Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2434

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
C/16/479384 / KG ZA 19-257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verwijdering BKR-registraties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2019/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/479384 / KG ZA 19-257

Vonnis in kort geding van 29 mei 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. K.J. Zomer te Oosterhout, Noord-Brabant

tegen

1. de coöperatie

COOPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

advocaat D.S. Volleberg te Den Haag,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V.,

gevestigd te Diemen,

gedaagden,

advocaat mr. R.A. van Weelderen te Schalkhaar.

Partijen zullen hierna [eiser] , de Rabobank en ICS worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de productie 1 t/m 4 van de Rabobank

  • -

    de producties 1 t/m 7 van ICS

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van de Rabobank

  • -

    de pleitnota van ICS.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] had in de jaren 1998 tot 2013 een vloerbedekkings- en raambekledingsbedrijf. In 2013 is deze onderneming failliet verklaard. Enige tijd nadien is het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten. In 2018 heeft [eiser] een akkoord bereikt met zijn schuldeisers, waarbij hij de schulden aan zijn schuldeisers gedeeltelijk heeft voldaan en waarbij hem door die schuldeisers finale kwijting is verleend.

2.2.

De Rabobank en ICS zijn twee van de schuldeisers van [eiser] die hebben deelgenomen aan het schuldenakkoord. Zij hebben melding gemaakt bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) van het feit dat er een betalingsachterstand was ontstaan en dat de vordering uiteindelijk niet volledig is voldaan. Het BKR heeft de melding van de Rabobank in het door haar bijgehouden Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) geregistreerd onder de code A (achterstandsmelding) en de bijzonderheidscodes 2 (de schuld is opeisbaar gesteld) en 3 (er is een bedrag van € 250 of meer afgeboekt). De melding van ICS heeft het BKR geregistreerd onder de codes A en 3.

2.3.

De BKR-registraties zullen worden verwijderd in het jaar 2023, vijf jaar na het doen van de registratie van codes 3. [eiser] wil met dit kort geding bereiken dat de codes nu al uit het CKI worden verwijderd en vordert daartoe (kort gezegd) veroordeling van de Rabobank en ICS om de BKR-coderingen binnen 48 uur na datum van betekening te verwijderen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Rabobank en ICS in de proceskosten.

2.4.

De Rabobank en ICS voeren (afzonderlijk) verweer, dat hierna aan de orde komt.

3 De beoordeling

Ontvankelijkheid

3.1.

Eerst de vraag of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering. ICS vindt van niet. ICS voert aan dat [eiser] niet heeft voldaan aan de wettelijke plicht om, binnen zes weken nadat ICS zijn verzoek om de BKR-registraties te laten verwijderen een verzoekschrift in te dienen.

3.2.

Omdat het gaat om verwerking van persoonsgegevens, zijn de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het bijbehorende uitvoeringsbesluit (UAVG) van toepassing. [eiser] heeft de verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval ICS) gevraagd om de BKR-registraties te laten verwijderen. De verwerkingsverantwoordelijke moet daarop beslissen binnen een maand na ontvangst van het verzoek (artikel 12 lid 3 AVG en artikel 34 UAVG). Als [eiser] het niet eens is met deze beslissing, kan hij binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verwerkingsverantwoordelijke een verzoekschrift indienen bij de rechtbank. Als de verwerkingsverantwoordelijke niet binnen een maand heeft geantwoord, is de indiening van het verzoekschrift niet aan de zeswekentermijn gebonden (artikel 35 lid 2 UAVG).

3.3.

[eiser] en ICS hebben gediscussieerd over de vraag of de overschrijding van de zeswekentermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid in kort geding. Of dat zo is, kan in het midden blijven. ICS heeft namelijk niet binnen vier weken nadat [eiser] haar had gevraagd de registraties te laten verwijderen op dit verzoek gereageerd: [eiser] heeft ICS op 30 januari 2019 gevraagd de BKR-coderingen te laten verwijderen, ICS heeft op 5 maart 2019 gereageerd. Nadat [eiser] hierop (op 6 maart 2019) weer reageerde, heeft ICS binnen een dag gereageerd. Dat maakt echter niet, zoals ICS stelt, dat de zeswekentermijn op dat moment alsnog is gaan lopen voor het verzoek van 30 januari 2019. De reactie op dit verzoek is immers nog steeds te laat gedaan. [eiser] is dus (hoe dan ook) niet aan een termijn gebonden voor het indienen van een verzoekschrift over de verwijdering van de BKR-registraties. Die verzoekschriftprocedure (in vervolg op het afgewezen verzoek van 30 januari 2019) kan nog worden gevoerd en het is dus ook mogelijk om op de uitkomst daarvan vooruit te lopen in kort geding. Ten overvloede wordt nog toegevoegd dat de Rabobank geen beroep heeft gedaan op niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de zeswekentermijn. Dat is terecht, want ook de Rabobank heeft niet binnen vier weken na het verzoek door [eiser] gereageerd.

3.4.

[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn vorderingen in een kortgedingprocedure. [eiser] heeft een woning gekocht en het is hem door de BKR-registraties nog niet gelukt deze gefinancierd te krijgen. Het overeengekomen financieringsvoorbehoud kan worden ingeroepen tot 5 juni 2019.

3.5.

[eiser] heeft dus spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vorderingen en kan worden ontvangen in kort geding.

Verwijdering van de registraties?

3.6.

Dan de vraag of de BKR-registraties moeten worden verwijderd. Als uitgangspunt geldt dat de Rabobank en ICS op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht (Wft) verplicht zijn om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Partijen zijn het erover eens dat de BKR-registraties terecht zijn gedaan: [eiser] had schulden bij de Rabobank en ICS, daarop zijn achterstanden ontstaan en de schulden zijn na deelbetalingen afgeboekt.

3.7.

Maar ook een gerechtvaardigde registratie moet worden verwijderd, wanneer het doel dat de registratie dient, niet langer opweegt tegen de belangen van de betrokkene bij het verwijderen ervan. Daarbij spelen de beginselen van proportionaliteit (is het middel van registratie in verhouding met het doel dat ermee gediend wordt?) en subsidiariteit (kan dit doel in redelijkheid niet op een andere voor de betrokkene minder nadelige manier worden bereikt?).

Er moet in die zin een belangenafweging plaatsvinden. Het doel voor de BKR-registratie is gelegen in het belang van Rabobank, ICS en andere kredietverstrekkers (en daarmee van de samenleving als geheel) om te worden gewaarschuwd tegen personen die een problematisch kredietverleden hebben en in het belang van een betrokkene (als [eiser] ) zelf om te worden beschermd tegen lichtvaardige nieuwe schulden. Dat belang moet worden afgewogen tegen de belangen van [eiser] bij verwijdering van de registratie.

3.8.

De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van [eiser] uit. Er is namelijk niet gebleken dat het nodig is om financiële instellingen en/of de maatschappij op dit moment nog (en tot 2023) te beschermen tegen het risico dat [eiser] (opnieuw) schulden maakt. Dat is gebaseerd op de volgende omstandigheden.

  • -

    Het ontstaan van de voormalige schulden van [eiser] en de oorzaak van het faillissement zijn gelegen in de financiële crisis die de (eenmansonderneming van) [eiser] in financiële problemen heeft gebracht, naast een ontslag op staande voet dat [eiser] een van zijn (voormalige) werknemers heeft gegeven naar aanleiding van een vechtpartij op de werkvloer. In september 2009 werd dit ontslag op staande voet in rechte vernietigd, waardoor [eiser] die werknemer een ontslagvergoeding moest betalen van ruim € 36.000,00. Rabobank stelt dat [eiser] aan zijn onderneming ook aanzienlijke dubieuze privé-onttrekkingen heeft gedaan, maar dat onderbouwt zij niet. [eiser] heeft daarover bovendien verklaard dat hij zijn (privé)creditcard ook gebruikte ten behoeve van bedrijfsuitgaven. Dat [eiser] door verwijtbaar of lichtvaardig handelen allerlei (privé)schulden heeft gemaakt, die hij gemakkelijk had kunnen voorkomen, is dus niet gebleken. [eiser] is bovendien niet opnieuw een bedrijf gestart, maar werkt inmiddels al jaren in loondienst.

  • -

    [eiser] heeft zich nadat het faillissement (in 2013) was uitgesproken ingezet om een schuldenakkoord te kunnen bereiken. Hij heeft daartoe een advocaat aangezocht en is in 2014 in loondienst gaan werken om geld te kunnen sparen voor het akkoord. Het feit dat het schuldenakkoord in 2018 is bereikt, maakt dat de BKR-registraties vanaf dat moment vijf jaar lang zichtbaar blijven. Dat is een extreem lange periode, nu het gaat om schulden uit 2013.

  • -

    [eiser] heeft al jaren (sinds 2014) een vast inkomen. Ook zijn partner heeft een vast inkomen. Uit het dossier is niet gebleken dat [eiser] sinds het faillissement van zijn onderneming nieuwe schulden heeft gemaakt. Dit faillissement is bovendien inmiddels al zes jaar geleden.

Uit het voorgaande volgt dat er geen belang van gewicht meer toekomt aan de bescherming van [eiser] zelf tegen lichtvaardige nieuwe schulden, noch aan de bescherming van Rabobank en ICS of andere kredietverstrekkers om te worden gewaarschuwd tegen het kredietverleden van [eiser] .

3.9.

Daar tegenover staat het belang van [eiser] bij verwijdering van de BKR-registraties. [eiser] heeft een woning aangekocht en heeft voldoende onderbouwd dat de BKR-registraties het moeilijk maken om daarvoor een financiering te krijgen. [eiser] heeft er belang bij een woning te kunnen kopen en daarvoor een hypotheeklening te kunnen afsluiten. Hoewel het verkrijgen van een huurwoning niet onmogelijk zal zijn, heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat het aanbod van huurwoningen in zijn directe omgeving beperkt is, dat de huurlasten hoger zijn dan de te verwachten hypotheeklasten en dat zijn inkomen en dat van zijn partner voldoende ruimte biedt om die hypotheeklasten te dragen. Bovendien is [eiser] nu 56 jaar en zal het gezien zijn leeftijd, steeds moeilijker worden om een betaalbare hypotheek te verkrijgen.

3.10.

De conclusie is dat de BKR-registraties moeten worden verwijderd. [eiser] heeft gevorderd dat de Rabobank en ICS worden veroordeeld om die verwijdering zelf te doen, maar het is aan het BKR om de registraties te verwijderen. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de Rabobank en ICS de registraties moeten laten verwijderen. Daaraan zal ook een dwangsom worden verbonden.

Kostenveroordeling

3.11.

De Rabobank en ICS hebben ongelijk gekregen en worden in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. Die kosten worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 297,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.376,01

3.12.

De nakosten waarvan [eiser] betaling heeft gevraagd worden toegewezen op de in de beslissing geformuleerde manier.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt de Rabobank en ICS om de bijzonderheidscoderingen in het CKI van het BKR op naam van [eiser] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te laten verwijderen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat de Rabobank en ICS daaraan niet voldoen met een maximum van € 100.000,00,

4.2.

veroordeelt de Rabobank en ICS in de proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 1.376,01,

4.3.

veroordeelt de Rabobank en ICS, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2019.1

1 type: RV (4877)