Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2158

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
16/659389-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor brandstichting aan de buitenzijde van een supermarkt en vernieling van een fiets en afvalcontainer door die in brand te steken. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659389-18

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 15 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. W.B. Janssens, advocaat te Oudewater.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

zich op 2 juni 2018 te Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting, waardoor er gemeen gevaar voor het winkelpand van de Albert Heijn te duchten was;

2.

primair : zich op 2 juni 2018 te Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting aan een fiets, waardoor er gemeen gevaar voor een winkelpand dan wel een afvalbak te duchten was;

subsidiair: zich op 2 juni 2018 te Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een fiets, door die fiets in brand te steken;

3.

zich op 2 juni 2018 te Veenendaal schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een afvalcontainer door een brandend papier in die afvalcontainer te gooien.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd verdachte van dat feit vrij te spreken.

Met betrekking tot het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak

Met de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.2

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 mei 2019;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 2 juni 2018, genummerd PL0900-2018155601-1, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende de aangifte van [aangever] , namens het bedrijf Albert Heijn, doorgenummerde pagina 62-63;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 mei 2019;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2018, genummerd PL0900-2018155601-12, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 32-33;

Ten aanzien van feit 3:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 mei 2019;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 juni 2018, genummerd PL0900-2018155601-14, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 56 tot en met 59.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1:

op 2 juni 2018 te Veenendaal, opzettelijk brand heeft gesticht aan een hoeveelheid

papier en karton (welk papier of karton opgeslagen was onder een overkapping behorende bij een vestiging van Albert Heijn gelegen aan de straat genaamd [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een aansteker in aanraking gebracht met dat papier of karton en de plastic band waarmee dat papier en karton was samengebonden, in elk geval opzettelijk vuur in aanraking gebracht met dat oud papier of karton en die plastic band, ten gevolge waarvan dat papier en karton of een of meer in de nabijheid van dat papier en karton staande plastic kratten zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het winkelpand van die Albert Heijn vestiging en de aldaar aanwezige buitenverlichting, te

duchten was;

2. subsidiair

op 2 juni 2018 te Veenendaal opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, toebehorende aan een ander, heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die fiets

in brand te steken;

3.

op 2 juni 2018 te Veenendaal opzettelijk en wederrechtelijk een afvalcontainer, toebehorende aan [getuige] , heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een brandend papier in die afvalcontainer te gooien.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

1. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2. subsidiair opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Door psycholoog N. van der Weegen is op 31 juli 2018 een Pro Justitia rapport opgemaakt betreffende verdachte. Geadviseerd wordt betrokkene de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt de voormelde conclusie over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot:

- een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht en het volgen van de aanwijzingen van de reclassering, met indien nodig een ambulante behandeling;

- een taakstraf van 200 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Bij de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht tot matiging van de door de officier van justitie geëiste taakstraf gelet op de verminderende toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting aan de buitenzijde van een vestiging van Albert Heijn, waardoor er grote materiële schade in en aan het winkelpand is ontstaan. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een fiets en een afvalcontainer door beide in brand te steken.

Dit zijn misdrijven die voor de benadeelden veel overlast en financiële schade veroorzaken. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen geen blijk gegeven van respect voor het eigendomsrecht van de benadeelden.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten dan ook zeer aan.

Strafblad De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 20 maart 2019. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het voordeel, noch in het nadeel van verdachte mee.

Persoon van de verdachte De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een Pro Justitia rapport van 31 juli 2018, opgemaakt door psycholoog N. van der Weegen. Hieruit volgt dat verdachte lijdt aan een matige ernstige verstandelijke ontwikkelingsstoornis en aan een lichte stoornis in het gebruik van alcohol.

Verder blijkt uit het rapport het volgende. Verdachte had voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten ruzie met zijn vriendin. Zij gaf aan dat zij wilde dat hij naar huis kwam, maar verdachte bleef met bekenden drinken. Verdachte voelde zich gespannen, omdat hij wist dat hij tegen zijn vriendin gelogen had en dit later tot ruzie zou leiden. Door zijn verstandelijke ontwikkelingsstoornis heeft verdachte onvoldoende emotie regulatievaardigheden en onvoldoende probleemoplossende vaardigheden. Verdachte wist niet hoe hij met zijn gevoelens van spanning en frustratie om moest gaan en ontweek deze gevoelens door meer te drinken en het moment van naar huis gaan uit te stellen. Toen verdachte dronken was en naar huis wilde, kon hij er niet in. Hij had geen sleutel bij zich en zijn vriendin nam de telefoon niet op. Verdachte voelde zich gefrustreerd en verveeld. Hij ging rondlopen en wist niet wat hij met zichzelf aan moest. Uit verveling stichtte hij de branden. De branden lijken hem geen gevoel van euforie of ontlading te hebben gegeven.

Daar de gebrekkige emotie regulatievaardigheden en de beperkte probleemoplossende vaardigheden, samenhangend met de matige ernstige verstandelijke ontwikkelingsstoornis en het alcoholgebruik, samenhangend met de stoornis in het gebruik van alcohol, die verdachte belemmerden in zijn keuzevrijheid, adviseert rapporteur verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over, op de in het rapport genoemde gronden en maakt die tot de hare. De hiervoor bewezen verklaarde feiten kunnen in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.

Door de rapporteur wordt het recidiverisico, ook op grond van gebruikmaking van een risicotaxatie, als laag ingeschat.

De rapporteur adviseert om verdachte een ambulante behandeling gericht op het vergroten van zijn emotie regulatievaardigheden en probleemoplossende vaardigheden op te leggen, rekening houdend met zijn matige ernstige verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Daarnaast wordt een behandeling gericht op het stoppen met drinken nodig geacht. Ook hierbij is het van belang dat rekening gehouden wordt met de verstandelijke ontwikkelingsstoornis van betrokkene. Voor het vergroten van de emotie regulatievaardigheden en de probleemoplossende vaardigheden kan betrokkene het beste terecht bij een forensisch polikliniek voor psychiatrie, met expertise op het gebied van verstandelijke beperkingen. Voor het stoppen met het alcoholgebruik, moet betrokkene worden aangemeld bij een verslavingszorginstelling.

Overwogen kan worden betrokkene een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij de ambulante behandelingen als bijzondere voorwaarden worden opgelegd. De reclassering dient vervolgens op het verloop van de behandelingen toe te zien.

In het rapport van Reclassering Nederland van 18 oktober 2018 zijn door de reclassering op te leggen bijzondere voorwaarden opgesteld en toegelicht. Door de reclassering wordt geadviseerd om, kort gezegd, de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht en een ambulante behandeling. De rechtbank stelt vast dat deze voorwaarden reeds in het kader van het schorsingstoezicht zijn opgelegd en al zijn ondergaan door verdachte.

De verdachte heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij erg geschrokken is van de door hem gepleegde delicten. Hij is dan ook direct na zijn schorsing aan de slag gegaan om zijn leven weer op de rit te krijgen. Hij heeft vrijwillig een klinische detox behandeling ondergaan voor zijn alcoholgebruik en het is hem tot op heden gelukt om van de drank af te blijven. Hij heeft nog wekelijks afspraken met Inforsa, Humanitas en zijn bewindvoerder, hetgeen hem veel steun en hulp biedt. Hij heeft sinds een aantal maanden een baan waardoor hij een goede dagbesteding heeft en hij woont samen met zijn vriendin en kind.

Conclusie

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank is echter met de officier van justitie van oordeel dat, om recidive te voorkomen, het belangrijkste is dat verdachte zijn leven inmiddels weer aardig op de rit lijkt te hebben en aan de bijzondere voorwaarden die aan verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd, invulling is gegeven. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste straf dan ook redelijk en zal aan verdachte een

taakstraf voor de duur van 200 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 100 dagen hechtenis opleggen, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 2 jaren onder bijzondere voorwaarden. Met deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze straf maakt de noodzakelijk geachte bijzondere voorwaarden, zoals de begeleiding door de reclassering mogelijk. De bijzondere voorwaarden worden hierna genoemd.

9 TOEPASSELIJK WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:

 zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland aan het Vivaldiplantsoen 200 in Utrecht zal melden, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;

 zich ambulant moet laten behandelen bij Jellinek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2019.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1:

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Veenendaal, althans in liet arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een hoeveelheid

(oud) papier en/of karton (welk papier en/of karton opgeslagen was onder een

overkapping behorende bij een vestiging van Albert Heijn gelegen aan de straat

genaamd [adres] ) , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van

een aansteker in aanraking gebracht met dat (oud) papier en/of karton en/of de

(plastic) band waarmee dat (oud) papier en/of karton was samengebonden, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met dat oud papier en/of

karton en/of die plastic band, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan dat (oud) papier en/of karton en/of een of meer in de

nabijheid van dat (oud) papier en/of karton staande staande plastic kratten

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor het winkelpand van die Albert Heijn

vestiging en/of een of meer naastgelegen winkelpanden en/of de aldaar

aanwezige buitenverlichting, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2. primair

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Veenendaal, althans in liet arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een fiets (welke

fiets was geparkeerd tegen de gevel van een winkelpand gelegen aan de

[adres] en in gebruik bij “Multivlaai”) , immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk open vuur van een aansteker in aanraking gebracht met brandbare

onderdelen van die fiets en/of de aan die fiets bevestigde fietstassen, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (onderdelen van) die

fiets, althans met (een) brandbare stof(fen) , ten gevolge waarvan voornoemde

fiets geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brandschade is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor het winkelpand gelegen aan de [adres] en

in gebruik bij “Multivlaai” en/of een in de [adres] geplaatste afvalbak,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2. subsidiair

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Veenendaal opzettelijk en wederrechtelijk

een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of

onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die fiets

in brand te steken;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 02 juni 2018 te Veenendaal opzettelijk en wederrechtelijk

een kliko/ afvalcontainer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [getuige] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt,

door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een brandend papier in die

kliko/afvalcontainer te gooien;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal.