Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2438

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
UTR 18/4694
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kinderopvangtoeslag, uitzondering op het uitgangspunt dat alle kosten voor kinderopvang binnen twee maanden na afloop van het berekeningsjaar moeten zijn voldaan

Verweerder heeft bepaald dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de opvang van één van haar kinderen bij een kinderopvanginstelling in de periode juli t/m oktober 2016, omdat zij niet voor de opvang in de maand oktober 2016 heeft betaald. De betaling van het restbedrag in september 2018 was volgens verweerder te laat. De rechtbank is van oordeel dat eiseres inderdaad geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de maand oktober 2016, omdat niet is gebleken dat eiseres voor de opvang in die maand heeft betaald. Ten aanzien van de maanden juli t/m september 2016 moet naar het oordeel van de rechtbank echter een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat alle kosten voor kinderopvang binnen twee maanden na afloop van het berekeningsjaar moeten zijn voldaan. Dat eiseres de volledige kosten voor de opvang in juli t/m september 2016 heeft betaald is namelijk niet in geschil. Daarbij heeft eiseres uitgelegd dat de kinderopvanginstelling in oktober 2016 plotseling is gesloten, dat zij toen in paniek is geraakt, dat zij twee dagen vrij heeft moeten nemen om een vervangende kinderopvang te regelen en dat zij daarna ook geen factuur meer heeft ontvangen van de kinderopvang. Verweerder heeft de kinderopvangtoeslag abrupt stopgezet. In deze hectiek heeft zij de betaling voor oktober gemist. De rechtbank acht dit aannemelijk. Verder heeft eiseres al in januari 2017 bewijsstukken over de kinderopvangtoeslag 2016 bij verweerder aangeleverd en daarmee gedaan wat zij kon om verweerder binnen twee maanden na afloop van 2016 te faciliteren bij de controle. Verder is niet in geschil dat eiseres de voorschotten kinderopvangtoeslag die zij over 2016 heeft ontvangen daadwerkelijk voor de opvang van haar kinderen heeft gebruikt. Ook volgt uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:589, dat een uitzondering kan worden gemaakt op de regel dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat als de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet redelijk om de gehele kinderopvangtoeslag die eiseres heeft ontvangen voor de periode juli t/m oktober 2016 terug te vorderen. Verweerder moet voor de maanden juli t/m september 2016 wel kinderopvangtoeslag aan eiseres verstrekken. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen 6 weken opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder moet eiseres verder de in beroep gemaakte proceskosten betalen en het griffierecht vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/4694

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Maachi),

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: N. Marinus).

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de dagopvang van één van haar kinderen bij kinderopvanginstelling [naam 1] in de periode van 1 juli 2016 tot en met 18 oktober 2016.

Bij besluit van 31 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van het verweerschrift heeft eiseres haar beroepsgronden aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De relevante feiten en omstandigheden.

1. Eiseres heeft twee kinderen, [A (voornaam)] en [B (voornaam)] . [A (voornaam)] ging in 2016 voor buitenschoolse opvang naar [naam 2] ( [naam 2] ). [B (voornaam)] ging in 2016 voor dagopvang achtereenvolgens naar [naam 2] , [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 3] ( [naam 3] ). De dagopvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] is op 18 oktober 2016 geëindigd, vanwege de opheffing van [naam 1] eind oktober 2016 op last van de GGD. Ten behoeve van de opvang van de kinderen van eiseres bij de genoemde kinderopvanginstellingen zijn aan eiseres voorschotten kinderopvangtoeslag 2016 toegekend.

De bestreden besluitvorming.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de dagopvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] in de periode van 1 juli 2016 tot en met 18 oktober 2016. Dit omdat uit de door eiseres opgestuurde bankafschriften blijkt dat zij niet de volledige kosten van de opvang heeft betaald. Het totale bedrag aan opvangkosten bedraagt € 5.674,25. Daarvan heeft eiseres € 4.754,10 betaald. De kinderopvangtoeslag met betrekking tot kinderopvang in 2016 bij [naam 2] en [naam 3] heeft verweerder bij het bestreden besluit conform de overgelegde jaaropgaven wel toegekend.

3. Op 29 september 2018 heeft eiseres het ontbrekende bedrag van € 920,15 voor dagopvang bij [naam 1] alsnog overgemaakt, naar de privébankrekening van de eigenaar [C] . In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat zij wel recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de dagopvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] in de periode van 1 juli 2016 tot en met 18 oktober 2016. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat zij het resterende bedrag inmiddels alsnog heeft betaald.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder betoogt dat om in aanmerking te kunnen komen voor kinderopvangtoeslag, alle kosten volledig en op tijd, dat wil zeggen binnen twee maanden na afloop van het berekeningsjaar, moeten zijn betaald. Dit omdat verweerder er belang bij heeft om betrekkelijk kort na afloop van het toeslagjaar definitief te kunnen vaststellen of er voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag en wat de hoogte daarvan is. Verweerder sluit hiermee aan bij de termijn genoemd in artikel 11f van de Regeling Wet kinderopvang. Verweerder verwijst verder naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 31 juli 20131 en 20 november 2013.2

Voor de kinderopvangtoeslag 2016 van eiseres gold daarom dat de betalingen uiterlijk in februari 2017 moesten zijn voldaan. De betaling van het resterende bedrag op 29 september 2018 was dus te laat. Daarbij heeft eiseres dit bedrag overgemaakt naar een persoonlijke bankrekening.

5. In lijn met het bestreden besluit heeft verweerder de kinderopvangtoeslag van eiseres over 2016 bij besluit van 9 november 2018 definitief berekend en vastgesteld op

€ 10.090. Eiseres moet aan verweerder € 7.192 aan teveel ontvangen voorschotten terugbetalen. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de gehele terugvordering ziet op de kosten voor opvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] in de periode van juli tot en met oktober 2016.

Het standpunt van eiseres in beroep.

6.1.

Eiseres heeft in beroep toegelicht dat zij altijd keurig elke maand de facturen voor de kinderopvang betaalt. Eiseres kwam in de problemen omdat [naam 1] ineens dicht ging. Zij moest toen vrij nemen van haar werk om met spoed een andere kinderopvang te vinden. Verweerder heeft toen ook nog abrupt de kinderopvangtoeslag stopgezet. Zij heeft voor die maand en de daaropvolgende maanden betaald bij de nieuwe kinderopvang [naam 3] . Omdat zij van [naam 1] na de sluiting ook geen factuur meer heeft gekregen, heeft zij er helemaal niet meer over nagedacht dat zij daar ook nog aan moest betalen. Zij heeft vervolgens op 2 januari 2017 persoonlijk de gegevens over de kinderopvangtoeslag aan verweerder gegeven. Ook heeft zij op verzoek nog meer gegevens overgelegd. Verweerder heeft toen niet aangegeven dat zij een betaling zou hebben gemist.

6.2.

Eiseres voert aan dat zij de kosten voor kinderopvang in 2016 wel op tijd en binnen de wettelijke kaders heeft voldaan. Eiseres heeft alle facturen, ook de gemiste factuur, betaald en dit binnen een zeer redelijke termijn aangetoond. Dat de kosten uiterlijk binnen twee maanden na afloop van het toeslagjaar moeten zijn betaald en dat eiseres de gemiste factuur dus niet alsnog mag voldoen, blijkt niet uit wet- en regelgeving en was niet de bedoeling van de wetgever. Eiseres voert verder aan dat het belang dat verweerder erbij heeft om kort na afloop van het toeslagjaar te kunnen vaststellen of er recht heeft bestaan op kinderopvangtoeslag niet altijd mag prevaleren boven het belang van de burger. Verweerder heeft nog tijdens het lopende toeslagjaar en binnen twee maanden na het verstrijken daarvan meerdere malen gebruik gemaakt van zijn controlebevoegdheid, zonder kenbaar te maken dat een betaling ontbrak. Verweerder heeft de controlebevoegdheid daarmee onzorgvuldig uitgeoefend. Verder heeft verweerder miskend dat eiseres op 31 januari 2017, dus binnen twee maanden na het verstrijken van toeslagjaar 2016, heeft verzocht om uitstel van betaling voor een bedrag van € 1534,09. Nu verweerder wist dat eiseres een betalingsregeling wenste kan verweerder niet stellen dat niet tijdig is betaald.

Gelet op wat eiseres heeft gedaan en wat verweerder heeft nagelaten, is het bestreden besluit volgens eiseres disproportioneel en onvoldoende gemotiveerd. Eiseres stelt verder dat zij de totale kosten voor kinderopvang in 2016 heeft betaald en dat zij, als het later betaalde bedrag van € 920,15 wordt meegerekend, zelfs € 937,32 teveel heeft betaald. Verweerder moet dit bedrag aan eiseres terug betalen, al dan niet op grond van artikel 8:88 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu eiseres alle kosten voor kinderopvang in 2016 heeft betaald, is het primaire besluit volgens eiseres onbegrijpelijk.

Verweerder verzuimt verder te benoemen dat de toeslag voor de opvang bij [naam 1] gedurende het lopende toeslagjaar door verweerder zelf is stopgezet op 26 oktober 2016, en dat zij dus, ingevolge de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken van 8 maart 20173 in elk geval aanspraak maakt op een gedeelte van de kinderopvangtoeslag 2016 ten aanzien van [naam 1] . Ingevolge de genoemde uitspraak kan volgens eiseres slechts ten aanzien van de maand oktober 2016 geen kinderopvangtoeslag worden toegekend.

Het oordeel van de rechtbank.

7. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter blijkt dat de achtergrond van de regeling voor het toekennen van kinderopvangtoeslag en het verstrekken van voorschotten daarvoor en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich brengt dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna worden voldaan.4 Gelet op de achtergrond van de Wet op de kinderopvangtoeslag dienen de kosten van kinderopvang over het gehele berekeningsjaar in beginsel periodiek en wel in totaal binnen twee maanden na afloop van dat jaar te zijn voldaan.5 Als dat niet zo is wordt in beginsel het gehele verstrekte bedrag aan kinderopvangtoeslag teruggevorderd. Dat laat evenwel onverlet dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan aanleiding bestaat om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken.6

8. De rechtbank stelt vast dat eiseres de kosten voor opvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] in de maand oktober 2016 niet, althans niet tijdens of kort na die opvang, heeft voldaan. Hoewel de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft verklaard dat uit de bankafschriften in het dossier waarschijnlijk blijkt dat de volledige kosten voor opvang door [naam 1] , dus ook de kosten voor opvang in oktober 2016, al in 2016 zijn voldaan, ziet de rechtbank dat in de stukken niet terug.

Omdat eiseres niet de volledige kosten voor de opvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] binnen twee maanden na afloop van het berekeningsjaar 2016 heeft betaald, heeft verweerder zich in beginsel op het standpunt kunnen stellen dat er voor eiseres geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.

Dat eiseres op 29 september 2018 alsnog het ontbrekende bedrag van € 920,15 heeft overgemaakt, doet daaraan niet af.

9.1.

Naar het oordeel van de rechtbank doen zich echter in deze zaak omstandigheden voor op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat alle kosten voor kinderopvang binnen twee maanden na afloop van het berekeningsjaar moeten zijn voldaan.

9.2.

De rechtbank acht hierbij van belang dat niet in geschil is dat eiseres de volledige kosten voor de opvang van [B (voornaam)] bij [naam 1] in de maanden juli tot en met september 2016 heeft voldaan. Alleen de betaling in oktober 2016 ontbreekt. Eiseres heeft uitgelegd dat zij door de plotselinge sluiting van [naam 1] in september 2016 in paniek is geraakt, dat zij twee dagen vrij heeft moeten nemen om een vervangende kinderopvang voor [B (voornaam)] te regelen en dat zij in deze hectiek mogelijk één betaling (oktober 2016) aan [naam 1] heeft gemist. De rechtbank acht dit, mede gelet op het verdere trouwe betalingsgedrag van eiseres, aannemelijk.

9.3.

De rechtbank acht verder van belang dat eiseres blijkens de stukken al op 2 en 13 januari 2017 bewijsstukken ten aanzien van de kinderopvangtoeslag 2016 bij verweerder heeft aangeleverd. Eiseres heeft daarmee gedaan wat in haar macht lag om verweerder al binnen de termijn van twee maanden na afloop van het jaar 2016 te faciliteren bij de controle op een juiste besteding van overheidsgelden. Dat verweerder vervolgens pas medio 2018 tot nog een controle van de kinderopvangtoeslag 2016 is overgegaan, en dat eiseres daarom ook toen pas ontdekte dat zij de betaling aan [naam 1] in oktober 2016 heeft gemist, kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet worden verweten.

9.4.

Verder is niet in geschil dat eiseres de voorschotten kinderopvangtoeslag die zij over 2016 heeft ontvangen ook daadwerkelijk voor de opvang van haar kinderen heeft gebruik. De reden voor het niet betalen van een deel van de opvang ligt niet in het gebruik van de voorschotten kinderopvangtoeslag voor andere doeleinden. Verweerder heeft ook niet betwist dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, het totaal van alle kosten voor kinderopvang in 2016 heeft betaald, zij het ten dele aan de verkeerde kinderopvang.

9.5.

Verder volgt uit de door eiseres ter zitting aangehaalde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 8 maart 20177 dat er een uitzondering kan worden gemaakt op de regel dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat als de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald, namelijk in het geval van een onrechtmatige stopzetting van de kinderopvangtoeslag door verweerder. Hoewel de rechtbank op zich kan volgen dat verweerder in de sluiting van [naam 1] reden heeft gezien voor de onmiddellijke stopzetting van de kinderopvangtoeslag, blijkt uit de genoemde uitspraak ook dat van een situatie die de onmiddellijke stopzetting wenselijk maakt in de regel sprake zal zijn in het geval van een aan de belanghebbende toe te rekenen handeling of nalaten, zoals wanneer de belanghebbende door verweerder is gevraagd informatie te verstrekken en hij daaraan geen gehoor geeft binnen de gestelde termijn. Van een dergelijke situatie is in het geval van eiseres geen sprake geweest. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen toelichten hoe de plotselinge stopzetting van de kinderopvangtoeslag van eiseres in oktober 2016 is gegaan.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden niet redelijk om de gehele kinderopvangtoeslag die eiseres heeft ontvangen voor [naam 1] terug te vorderen omdat niet alle kosten voor kinderopvang binnen twee maanden na afloop van het berekeningsjaar zijn voldaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de maanden juli tot en met september 2016 kinderopvangtoeslag dient te verstrekken. Eiseres heeft steeds netjes aan het eind van de maand haar rekeningen betaald. Dat zij, doordat er geen factuur meer is gestuurd vanuit [naam 1] , een gedeelte van één maand heeft gemist, kan haar niet worden aangerekend. Zeker niet nu zij er alles aan heeft gedaan verweerder te informeren, terwijl verweerder niet op haar opmerkingen en verzoeken is ingegaan en pas op een zeer laat tijdstip heeft aangegeven dat er iets niet klopte voor wat betreft de maand oktober.

11. Voor de maand oktober heeft eiseres geen recht op kinderopvangtoeslag voor [naam 1] . Uit het dossier is niet gebleken dat eiseres voor deze maand aan [naam 1] heeft betaald. Eiseres heeft ook zelf aangegeven hier geen factuur meer van te hebben ontvangen. De betaling op 29 september 2018 is gedaan aan [C] , en niet [naam 1] . De kinderopvang was inmiddels opgeheven. De rechtbank kan zich wel voorstellen dat eiseres in reactie op de dreigende terugvordering van het gehele bedrag aan kinderopvangtoeslag is overgegaan tot deze betaling. Maar dit maakt nog niet dat zij voor oktober 2016 kosten heeft gemaakt voor kinderopvang bij [naam 1] . Eiseres kan hier dus ook geen kinderopvangtoeslag voor ontvangen.

12. Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het voor de rechtbank niet mogelijk is om vast te stellen hoe hoog het bedrag van kinderopvangtoeslag is waar eiseres recht op heeft voor de periode van juli 2016 tot september 2016. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 512,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2013:556

2 ECLI:NL:RVS:2013:2006

3 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ECLI:NL:RVS:2017:589

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1369.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:428.

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:412.

7 ECLI:NL:RVS:2017:589