieden lijkt te disfunctioneren (werk, woonruimte, relatie en schulden) en dat dit disfunctioneren zou kunnen wijzen op het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek. Het is echter onduidelijk gebleven of het disfunctioneren van verdachte enkel te wijten is aan die verslavingsproblematiek of dat daarnaast nog sprake is van meer structurele persoonlijkheidspathologie als oorzakelijke factor hierin. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat ten tijde van het begaan van het feit derhalve niet alleen sprake was van een stoornis in middelengebruik, maar dat ook aanwijzingen bestonden van persoonlijkheidspathologie. De omvang daarvan en de oorzakelijke factor in het disfunctioneren van verdachte konden echter niet worden vastgesteld. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat op basis van het PBC-rapport kan worden vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen geachte feit, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

II: Een misdrijf genoemd in artikel 37a lid 1, onder 1 Sr:

Het door verdachte begane feit is een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

III: De veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen:

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording of – ter bescherming van de maatschappij – een tbs-maatregel met dwangverpleging aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van recidivegevaar. De inschatting van dat gevaar ontleent de rechtbank aan de volgende feiten en omstandigheden. Allereerst heeft het incident plaatsgevonden in de relationele sfeer. De relatie tussen verdachte en slachtoffer was – naar zij beiden hebben verklaard – al langere tijd onrustig. Verdachte heeft op die bewuste dag in al zijn woede de moeder van zijn kind vanaf 07:00 uur opgewacht en haar vervolgens – bijna twee uur later – toen hij haar zag vrijwel onmiddellijk neergestoken Een dergelijke uitbarsting van woede in een relatie, waarbij verdachte en het slachtoffer – door hun gezamenlijke kind – te allen tijde aan elkaar zullen blijven verbonden, en het gegeven dat verdachte geen hulp wenst, vormen naar het oordeel van de rechtbank een potentieel gevaar. Verder neemt de rechtbank in overweging de uitlatingen die verdachte twee uur na het steekincident heeft gedaan, namelijk dat zijn handelen een les moet zijn en dat wanneer iemand aan zijn familie komt, hij hen net zoals het slachtoffer zal neersteken. Deze woede was twee uur na het incident nog prominent aanwezig. Ook heeft de rechtbank deze woede meerdere malen ter terechtzitting waargenomen bij de bespreking van de feiten. Deze boosheid/woede van verdachte brengt hem tot handelen waardoor andere mensen, en in het bijzonder het slachtoffer, gevaar lopen. De rechtbank beziet dit alles tegen de achtergrond van de bewuste weigering van verdachte mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoek, waardoor het beeld van hem tot voorgaande vaststellingen beperkt is gebleven.

De rechtbank acht het, gelet op de aard en de ernst van het bewezen geachte feit en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, uit veiligheidsoogpunt niet verantwoord verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren –, in de maatschappij te laten terugkeren. In het licht hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat aan verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd. De rechtbank ziet geen andere mogelijkheid dan de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte te gelasten en daarbij te bepalen dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Verdachte heeft door te volharden in zijn weigering medewerking te verlenen aan met het oog op rapportage door gedragsdeskundigen te verrichten onderzoek, iedere opening naar een onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt.

Al met al is de rechtbank dan ook van oordeel dat de ter beschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot moord, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.

Gevangenisstraf:

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van het feit en de persoon van verdachte, acht de rechtbank ook het opleggen van een gevangenisstraf aangewezen, doch van een minder lange duur dan door de officier van justitie is gevorderd. Daartoe overweegt de rechtbank dat het voor zover bestraffing mede dient ter beveiliging, dat doel toereikend wordt nagestreefd met de aan de verdachte op te leggen tbs-maatregel. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

9 BENADEELDE PARTIJ

Vordering benadeelde partij [slachtoffer]:

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 12.670,53. Dit bedrag bestaat uit € 4.670,53 materiële schade en € 8000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De raadsman heeft ten aanzien van de materiële kostenpost ‘verhuiskosten’ aangevoerd dat deze post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu dit geen rechtstreekse schade betreft. Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman verzocht aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken en het gevorderde bedrag te matigen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De gevorderde materiële schade van in totaal € 4.631,53 komt voor vergoeding in aanmerking. Het betreffen hier verhuiskosten, kleding en accessoires, zorgkosten (eigen risico, aanvullende kosten medicijnen en daggeld ziekenhuis) en reiskosten (met uitzondering van de reiskosten naar de rechtbank en het kantoor van mr. W. van Egmond). Deze schade is voldoende onderbouwd en staat in rechtstreeks verband tot het gepleegde strafbare feit. De rechtbank overweegt daartoe dat de verhuiskosten blijkens de urgentieverklaring (bijlage 1 bij de vordering) noodzakelijk waren. Indien de benadeelde partij in haar huidige woning zou blijven wonen, zou het voor haar niet mogelijk zijn te werken aan een toekomst waarin zij haar leven weer kan opbouwen en zelfstandig kan functioneren in de maatschappij.

Voor het schatten van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij wat in soortgelijke zaken aan immateriële schade is toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij bij de beoordeling van dit deel van de vordering geen acht heeft geslagen op de brief van de moeder van de benadeelde partij die als bijlage is gehecht aan de ter terechtzitting gegeven schriftelijke toelichting door de advocaat van de benadeelde partij, nu dit geen onderbouwing van de immateriële schade betreft.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot het bedrag van € 9.631,53 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 39,00 aan reiskosten.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 9.631,53 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 december 2017 (parketnummer 21/004794-17) is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer worden gelegd.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf (5) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 9.631,53;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 39,00;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 9.631,53 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21/004794-17

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 29 december 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling – van der Maarel, voorzitter, mrs. A.W.M. van Hoof en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 mei 2019.

Mr. P.K. Oosterling – van der Maarel en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 21 augustus 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet met voorbedachten rade, meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de buik en/of armen, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 21 augustus 2018 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (te weten: diverse steek/snijwonden in de buik met interne bloedingen waarvoor operatief ingrijpen nodig was) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de buik, althans het lichaam te steken en/of te snijden.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 januari 2019, genummerd PL0900-2018242770, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 138. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 8.

3 Pagina 37.

4 Pagina 38.

5 Pagina 44

6 Pagina 101b.

7 Pagina 112.

8 Pagina 113.