Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2286

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
C/16/479369 / KL ZA 19-105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Publicatie interview met ex-vriendin winnaar Popstars in Linda is niet onrechtmatig.

Vorderingen tot rectificatie en betaling schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0762
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/479369 / KL ZA 19-105

Vonnis in kort geding van 22 mei 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaten mrs. R.P.E. Halfens en M.A. van Brandwijk te Nieuwegein,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOOD FOR MAGAZINES B.V.,

gevestigd te Naarden,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.K. van den Berg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en MFM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de niet betekende dagvaarding met producties (1-8),

  • -

    de op 6 mei 2019 ontvangen brief van MFM van 1 mei 2019 met producties (1-4),

  • -

    de fax van 6 mei 2019 van [eiser] met een productie (9),

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 mei 2019,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van MFM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in 2011 het televisieprogramma [televisieprogramma] gewonnen en geniet sindsdien landelijke bekendheid. [eiser] heeft met [A] van medio 2011 tot april 2014 een affectieve relatie gehad. Binnen deze relatie is op [2012] hun zoontje [zoon] geboren.

2.2.

Bij arrest van 9 april 2018 is [eiser] in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeelt tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk (ECLI:NL:GHAMS:2018:1145). [eiser] is veroordeeld voor kort gezegd brandstichting (van auto van de vader van [A] ) en mishandeling van [A] .

2.3.

MFM is uitgeefster van het magazine [magazine] .

2.4.

In de [magazine] van mei 2019 is op de pagina’s 158-163 een interview gepubliceerd met [A] (hierna: de publicatie). In dit interview vertelt [A] over haar relatie met [eiser] . Op de voorpagina van de [magazine] staat: ‘ De ex van [eiser] ‘Hij brak al mijn botten’ ’. De kop van het interview luidt: ‘ ‘Hij had me hartstikke dood kunnen slaan’ ’. En de subkop luidt: ‘ Zanger [eiser] werd in 2018 tot een jaar cel veroordeeld voor brandstichting en mishandeling. Zijn slachtoffer, (ex-)vriendin [A] (33), doet één keer haar verhaal.’.

2.5.

In de publicatie zijn onder meer de volgende uitspraken van [A] opgenomen:

  1. ‘Ik was acht maanden in verwachting toen hij me de trap af smeet.’

  2. ‘Hij beukte me finaal in elkaar en kneep mijn keel dicht. Net zo lang totdat ik out ging.’

  3. ‘Ik weet nog dat hij op een dag zo flipte om niks dat hij het loopkarretje van [zoon] pakte terwijl ik al op de grond lag. Hij bleef me maar op mijn hoofd slaan, net zolang tot er bloed uit mijn oren kwam. Op dat moment dacht ik: als hij nu niet stopt, ga ik dood. Ik hoorde een keiharde piep in mijn hoofd. Daarna raakte ik bewusteloos.’

  4. ‘Ik heb alle botten in mijn lijf gebroken: mijn jukbeenderen, mijn neus, mijn kaak. Mijn heup is uit de kom geweest, mijn ribben gebroken.’

  5. ‘Maandenlang heeft hij met een mes voor het huis van mijn vader en zijn gezin gestaan.’

  6. ‘Op een dinsdagnacht in augustus 2014 heeft hij de in de carport geparkeerde auto van mijn vader met brandspiritus in de fik gestoken omdat hij ons niet kon vinden.’

  7. ‘Hij begon daar te rommelen met mijn sleutels. Ik riep dat hij weg moest gaan en het volgende moment lag ik knockout op de grond. Kaak gebroken.’

  8. ‘We moesten geregeld onderduiken bij Van der Valkhotels of op een camping, omdat de politie belde: We hebben sterke aanwijzingen dat ze jullie willen doodschieten.’

  9. ‘Daarna ontmoette ik [B] en met hem heb ik drie jaar een relatie gehad. (…). [B] ging voor zaken naar China. (…) Op een maandagochtend kwam zijn vlucht aan. Toen ik die middag thuiskwam en de deur open wilde doen, had hij alle sloten veranderd. Ik heb hem sindsdien nooit meer gezien of gesproken. (…) Ik weet voor honderd procent zeker dat [eiser] erachter zit. Hij moet [B] onder druk hebben gezet.’

  10. ‘Nee, maar in zijn getuigenverhoor bij de politie heeft zijn broer [C] verklaard dat [eiser] een motorclub heeft gevraagd om voor geld mijn vriend en mijn vader om te leggen. Dat is gelukkig nooit gebeurd, maar er zijn meerdere manieren om iemand ‘op te ruimen.’

2.6.

In de publicatie staat verder onder meer:

Vraag [magazine] : ‘ [eiser] hield tijdens de hele zaak inclusief het hoger beroep vol onschuldig te zijn aan de brandstichting en mishandeling.’

Antwoord [A] : ‘Hoe hard hij ook schreeuwt, het is niet langer zijn woord tegen het mijne. Zijn schuld is nu strafrechtelijk en onherroepelijk bewezen. Het is gebeurd, hij heeft het gedaan.’

2.7.

In de media is aandacht besteed aan de publicatie. Onder meer de websites www.rtlnieuws.nl, www.telegraaf.nl, www.nu.nl, en www.ad.nl hebben bericht over de door [A] in de publicatie gedane uitlatingen over [eiser] .

2.8.

Naar aanleiding van de publicatie en de onder 2.7 bedoelde berichtgeving in de media heeft [eiser] via zijn advocaat publiekelijk gereageerd. Diverse media hebben aandacht besteed aan deze reactie. Ook is de onder 2.7 bedoelde berichtgeving daarop veelal aangepast.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. MFM wordt veroordeeld om, binnen 24 uur na de uitspraak, gedurende minimaal 10 dagen, onderstaande rectificatie te plaatsen bovenaan op haar website www. [magazine] .nl, in een duidelijk leesbaar lettertype (Verdana, Times New Roman of Arial) met minimaal lettergrootte 12, in zwarte letters en tegen een witte achtergrond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat voornoemde verplichting niet of niet volledig wordt nagekomen:

“RECTIFICATIE

Door ons interview met [A] , dat in de mei editie van [magazine] is gepubliceerd, kan ten onrechte de indruk zijn ontstaan, dat [eiser] schuldig is aan alle beschuldigingen die [C] in dat interview heeft geuit. Dat is echter niet correct.

In de in het interview aangehaalde rechtszaak uit 2018 is [eiser] enkel veroordeeld voor het in de brand steken van de auto van de vader van [C] in augustus 2014 en eenvoudige mishandeling van [C] met een gekneusde kaak als gevolg in december 2014. [eiser] is niet vervolgd of veroordeeld voor de andere door [C] geuite ernstige beschuldigingen, zoals haar tijdens haar zwangerschap ‘van de trap smijten’ of haar ‘finaal in elkaar beuken’.

Verder willen we aanvullen dat de beschuldigingen in het interview enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van [A] zelf. Wij hebben hier geen enkel nader onderzoek naar gedaan en ook geen wederhoor toegepast bij [eiser] , die de beschuldigingen altijd heeft ontkend.

Redactie [magazine] ”

II. MFM wordt veroordeeld om binnen 24 uur na de uitspraak, bovenstaande rectificatie te plaatsen bovenaan ieder online artikel over het interview met [A] op www. [magazine] .nl, voor de duur dat deze artikelen op www. [magazine] .nl staan, in een duidelijk leesbaar lettertype (Verdana, Times New Roman of Arial) met minimaal lettergrootte 12, in zwarte letters en tegen een witte achtergrond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat voornoemde verplichting niet of niet volledig wordt nagekomen.

III. MFM wordt veroordeeld om in de eerst mogelijke papieren editie van [magazine] , bovenstaande rectificatie te plaatsen op een duidelijk zichtbare plaats in een duidelijk leesbaar lettertype (Verdana, Times New Roman of Arial) met minimaal lettergrootte 12, in zwarte letters en tegen een witte achtergrond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per editie dat voornoemde verplichting niet of niet volledig wordt nagekomen;

IV. MFM wordt veroordeeld om binnen 24 uur na de uitspraak, voornoemde rectificatie als persbericht te doen toekomen aan de redacties van AD.nl, Telegraaf.nl, Nu.nl en RTL Boulevard, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat voornoemde verplichting niet of niet tijdig is nagekomen;

V. MFM wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen, een bedrag ad € 12.500,- als voorschot op de door hem geleden en/of nog te lijden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van MFM;

VI. MFM te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] dat de publicatie onrechtmatig is, nu er (i) geen wederhoor heeft plaatsgevonden, (ii) de onjuiste suggestie wordt gewekt dat hij voor alle in de publicatie voorkomende beschuldigingen ook is veroordeeld, (iii) MFM geen eigen onderzoek gedaan heeft naar de geuite beschuldigingen, (iv) dat uit de publicatie onvoldoende blijkt dat de beschuldigen alleen gebaseerd zijn op de uitlatingen van [A] en (v) [eiser] niet vooraf van de publicatie op de hoogte is gesteld.

3.3.

MFM voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de aard van de vorderingen heeft [eiser] een voldoende spoedeisend belang om in zijn vorderingen in kort geding te worden ontvangen.

4.2.

In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Ten eerste het aan de zijde van [eiser] aanwezige recht op eerbiediging van de eer en goede naam en aan de zijde van MFM het recht op vrijheid van meningsuiting.

4.3.

Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 [naam] / [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A). Welk van de beide genoemde wederzijdse belangen in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.4.

[A] heeft in de [magazine] van mei 2019 een interview gegeven over haar voormalige relatie met [eiser] . Volgens [A] heeft [eiser] haar tijdens deze relatie diverse keren (ernstig) mishandeld. Volgens haar ging het mis vanaf het moment dat zij zwanger was van hun gezamenlijke kind.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het de lezer van de [magazine] voldoende duidelijk wordt gemaakt dat de publicatie geen verslag is van enig door de [magazine] verricht speurwerk in het kader van onderzoeksjournalistiek. In de subkop van het artikel wordt gemeld dat [A] ‘haar verhaal’ doet. Dit verhaal van [A] wordt voorts opgetekend in de vorm van een interview. De vragen zijn er in zijn algemeenheid op gericht dat [A] haar verhaal kan doen en zijn niet leidend of suggestief van aard. Verder geldt dat de publicatie kan worden beschouwd als een (eenmalige) reactie op het eigen verhaal van [eiser] . Uit de diverse door MFM als productie 2 overgelegde berichten, blijkt dat [eiser] in de media herhaaldelijk zijn standpunt bekend gemaakt heeft over de in zijn ogen (nog steeds) onjuiste strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg (rechtbank) en in hoger beroep (hof).

4.6.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheid is er geen aanleiding om te oordelen dat [eiser] om een weerwoord gevraagd had moeten worden. Een recht op wederhoor is immers niet absoluut. [eiser] heeft ter zitting verder niet meegedeeld wat dan zijn weerwoord zou zijn geweest, anders dan een ontkenning van het verhaal van [A] . Ook in de na de publicatie uitgegeven reactie namens [eiser] zijn geen omstandigheden gesteld waardoor de handelwijze van de [magazine] nu anders beoordeeld moet worden.

4.7.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] evenmin in zijn standpunt dat met de publicatie de onjuiste suggestie wordt gewekt dat hij voor alle in de publicatie voorkomende beschuldigingen is veroordeeld. Niet alleen heeft [eiser] dit standpunt zelf niet (in voldoende mate) onderbouwd, dit betoog mist ook feitelijke grondslag. In de publicatie wordt gemeld dat [eiser] is veroordeeld voor brandstichting en mishandeling, maar verder wordt van geen enkele andere beschuldiging van mishandeling gesteld of gesuggereerd dat [eiser] daar ook voor is veroordeeld, niet door de [magazine] en niet door [A] . In het artikel wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de daadwerkelijke veroordeling van [eiser] en de overige beschuldigingen door [A] .

4.8.

Ook het verwijt van [eiser] dat de [magazine] geen onderzoek heeft gedaan naar de door [A] geuite beschuldigingen is feitelijk onjuist. Door MFM is gemotiveerd gesteld (en onderbouwd met een productie) dat in het kader van de publicatie contact is geweest tussen de [magazine] en de toenmalige (straf)advocaten van [A] die haar bijstonden toen zij zich als benadeelde partij had gevoegd in de strafzaak tegen [eiser] . Volgens MFM hebben deze advocaten de conceptversie van de publicatie getoetst aan de informatie die aanwezig was in het strafdossier. Volgens MFM zijn de uitlatingen van [A] die geen steun vonden in het materiaal uit het strafdossier niet in de definitieve publicatie opgenomen. Gelet op het door MFM gemotiveerd gestelde door haar uitgevoerde onderzoek kan de vraag of MFM, gelet op de aard van de publicatie, daartoe eigenlijk wel verplicht was onbeantwoord blijven.

4.9.

Met betrekking tot het verwijt van [eiser] dat uit de publicatie onvoldoende blijkt dat de beschuldigingen alleen gebaseerd zijn op de uitlatingen van [A] geldt het volgende.

  • -

    Het verhaal van [A] is opgetekend in de vorm van een interview. Er wordt visueel duidelijk onderscheid gemaakt tussen de vraag en het antwoord. Zoals hiervoor onder 4.5 al is overwogen, zijn de vragen er op gericht dat [A] daadwerkelijk haar verhaal kan doen en zijn de vragen niet leidend of suggestief van aard. [eiser] heeft ook niet aangegeven welke vragen wel leidend of suggestief van aard zouden zijn.

  • -

    De onder 2.5 genoemde uitlatingen, die in de dagvaarding door [eiser] zijn beschreven als ernstige beschuldigingen, zijn allemaal onmiskenbaar afkomstig van [A] . Het zijn dan ook haar uitlatingen en niet die van de [magazine] .

  • -

    In de subkop van de publicatie wordt gemeld dat het artikel het eigen verhaal van [A] is. De lezer zal deze opmerking ook als zodanig begrijpen.

  • -

    De wijze waarop het artikel op de voorpagina is aangekondigd alsook de gebruikte kop van het artikel (zie 2.4) betekent niet dat de in de publicatie genoemde beschuldigingen niet uitsluitend aan [A] toegeschreven kunnen worden. Mede door de gebruikte leestekens wordt voldoende duidelijk dat het de woorden van [A] zijn. Bovendien geldt voor de kop van het artikel en de aankondiging van het artikel op de voorpagina, dat deze scherp(er) aangezet mogen worden en een vergroving van de daadwerkelijke inhoud van de publicatie mogen bevatten. De [magazine] is daar niet te ver in gegaan.

4.10.

Verder geldt dat, anders dan [eiser] stelt, hij niet vooraf op de hoogte van deze publicatie had moeten worden gesteld. Daartoe bestaat in de eerste plaats geen algemene verplichting. Een dergelijke algemene verplichting zou ook een ‘chilling effect’ hebben op de uitoefening van de persvrijheid, wat als ongewenst moet worden beoordeeld. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat de [magazine] [eiser] in dit geval toch vooraf op de hoogte van de publicatie had moeten stellen. De enkele door [eiser] gestelde omstandigheid dat hem daarmee de mogelijkheid was ontnomen om vooraf in actie te komen, maakt dit niet anders. Gebleken is overigens dat [eiser] goed in staat is geweest om nà de publicatie in de media (opnieuw) aandacht te vragen voor zijn kant van het verhaal.

4.11.

[eiser] kan worden gevolgd in zijn standpunt dat zijn veroordeling van mishandeling ziet op de door hem bij [A] veroorzaakte gekneusde kaak. Dit is inderdaad niet hetzelfde als een gebroken kaak waar [A] (en niet de [magazine] zelf) het in de publicatie over heeft. Maar ook dit betekent niet dat de publicatie daarmee onrechtmatig is. De door [A] gebruikte woorden “gebroken kaak” zijn overdreven, maar ook hier geldt dat het voor de lezer volstrekt duidelijk is dat dit een uiting betrof van [A] en dat deze uiting gezien moet worden in het licht van het huiselijk geweld dat haar is overkomen.

4.12.

Gelet op het voorgaande (4.4 e.v.) valt de onder 4.2 en 4.3 bedoelde belangenafweging in het voordeel van MFM uit. Dit wordt niet anders indien [A] het interview (mede) heeft gegeven, zoals door [eiser] is gesteld, vanwege een tussen [eiser] en [A] spelend conflict over een omgangsregeling tussen [eiser] en zijn zoontje [zoon] . Niet gesteld of gebleken is dat MFM daar op de hoogte van was. [A] noemt in de publicatie overigens een andere reden voor het interview.

4.13.

De slotsom is dat de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van MFM worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.619,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van MFM tot op heden begroot op € 1.619,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman voorzieningenrechter, en bijgestaan door mr. T. Stokvis, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.1

1 type: TS (4428) coll: