Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2163

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
UTR 17/3417
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Waardevaststelling van een in 2012 gebouwde horecagelegenheid met terrassen. Kort voor zitting bepleit eiseres een hogere waarde terwijl voorheen steeds een lagere waarde is bepleit. Door standpunt kort voor zitting 180 graden te wijzigen heeft eiseres verweerder de kans ontnomen om adequaat te reageren op het nieuwe standpunt. Strijd met goede procesorde. Wel schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-05-2019
FutD 2019-1503
NLF 2019/1455 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3417

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2019 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder

(gemachtigde: I.K. Peek).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2017 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van het object [adres] in [plaatsnaam] voor het belastingjaar 2017 naar de waardepeildatum 1 januari 2016 vastgesteld op € 1.104.000,-.

Verweerder heeft eiseres bij deze beschikking als eigenaar van het object ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsgrondslag is gehanteerd.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 juli 2017 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen, geregistreerd onder nummer UTR 17/3410 en UTR 17/3413. In laatstgenoemde zaken is eveneens op 9 mei 2019 door de rechtbank uitspraak gedaan. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] , taxateur.

Overwegingen

1. Het object is een in 2012 gebouwde horecagelegenheid die een eenvoudige keuken biedt. Daarnaast beschikt de horecagelegenheid over twee terrassen en doet zij dienst voor feesten en partijen.

2. Eiseres heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en daarna meerdere, eveneens algemeen geformuleerde brieven ter aanvulling daarop ingediend. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft verweerder in reactie daarop een taxatierapport van de taxateur [A] overgelegd, waarin de waarde van het object op de waardepeildatum is vastgesteld op € 1.117.000,-, dus € 13.000,- hoger dan de vastgestelde waarde. Bij

brief van 28 februari 2019 heeft eiseres vervolgens aangevoerd dat de waarde zoals die in het taxatierapport van [A] is vastgesteld juist is en derhalve gevolgd dient te worden. Een geringe verhoging van de beschikte waarde met € 13.000,- acht eiseres dan ook geïndiceerd. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat alleen deze beroepsgrond nog aan de orde is en dat de in het beroepschrift aangevoerde gronden geen bespreking behoeven.

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar, en aanvankelijk ook in beroep, juist een lagere waarde heeft bepleit. De rechtbank leidt dit af uit de aanvankelijk door eiseres ingediende beroepsgronden van 17 augustus 2017, waarin onder meer wordt gewezen op de gebrekkige onderhoudstoestand en op het verpauperen cq verloederen van de naaste omgeving van de locatie. Evident is dan ook dat eiseres aanvankelijk van mening was dat de waarde te hoog was vastgesteld.

Vanuit dat perspectief rustte op verweerder de last aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde en in beroep verdedigde waarde niet te hoog is. Tegen de achtergrond van de aldus door eiseres ingenomen procespositie is op verzoek van verweerder het taxatierapport van 29 maart 2018 door [A] opgesteld.

4. De rechtbank overweegt dat de uit het taxatierapport volgende waarde relatief gezien slechts gering van de vastgestelde waarde afwijkt, wat gezien van de aard van de wijze waarop de waardevaststelling plaatsvindt voorstelbaar is. Taxeren is immers geen exacte wetenschap. Met het taxatierapport geeft verweerder invulling aan zijn bewijslast. Eiseres heeft eerst kort voor de zitting – ruim anderhalf jaar na het indienen van het beroep en bijna een jaar na de datum van het taxatierapport – haar standpunt 180 graden gewijzigd. Doordat zij nu een hogere waarde bepleit, verandert verweerders bewijslast en moet hij in het licht van de nieuwe stelling van eiseres aannemelijk maken dat de waarde niet te laag is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres door deze wijze van procederen verweerder de kans ontnomen om adequaat te reageren op het nieuwe standpunt dat op het laatste moment is ingenomen, bijvoorbeeld door zijn taxateur om een nieuwe taxatie te vragen. De rechtbank is van oordeel dat dit onder deze omstandigheden in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank zal het betoog van eiseres dan ook buiten beschouwing laten.

4.1

Nu eiseres ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard zich te kunnen vinden in het taxatierapport van [A] , kan de rechtbank niet anders dan concluderen dan dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economisch verkeer. Het betoog van eiseres slaagt dus niet, zodat het beroep ongegrond is.

Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

5. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

5.1

Gelet op het verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als derde-belanghebbende. Gelet op de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 (nr. 436935) heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

5.2

De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te wijken. Als de redelijke termijn is overschreden wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Ook hier kunnen bijzondere omstandigheden reden zijn om daarvan af te wijken, bijvoorbeeld als sprake is van een zeer gering financieel belang. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan verweerder respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van verweerder respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

5.3

Voor deze zaak stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 1 maart 2017, met de ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank had uiterlijk uitspraak moeten doen op 28 februari 2019. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met ruim 2 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500,-. De overschrijding is geheel aan de rechtbank toe te rekenen, zodat de vergoeding geheel ten laste van de Staat wordt uitgesproken.

Proceskostenveroordeling

6. Vanwege de toekenning van de schadevergoeding zal de rechtbank een veroordeling in de proceskosten van eiseres uitspreken, overeenkomstig het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad. In verband met de gelijktijdige behandeling van dit beroep met de zaken geregistreerd onder nummer UTR 17/3410 en UTR 17/3413, heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat zijn cliënte geen volledige proceskostenveroordeling in deze drie zaken voorstaat, maar akkoord gaat met een vergoeding die overeenkomt met de helft van de normaliter toe te kennen vergoeding in de drie zaken tezamen. De rechtbank zal de vergoeding van proceskosten in lijn hiermee vaststellen.

6.1

De totale hoogte van de toe te kennen proceskosten in de zaken UTR 17/3410, UTR 17/3413 en UTR 17/3417 zou aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn vastgesteld op € 2048,- (3 x 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,-). Omdat eiseres akkoord gaat met een vergoeding die overeenkomt met de helft van dit bedrag, stelt de rechtbank de hoogte van de toe te kennen proceskosten in genoemde drie zaken vast op totaal € 1.024,-. De vergoeding van de proceskosten in deze zaak wordt om die reden vastgesteld op € 341,34. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig toe te rekenen is aan de rechtbank, zal de Staat veroordeeld worden in de proceskosten. Daarnaast zal de Staat het griffierecht aan eiseres moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond,

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-,

- draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden.

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 341,34.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.