Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:23

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
C/16/442716 / HA ZA 17-587
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht op tafels; schending onthoudingsverklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/442716 / HA ZA 17-587

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.R. Ruygvoorn te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M. Driessen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. Gedaagden worden gezamenlijk [gedaagde sub 1] c.s. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

in conventie

2.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde sub 1] c.s. verbiedt inbreuk te maken op de auteursrechten van [eiseres] ;

  2. [gedaagde sub 1] c.s. verbiedt producten van [eiseres] slaafs na te bootsen;

  3. [gedaagde sub 1] c.s. gebiedt binnen 21 dagen na vonnis een verklaring te verstrekken die is opgemaakt door een door [eiseres] aangewezen Registeraccountant, welke verklaring ziet op:

a. het totale aantal ingekochte of geproduceerde inbreukmakende/nagebootste producten;

b. het totale aantal verkochte inbreukmakende/nagebootste producten;

c. het totale aantal inbreukmakende/nagebootste producten op voorraad;

d. de gegevens van betrokken leveranciers, producenten of andere bij verhandeling betrokken derden;

e. de brutowinst per prodoct (of per exemplaar, als dat afwijkt);

f. het totale aantal producten dat in strijd met de onthoudingsverklaring is geproduceerd of ingekocht;

g. het totale aantal producten dat in strijd met de onthoudingsverklaring is verkocht;

h. het totale aantal producten dat in strijd met de onthoudingsverklaring in voorraad is;

4. [gedaagde sub 1] c.s. beveelt binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de gehele voorraad inbreukmakende/nagebootste producten voor eigen rekening te laten vernietigen, in het bijzijn van een deurwaarder en met de verplichting een kopie van het vernietigingsrapport aan de advocaat van [eiseres] te verstrekken;

5. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een dwangsom van € 10.000,- per dag dat in strijd wordt gehandeld met het gevorderde sub 1 tot en met 4;

6. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 50.000,- aan verbeurde dwangsommen wegens schending van de onthoudingsverklaring, te vemeerderen met wettelijke rente vanaf 7 april 2017 tot de voldoening;

7. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

8. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv.

2.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover dat van belang is voor het oordeel.

in reconventie

2.4.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert na eiswijziging – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [eiseres] geen rechthebbende is op auteursrechten op de tafels ‘ [naam 1] ’ en/of ‘ [naam 2] ’;

II. voor recht verklaart dat [eiseres] ten onrechte heeft gesommeerd inzake vermeende inbreuk;

III. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] c.s. niet in strijd heeft gehandeld met de onthoudingsverklaring;

IV. voor recht verklaart dat [eiseres] [gedaagde sub 1] c.s. en haar afnemers ten onrechte heeft aangezet tot het tekenen van onthoudingsverklaringen, nu de claims inzake auteursrechtinbreuk en/of slaafse nabootsing ongegrond zijn;

V. voor zover [gedaagde sub 1] c.s. de onthoudingsverklaring niet zelf kan vernietigen of ontbinden, deze met terugwerkende kracht vernietigt, althans ontbindt, althans subsidiair gedeeltelijk ontbindt zodat de boeteclausule wordt geschrapt;

VI. [eiseres] beveelt onmiddellijk na het vonnis te stoppen met het sommeren, aanschrijven of anderszins bejegenen van [gedaagde sub 1] c.s. en haar afnemers ter zake van auteursrechtinbreuk en/of slaafse nabootsing;

VII. [eiseres] beveelt om binnen twee dagen na het vonnis een rectificatie op eigen briefpapier te sturen aan alle geadresseerden van eerdere sommaties door [eiseres] in verband met auteursrechtinbreuk en/of slaafse nabootsing ter zake van de ‘ [naam 1] ’ en/of ‘ [naam 2] ’, onder gelijktijdige toezending per e-mail van kopieën daarvan aan de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s.

VIII. [eiseres] beveelt binnen 1 dag na het vonnis op de homepage van haar website www. [handelsnaam van eiseres] .com dezelfde rectificatie te plaatsen, gedurende zes maanden;

het gevorderde sub VI-VIII toewijst op verbeurte van een dwangsom van
€ 10.000,- per keer dat in strijd met een bevel wordt gehandeld en € 5.000,-per dag dat de overtreding voortduurt;

IX. voor recht verklaart dat [eiseres] gehouden is de geleden en nog te lijden schade van [gedaagde sub 1] c.s. te vergoeden;

X. [eiseres] veroordeelt tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

XI. [eiseres] veroordeelt in de volledige proceskosten, op de voet van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met nakosten.

2.5.

[eiseres] voert verweer.

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover dat van belang is voor het oordeel.

3 De beoordeling

Inleiding

3.1.

[eiseres] heeft twee types tafels ontworpen, namelijk de salontafel [naam 1] (zie afbeelding 1a en 1b) en de tafel [naam 2] (zie afbeelding 2a; de bijzettafel en 2b de salontafel). Beide types tafels zijn verkrijgbaar in verschillende afmetingen. De [naam 2] is verkrijgbaar als salontafel en als bijzettafel, in beide uitvoeringen in verschillende kleurstellingen.

[gedaagde sub 2] heeft tafels verkocht die (vrijwel) identiek zijn aan de [naam 1] en de [naam 2] . De vorderingen van [eiseres] zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de [naam 1] en de [naam 2] auteursrechtelijk zijn beschermd. De vorderingen van [gedaagde sub 1] c.s. in reconventie gaan uit van het tegendeel. Het oordeel in conventie en in reconventie hangt dus af van het antwoord op dezelfde vragen: rust er auteursrecht op de [naam 1] en rust er auteursrecht op de [naam 2] ?

In het verlengde van deze centrale vraag, ligt in conventie de vraag voor of [gedaagde sub 1] zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de afgegeven onthoudingsverklaring. In reconventie staat de rechtsgeldigheid van diezelfde onthoudingsverklaring ter discussie.

Afbeelding 1a Afbeelding 1b

Afbeelding 2a (bijzettafel) Afbeelding 2b (salontafel)

Beoordelingskader auteursrecht

3.2.

Naar vaste rechtspraak is voor auteursrechtelijke bescherming vereist dat (a.) het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en (b.) het persoonlijk stempel van de maker draagt.

3.3.

De eis dat het voortbrengsel een ‘eigen, oorspronkelijk karakter’ moet bezitten, houdt in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk. Met ‘het persoonlijk stempel van de maker’ wordt bedoeld dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes zodat het aldus gaat om een voortbrengsel van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen. (Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153; r.o. 4.5.1)

De [naam 1]

3.4.

[eiseres] heeft aangevoerd dat de heer [A] , directeur van [eiseres] , de [naam 1] heeft ontworpen in december 2011 en dat de tafel in februari 2012 in productie is gegaan. Zij stelt dat de [naam 1] een auteursrechtelijk beschermd werk is, en dat de rechten toebehoren aan [eiseres] .

Als de kenmerkende trekken van de [naam 1] benoemt [eiseres] :

  • -

    i) het formaat en de verhoudingen van de [naam 1]

  • -

    ii) het dubbele zwart stalen frame, waarbij het onderste gedeelte een paar centimeter boven de grond is vastgezet

  • -

    iii) de frames lopen door onder de bladen en zijn bij zowel het onderblad als bovenblad zichtbaar en staan met elkaar in verbinding via de vier hoeken

  • -

    iv) een dubbel ruw afgewerkt gebrande kleur mango houten blad

  • -

    v) beide bladen liggen op het frame

De combinatie van die trekken maakt het eigen, oorspronkelijk karakter van de salontafel, met het persoonlijk stempel van de maker, zo stelt [eiseres] .

3.5.

[gedaagde sub 1] c.s. weerspreekt dat aan de [naam 1] auteursrechtelijke bescherming toekomt, om twee redenen. Ten eerste is de vormgeving dermate banaal dat die niet kan worden geacht een originele oorspronkelijke creatie te zijn met het persoonlijk stempel van de maker. Ten tweede bestond de vormgeving al voordat [eiseres] claimt dat de tafel is ontworpen, en is de [naam 1] daaraan dus ontleend, aldus [gedaagde sub 1] c.s.

Daarnaast vindt [gedaagde sub 1] c.s. dat niet vast staat dat eventuele rechten toebehoren aan [eiseres] .

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat bij het ontwerp van de [naam 1] creatieve keuzes zijn gemaakt en dat die keuzes samen hebben geleid tot een persoonlijk stempel van de maker op het ontwerp. De [naam 1] is oorspronkelijk, en niet ontleend aan eerder openbaargemaakt werk. De [naam 1] is daarom auteursrechtelijk beschermd. Voor dit oordeel zijn de volgende aspecten van belang.

3.7.

Het eerste argument van [gedaagde sub 1] c.s., dat de vormgeving van de [naam 1] als geheel dermate banaal is dat geen sprake kan zijn van een originele creatie met het persoonlijk stempel van de maker, kan de rechtbank niet rijmen met de feiten. Ook uit de eigen producties van [gedaagde sub 1] c.s. komt naar voren dat een salontafel op talloze manieren kan worden vormgegeven. [eiseres] heeft vervolgens aangegeven welke keuzes er zijn gemaakt bij het ontwerp van de [naam 1] (zie hiervoor in 3.4). Dat er geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen, is daarmee dus feitelijk onjuist.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft voorbeelden gegeven van tafels die beschikten over één of meer van die kenmerken, maar daarmee is nog niet weerlegd dat bij het ontwerp van de [naam 1] creatieve keuzes kunnen zijn gemaakt. Ook als elk van de vijf genoemde trekken op zichzelf geen bescherming toekomt, kan de combinatie van die trekken toch het resultaat zijn van creatieve keuzes en daarmee een auteursrechtelijk beschermd werk opleveren (Hoge Raad 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529). Aan het eerste argument van [gedaagde sub 1] c.s. gaat de rechtbank dan ook voorbij.

3.8.

Het tweede argument dat [gedaagde sub 1] c.s. aanvoert ter betwisting van auteursrecht op de [naam 1] is dat het ontwerp van de [naam 1] al bekend was in het vormgevingserfgoed. Daarmee is de [naam 1] dus geen oorspronkelijk werk, maar is het ontleend aan ‘prior art’. [gedaagde sub 1] c.s. voert in dat verband aan:

  • -

    een metalen frame met twee houten tafelbladen met een zogenaamde ‘industriële look’ bestond al lang;

  • -

    de afmetingen zijn geen onderdeel van het ontwerp want die zijn door de fabrikant aangepast naar standaardmaten;

  • -

    er waren al diverse tafels op de markt met een verglijkbare vormgeving en een zelfde totaalindruk. Voorbeelden: productie 1 en 7 bij conclusie van antwoord, productie 17, 18, 19 en 20 bij dupliek, productie 24 bij akte overlegging producties.

3.9.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] c.s. geen voorbeeld van een salontafel heeft overgelegd uit de relevante periode (dus: vóór februari 2012) waarin alle hiervoor in 3.4 opgesomde trekken zijn te zien. Dat betekent dat niet is gebleken van het bestaan van één salontafel waaraan het ontwerp van de [naam 1] is ontleend. Wel kan worden vastgesteld dat een aantal van de genoemde trekken bij verschillende salontafels kunnen worden waargenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor ‘een dubbel zwartstalen frame’ ‘verbonden via de vier hoeken’ (zie productie 20 en 24 van [gedaagde sub 1] c.s.), ‘onderste gedeelte een paar centimeter boven de grond' (zie productie 19 en 24) en ‘twee houten bladen’ (productie 7 en 19 [gedaagde sub 1] c.s.). Dat betekent dat [eiseres] geen auteursrecht heeft op deze afzonderlijke trekken. Overigens stelt [eiseres] dat ook niet; zij beroept zich op de combinatie van trekken.

3.10.

Een element dat voor een belangrijk deel het uiterlijk van de [naam 1] bepaalt (omdat de twee houten bladen van deze tafel door het eenvoudig gehouden frame nadrukkelijk in het oog springen, en omdat de [naam 1] ook voor het grootste gedeelte uit dit materiaal bestaat) is het gebrande mangohouten blad. Dit blad is niet gladgeschuurd maar hobbelig en heeft een kenmerkende kleur. Deze houtsoort met deze vorm van afwerking is niet terug te vinden in de voorbeelden van het vormgevingserfgoed die [gedaagde sub 1] c.s. heeft gepresenteerd.

De combinatie van ontwerpkeuzes ten aanzien van het frame die [eiseres] heeft gemaakt, tezamen met de twee houten bladen, die als gevolg van de gekozen houtsoort en specifieke afwerking een karakteristiek uiterlijk geven, maken dat de [naam 1] het resultaat is van creatieve keuzes met het persoonlijk stempel van de maker.

3.11.

Dat betekent dat de [naam 1] auteursrechtelijk beschermd is. De door [gedaagde sub 1] c.s. verhandelde tafel (aangeduid als: ‘iron wooden pipe coffee table’) is vrijwel gelijk aan de [naam 1] . Ter zitting op 11 oktober 2018 waren beide exemplaren aanwezig en kon worden vastgesteld dat het enige zichtbare verschil is de wijze waarop aan de onderzijde de houten bladen zijn bevestigd aan het frame (zie afbeelding 3a en 3b). Dit verschil is niet zichtbaar bij een normaal aanzicht op de tafels. (zie afbeelding 4 en 5). De hiervoor in 3.4 genoemde combinatie van kenmerken van de [naam 1] is ook geheel aanwezig in de door [gedaagde sub 1] c.s. verhandelde tafels.

Afbeelding 3a: Onderzijde [naam 1] Afbeelding 3b: Onderzijde tafel [gedaagde sub 1] c.s.

Afbeelding 4: links [naam 1] , rechts tafel van [gedaagde sub 1] c.s.

Afbeelding 5: linksboven [naam 1] , rechtsonder tafel van [gedaagde sub 1] c.s.

3.12.

De rechtbank neemt bovendien tot uitgangspunt dat [eiseres] de rechthebbende op dit auteursrecht is. [eiseres] onderbouwt dit behalve met de ontwerpschets (productie 3 bij dagvaarding) ook met een gedetailleerd relaas bij pleidooi over het totstandkomingsproces van het ontwerp (zie paragraaf 4.4 tot en met 4.7 van de pleitnota), welk relaas [gedaagde sub 1] c.s. geheel onweersproken heeft gelaten. Dat, in combinatie met de verklaring van [A] en de akte houdende overdracht auteursrechten (beiden productie 17 bij dagvaarding) maakt dat [gedaagde sub 1] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiseres] auteursrechthebbende is ten aanzien van de [naam 1] .

De [naam 2]

3.13.

[eiseres] stelt dat [A] de [naam 2] heeft ontworpen in december 2013, en dat de tafel in productie is gegaan in februari 2014. Zij stelt dat de [naam 2] een auteursrechtelijk beschermd werk is, en dat de rechten toebehoren aan [eiseres] .

Als de kenmerkende trekken van de [naam 2] benoemt [eiseres] :

  1. een onderstel gemaakt van betonijzer

  2. hairpin poten

  3. de bijzettafel is slank, in de vorm van een ijspegel; de salontafel is korter en breder

  4. een metalen rand

  5. een mango houten blad, waarbij het blad minimaal oversteekt over de metalen rand

  6. een grove afwerking van het blad om de impressie van oud hout te wekken.

De combinatie van die trekken maakt het eigen, oorspronkelijk karakter van de [naam 2] , met het persoonlijk stempel van de maker, zo stelt [eiseres] .

3.14.

[gedaagde sub 1] c.s. weerspreekt dat aan de [naam 2] auteursrechtelijke bescherming toekomt. Deze tafel bestond al in 2011/2012 en werd op de markt gebracht door het bedrijf [bedrijfsnaam 3] . Ook [.] had in 2013 al een gelijksoortige tafel met de naam ‘ [naam 2] [naam 3] ’.

Daarnaast vindt [gedaagde sub 1] c.s. dat niet vast staat dat eventuele rechten toebehoren aan [eiseres] .

3.15.

De rechtbank is van oordeel dat ook bij het ontwerp van de [naam 2] creatieve keuzes zijn gemaakt en dat die keuzes samen hebben geleid tot een persoonlijk stempel van de maker op het ontwerp. De [naam 2] is oorspronkelijk, en niet ontleend aan eerder openbaargemaakt werk. De [naam 2] is daarom auteursrechtelijk beschermd. Voor dit oordeel zijn de volgende aspecten van belang.

3.16.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] c.s. geen voorbeeld van een salon- of bijzettafel heeft overgelegd uit de relevante periode (dus: vóór februari 2014) waarin alle hiervoor in 3.13 opgesomde trekken zijn te zien. Dat betekent dat niet is gebleken van het bestaan van één tafel waaraan het ontwerp van de [naam 2] is ontleend. Wel kan worden vastgesteld dat – meer dan bij de [naam 1] het geval was – kenmerkende elementen van de [naam 2] al bekend waren in het vormgevingserfgoed op het moment van openbaarmaking.

3.17.

Ook bij de [naam 2] valt het materiaal en de afwerking van het houten blad als kenmerkend op. Bij de [naam 2] geeft dit element echter in mindere mate de doorslag dan bij de [naam 1] , omdat datgene wat als meest kenmerkend in het oog springt bij de [naam 2] is de metalen rand in combinatie met een iets overstekend houten blad, boven ranke poten. De vormgeving van de [naam 2] is, met andere woorden, dusdanig dat het houten blad niet het meest in het oog springende element is. De combinatie van een ronde salontafel met metalen rand en een houten blad was – zo erkent [eiseres] – al bekend in de markt (zie paragraaf 4.8 in de pleitnota). Niettemin onderscheidt de [naam 2] zich in voldoende mate van wat er op dat moment al bestond om in enige mate auteursrechtelijke bescherming te genieten, al is de beschermingsomvang gering. Doorslaggevend voor dit oordeel is (zoals gezegd) dat de [naam 2] een blad heeft van mangohout, dat hobbelig is gelaten en bewerkt om de indruk van oud houd te geven. Daarnaast wijkt de vormgeving van de hairpin-poten voldoende af van wat al in de markt bestond om een persoonlijk stempel van de maker op het ontwerp van de [naam 2] te drukken.

3.18.

Dat betekent dat de [naam 2] auteursrechtelijk beschermd is. Tussen de [naam 2] en de door [gedaagde sub 1] c.s. verhandelde tafel (aangeduid als: [naam 2] [naam 3] ) zijn door partijen geen verschillen benoemd of aangewezen. Ook zijn geen afbeeldingen in het geding gebracht van de door [gedaagde sub 1] c.s. verhandelde tafel. Tussen partijen is echter niet in geschil dat het om een identieke of vrijwel identieke tafel gaat, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de tafels van [gedaagde sub 1] c.s. de hiervoor in 3.13 genoemde combinatie van kenmerken van de [naam 2] bevatten.

3.19.

De rechtbank neemt bovendien tot uitgangspunt dat [eiseres] de rechthebbende op dit auteursrecht is. [eiseres] onderbouwt dit behalve met de ontwerpschets (productie 4 bij dagvaarding) ook met een toelichting op hoe [A] te werk is gegaan bij het ontwerp van met name de poten van de [naam 2] (paragraaf 4.8 en 4.9 pleitnota). [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit niet (gemotiveerd) weerlegd. Dat, in combinatie met de verklaring van [A] en de akte houdende overdracht auteursrechten (beiden productie 17 bij dagvaarding) maakt dat [gedaagde sub 1] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiseres] auteursrechthebbende is ten aanzien van de [naam 2] .

Het belang van [eiseres] bij de separate vorderingen

3.20.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft het belang van [eiseres] bij de ingestelde vorderingen ter discussie gesteld. Nadat [eiseres] heeft toegelicht waarom zij belang heeft bij zowel de vordering vanwege schending van de onthoudingsverklaring als de vordering op basis van schending van auteursrechten en slaafse nabootsing, is [gedaagde sub 1] c.s. hierop niet meer teruggekomen. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] belang heeft bij zowel haar vordering op basis van schending van het auteursrecht als op basis van schending van de onthoudingsverklaring. Gebleken is namelijk dat de afgegeven onthoudingsverklaring onvoldoende was om inbreuk op haar rechten te voorkomen (zie hierna sub 3.29). Artikel 6:92 BW staat aan de vorderingen op zichzelf niet in de weg want [eiseres] vordert voor de toekomst geen nakoming van de onthoudingsverklaring, maar in plaats daarvan roept zij haar rechten uit hoofde van het auteursrecht in. De situatie dat tegelijk zowel nakoming van het boetebeding als van de verbintenis waaraan het boetebeding is verbonden wordt gevorderd doet zich dus niet voor (lid 1 van artikel 6:92 BW). Wel staat lid 2 van dit artikel er in beginsel aan in de weg dat naast een boete ook een schadevergoeding wordt toegewezen. [eiseres] maakt met een beroep op artikel 6:94 lid 2 BW toch aanspraak op schadevergoeding naast een boete, omdat de billijkheid dit volgens haar klaarblijkelijk eist. Een concrete onderbouwing van dat standpunt laat [eiseres] achterwege. Zij volstaat met te stellen dat de onthoudingsverklaring evident opzettelijk is geschonden en zij stelt dat haar schade niet wordt gedekt door de als gevolg van die schending verschuldigd geworden boete. [eiseres] laat echter na dit voldoende concreet te maken. De rechtbank geeft daarom geen toepassing aan artikel 6:94 lid 2 BW en dat betekent dat de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat (zie 2.1 sub 7) zal worden afgewezen.

3.21.

Wat [eiseres] niet heeft toegelicht, en het is ook niet anderszins gebleken, is welk belang is gediend met toewijzing van een afzonderlijke vordering wegens slaafse nabootsing, naast toewijzing van de vordering op basis van het auteursrecht. [eiseres] lijkt dit bij pleidooi overigens te onderkennen waar zij zegt: “Slechts indien uw rechtbank zou oordelen dat [eiseres] geen auteursrechten zou toekomen m.b.t. de [naam 1] of de [naam 2] , geldt dat sprake is van slaafse nabootsing.’ (nr. 4.19 pleitnota). De rechtbank houdt het er daarom voor dat dit belang ontbreekt, zodat een beoordeling van de gestelde slaafse nabootsing achterwege kan blijven. Dit brengt mee dat het in conventie gevorderde sub 2 (zie 2.1) niet zal worden toegewezen.

De onthoudingsverklaring

3.22.

[gedaagde sub 1] , handelend onder de naam [gedaagde sub 2] , verkocht tafels die (nagenoeg) identiek zijn aan de [naam 1] en de [naam 2] aan wederverkopers in de meubelbranche. Naar aanleiding van namens [eiseres] gestuurde sommaties in verband daarmee, heeft [gedaagde sub 1] op 23 november 2016 een onthoudingsverklaring (hierna: de Onthoudingsverklaring) ondertekend met de volgende tekst:

ONTHOUDINGSVERKLARING

De ondergetekende:

de heer [gedaagde sub 1] , tevens h.o.d.n. [gedaagde sub 2] , gevestigd te [… ], verder kortweg: [gedaagde sub 1] ;

neemt in aanmerking dat:

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., handelende onder de naam [handelsnaam van eiseres] , gevestigd te […], verder kortweg: [eiseres], de zogeheten salontafel [naam 1] en de salon- en bijzettafel [naam 2] , zoals afgebeeld in de sommatiebrief d.d.6 oktober 2016 van de advocaat van [eiseres] , verhandelt (hierna aangeduid als: “de Producten”);

  2. [eiseres] stelt auteursrechthebbende te zijn op de Producten en [gedaagde sub 1] bij voornoemde brief gesommeerd heeft – kort gezegd – de handel in tafels die identiek zijn aan de Producten te staken en gestaakt te houden;

  3. [gedaagde sub 1] , gelet op deze sommatie en het dientengevolge gerezen geschil tussen partijen bereid is de navolgende verklaring af te geven teneinde het geschil te beëindigen.

en verklaart:

i. dat [gedaagde sub 1] per 1 januari 2017 de productie van en handel in tafels die identiek zijn aan de Producten, althans eenzelfde totaalindruk hebben, zal staken en gestaakt zal houden, zulks op straffe van een direct door [eiseres] opeisbare boete van EUR 500,-- per tafel in het geval dat in strijd met deze onthoudingsverklaring wordt gehandeld, met een maximum van in totaal EUR 50.000,--

Aldus ondertekend […]

3.23.

In reconventie is de rechtsgeldigheid van de Onthoudingsverklaring aan de orde gesteld. [gedaagde sub 1] heeft in dat kader een beroep gedaan op herroeping of buitengerechtelijke ontbinding wegens onrechtmatig handelen of wanprestatie door [eiseres] . Feitelijk heeft [gedaagde sub 1] aan die vordering ten grondslag gelegd dat [eiseres] zich heeft beroepen op een niet bestaand auteursrecht. Hiervoor onder 3.11 en 3.18 is geoordeeld dat [eiseres] wel degelijk rechthebbende is op het auteursrecht op de [naam 2] en de [naam 1] . Dat betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat [eiseres] [gedaagde sub 1] ten onrechte heeft aangezet tot het ondertekenen van de Onthoudingsverklaring. Een feitelijke of juridische grondslag voor de gevorderde vernietiging of ontbinding van de Onthoudingsverklaring ontbreekt daarmee. De rechtbank gaat daarom uit van de rechtsgeldigheid van de Onthoudingsverklaring en komt daarmee toe aan de vraag of [gedaagde sub 1] zijn verplichtingen uit hoofde van die verklaring heeft geschonden.

3.24.

[eiseres] heeft de volgende omstandigheden aangemerkt als blijk van schending van de Onthoudingsverklaring door [gedaagde sub 1] :

  1. In maart 2017 heeft [eiseres] bemerkt dat de [naam 1] en de [naam 2] worden aangeboden door [bedrijfsnaam 1] B.V. ( […] ). Blijkens een factuur heeft […] 684 exemplaren van [gedaagde sub 2] B.V. gekocht. De factuur is gedateerd 9 december 2016. Volgens […] zouden deze producten gespreid worden betaald namelijk op 13 december 2016, 10 februari 2017 en 10 maart 2017. [eiseres] houdt het ervoor dat de betaaldata overeenkomen met leveringen aan […] , zodat dit betekent dat in ieder geval 2/3 deel van de 684 exemplaren na 1 januari 2017 door [gedaagde sub 1] c.s. is geleverd. Meer waarschijnlijk vindt [eiseres] dat pas is geleverd ná betaling, zodat alle exemplaren na 1 januari 2017 zijn geleverd. Voor de totale boete maakt dat niet uit.

  2. Via de douane heeft [eiseres] achterhaald dat er 30 stuks [naam 1] en 358 stuks [naam 2] zijn ingevoerd, op verschillende data in januari en februari 2017. Aannemelijk is dat de producten zijn verhandeld. Maar ook als ze naar Nederland zijn verscheept en nu hier op voorraad worden gehouden, kwalificeert dat als handel in de betreffende producten.

  3. [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) heeft blijkens een inkoopfactuur d.d. 30 maart 2017 en de bijbehorende vrachtbrief d.d. 31 maart 2017 120 tafels identiek aan de [naam 1] geleverd gekregen van [gedaagde sub 2] .

3.25.

[gedaagde sub 1] heeft betwist dat de 684 exemplaren van […] en/of de 358 stuks die de douane heeft geregistreerd zijn geproduceerd of verhandeld ná 1 januari 2017. In het geval sub 1. gaat het volgens hem om tafels die al zijn verkocht en geleverd in december 2016, blijkens daartoe overgelegde leveringsbewijzen (productie 13 bij antwoord).

Wat betreft de exemplaren sub 2.: De gegevens die via de douane zijn gebleken zijn inderdaad juist, maar het gaat om exemplaren die ruimschoots voor 1 januari 2017 door [naam leverancier] in India zijn geproduceerd voor [gedaagde sub 1] , en die sindsdien voor [gedaagde sub 1] in voorraad zijn gehouden. [gedaagde sub 1] heeft ze naar Nederland gehaald om te demonteren en de onderdelen opnieuw te gebruiken, zo stelt hij.

De exemplaren die [bedrijfsnaam 2] geleverd heeft gekregen zijn buiten [gedaagde sub 1] om gegaan, en wel via zijn zoon, zo stelt hij, die de tafels heeft geleverd vanuit het warenhuis van [gedaagde sub 2] , op naam en op kosten van [naam leverancier] .

3.26.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] in strijd met de Onthoudingsverklaring heeft gehandeld, en daarmee de maximale boete van € 50.000,- heeft verbeurd. Voor dat oordeel is het volgende van belang.

3.27.

Met de ondertekende Onthoudingsverklaring strookt niet dat [gedaagde sub 1] (al dan niet via [gedaagde sub 2] , waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is) in januari en februari 2017 (salon)tafels identiek aan de [naam 2] en de [naam 1] heeft ingevoerd in Nederland. Dat [gedaagde sub 1] de bedoeling had om die tafels naar Nederland te halen om de onderdelen voor iets anders te gaan gebruiken, vindt de rechtbank volstrekt onaannemelijk nu hij heeft nagelaten dit verder toe te lichten, van voorbeelden en van bewijs te voorzien. Het had ten minste op zijn weg gelegen om dan uit te leggen én te laten zien waar die materialen in terecht zijn gekomen en door wie dat werk is verricht (de meubelproductie vond in India plaats, dus het lijkt onlogisch om ze vervolgens in Nederland zelf uit elkaar te halen en ergens anders in te verwerken en/of om dat door een andere partij te laten doen). Als het er nog niet van was gekomen de materialen te hergebruiken, dan zou [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] al die tafels nog in opslag moeten hebben, hetgeen eenvoudig aangetoond had kunnen worden, maar ook dat is niet gebeurd. Kortom, de rechtbank gaat ervan uit dat de tafels zijn ingevoerd om te verkopen, en dat levert een schending op van de Onthoudingsverklaring.

3.28.

Daar komt bij dat ook de omstandigheid sub 3 (op zichzelf al) leidt tot verbeurte van de maximale boete. Voor zover al juist zou zijn dat [bedrijfsnaam 2] de tafels heeft gekocht direct van [naam leverancier] in India, blijft overeind dat de exemplaren zijn uitgeleverd door [gedaagde sub 2] , wat naar het oordeel van de rechtbank handel in tafels in de zin van de Onthoudingsverklaring oplevert, nu dit handelen door [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] kan worden toegerekend. Ook als [gedaagde sub 1] zelf feitelijk niet op de hoogte was van deze uitlevering, valt het onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde sub 2] , en daarmee onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde sub 1] als haar (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder. Dat feitelijk zou zijn gehandeld door de zoon van [gedaagde sub 1] leidt er niet toe dat op grond van lid 3 van artikel 6:92 BW de schending niet aan [gedaagde sub 2] kan worden toegerekend. Dat [gedaagde sub 2] onbevoegd is vertegenwoordigd is immers niet gesteld of gebleken.

Daar komt nog bij dat in het verweer niet duidelijk wordt hoe [naam leverancier] uit eigen naam en voor eigen rekening tafels kon verkopen die toebehoorden aan [gedaagde sub 2] . Verondersteld dat dit rechtsgeldig zou zijn gebeurd, dan moet het er voor worden gehouden dat [gedaagde sub 2] de tafels voor dat doel aan [naam leverancier] heeft overgedragen, en ook dat levert een schending op van de Onthoudingsverklaring. Ook in dat verband kan [gedaagde sub 1] zich niet verschuilen achter de rechtspersoon [gedaagde sub 2] omdat hij daarvan (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder is. Een dergelijk handelen van [gedaagde sub 2] rekent de rechtbank in het kader van de Onthoudingsverklaring evenzeer toe aan [gedaagde sub 1] .

3.29.

De omstandigheden sub 2 en sub 3 (zie 3.24) leveren ieder voor zich, maar zeker samen, schending door [gedaagde sub 1] op van de Onthoudingsverklaring. Daarbij is, gezien de aantallen waarover het gaat, de maximale boete van € 50.000,- verbeurd. Of en in hoeverre de omstandigheden sub 1 ook leiden tot een (separate) schending van de Onthoudingsverklaring kan in het midden blijven.

Voor matiging van de boete ziet de rechtbank geen aanleiding, gezien de omvang van de schendingen en de wijze waarop is geprobeerd die schendingen aan het zicht van [eiseres] te onttrekken.

slotsom in conventie

3.30.

De hiervoor toegelichte beoordeling heeft de volgende gevolgen voor de vorderingen in conventie.

3.31.

Van de vorderingen zoals samengevat weergegeven in 2.1 worden de vordering sub 2. en sub 7. afgewezen. Omdat de sub 7. gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen (in verband met verbeurte van de overeengekomen boete (zie 3.20), bestaat ook geen belang bij toewijzing van de vordering sub 3. De onderdelen a tot en met h zijn namelijk allemaal (uitsluitend) gericht op het inzichtelijk maken van de schade als gevolg van de inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] .

3.32.

De vorderingen sub 1., 4., en 6. zullen worden toegewezen. De rechtbank zal de sub 5. gevorderde dwangsom beperken door daaraan een maximum te stellen van
€ 500.000,-. De gevorderde wettelijke rente over de verbeurde boetes (vordering 6.) vanaf 7 april 2017 tot de voldoening zal als niet weersproken worden toegewezen.

Proceskosten

3.33.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (vordering sub 8.).

3.34.

[eiseres] vordert op grond van artikel 1019h Rv veroordeling in de volledige proceskosten van € 37.981,- exclusief btw (€ 45.957,- inclusief btw). [eiseres] heeft een voldoende gespecificeerd overzicht van de proceskosten overgelegd, met dien verstande dat niet is uitgesplitst welke kosten moeten worden toegerekend aan de conventie respectievelijk de reconventie. [gedaagde sub 1] c.s. heeft de verschuldigdheid en de redelijkheid van de opgevoerde kosten niet betwist.

3.35.

Deze procedure ziet (overwegend) op de handhaving en bescherming van intellectuele eigendomsrechten (auteursrecht) en dus is artikel 1019h Rv van toepassing. Op grond van dat artikel wordt de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten gaat de rechtbank uit van de door de rechtbank gehanteerde Indicatietarieven in IE-zaken. In dit geval neemt de rechtbank als uitgangpunt het (maximum) tarief behorend bij een normale bodemzaak tot en met pleidooi, namelijk
€ 20.000,-, omdat het om een inbreukzaak gaat ten aanzien van twee (apart te beoordelen) objecten en er uitgebreid inhoudelijk verweer is gevoerd.

3.36.

Hoewel het uitgangspunt is dat de procedure in conventie en de procedure in reconventie afzonderlijke procedures zijn, doet zich in deze zaak de situatie voor dat beide procedures volledig met elkaar samenhangen. Zoals in de inleiding al weergegeven (zie 3.1) vloeit het oordeel in reconventie logischerwijs voort uit het oordeel in conventie. Het toepasselijke indicatietarief geldt daarom voor de conventie en reconventie tezamen.

3.37.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 91,57

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat € 20.000,00

Totaal € 22.015,57

slotsom in reconventie

3.38.

Het oordeel van de rechtbank heeft tot gevolg dat de vorderingen in reconventie allemaal worden afgewezen.

3.39.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gezien het oordeel in 3.36 worden deze kosten begroot op nihil.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

verbiedt [gedaagde sub 1] c.s. ieder voor zich om inbreuk te maken op de auteursrechten van [eiseres] , meer in het bijzonder het produceren, aanbieden, importeren, verkopen, leveren, in voorraad houden of anderszins verhandelen van meubelen waarvan de vormgeving een verveelvoudiging vormt van de producten [naam 1] en/of [naam 2] ,

4.2.

beveelt gedaagden, ieder voor zich om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis in het bijzijn van een deurwaarder hun gehele voorraad inbreukmakende producten te vernietigen en de advocaat van [eiseres] te voorzien van een kopie van het door de deurwaarder opgestelde vernietigingsrapport, waarbij de kosten voor de venietiging hoofdelijk voor rekening van gedaagden komen,

4.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 10.000,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 4.1 en 4.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,

4.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 50.000,- aan verbeurde boetes vanwege schending van de onthoudingsverklaring, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2017 tot aan de dag van algehele voldoening,

4.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 22.015,57,

4.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.8.

wijst de vorderingen af,

4.9.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.1

1 type: FB/4723 coll: RS/4234