Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2137

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
C/16/477710 / KG ZA 19-180
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffingskortgeding. Conservatoir beslag. Geen grond voor opheffing. Vordering niet evident ondeugdelijk. Schending van art. 21 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/477710 / KG ZA 19-180

Vonnis in kort geding van 30 april 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.E. Jonen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

[eiseres] heeft haar producties, waar [gedaagde] al voor de mondelinge behandeling over beschikte, op de mondelinge behandeling overgelegd.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Waar gaat het over?

2.1.

[gedaagde] is op [trouwdatum] 1990 gehuwd met de heer [A] (hierna: [A] ). Bij beschikking van [echtscheidingsdatum] 2015 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Een tussen [gedaagde] en [A] gesloten echtscheidingsconvenant maakt van de beschikking deel uit. In het echtscheidingsconvenant zijn [gedaagde] en [A] overeengekomen dat [A] aan [gedaagde] maandelijks € 3.500,00 aan partneralimentatie zal betalen. [A] betaalt deze partneralimentatie niet. [gedaagde] heeft daarom meerdere malen derdenbeslag gelegd ten laste van [A] . Volgens [gedaagde] frustreert [A] de verhaalsmogelijkheden van [gedaagde] en doet hij dat onder meer door middel van het afschermen van zijn belang in [eiseres] . Dit levert volgens [gedaagde] een onrechtmatige daad op van zowel [A] als [eiseres] . Daarom heeft [gedaagde] ten laste van [eiseres] onder ING Bank N.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V. beslag gelegd en is zij tegen [eiseres] een bodemprocedure gestart.

2.2.

In deze procedure vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot opheffing van de beslagen. [eiseres] heeft daarvoor drie gronden aangevoerd:

- de vordering van [gedaagde] blijkt summierlijk ondeugdelijk;

- de continuïteit van [eiseres] wordt door het beslag bedreigd en dat belang weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] ; en

- [gedaagde] heeft in haar beslagrekest de waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) geschonden.

2.3.

De voorzieningenrechter vindt dat geen van deze gronden slaagt en zal de vordering van [eiseres] daarom afwijzen. Hij zal hierna per afzonderlijke grond uitleggen waarom.

De vordering van [gedaagde] blijkt niet summierlijk ondeugdelijk

2.4.

De door [gedaagde] gelegde beslagen moeten onder meer worden opgeheven als haar vordering na een eenvoudige beoordeling (‘summierlijk’) ondeugdelijk blijkt (artikel 705 lid 2 Rv). Het ligt op de weg van [eiseres] om aannemelijk te maken dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is en daarom door de bodemrechter waarschijnlijk zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter moet de belangen van [eiseres] en [gedaagde] afwegen. Daarbij moet de voorzieningenrechter er rekening mee houden dat het door [gedaagde] gelegde conservatoir beslag is bedoeld om verhaalsmogelijkheden veilig te stellen, terwijl [gedaagde] bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

2.5.

[gedaagde] heeft haar vordering als volgt onderbouwd.

2.5.1.

Bij haar pogingen om verhaal te nemen op [A] heeft [gedaagde] op 22 september 2017 beslag gelegd onder de in 2016 door [A] opgerichte [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), waarvan [A] volgens de derdenverklaring een bruto maandsalaris van € 7.950,00 ontving. Volgens [gedaagde] , zo begrijpt de voorzieningenrechter, verdiende [A] echter meer dan dit salaris en genoot hij als feitelijk economisch belanghebbende ook de winst uit [bedrijfsnaam 2] . [A] was de bestuurder en enige werknemer van [bedrijfsnaam 2] en ook de enige die zich feitelijk met deze vennootschap bemoeide, aldus [gedaagde] . De formele aandeelhouder van [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ), werd weliswaar op papier gecontroleerd door de heer [B] (hierna: [B] ), maar dat strookte niet met de werkelijkheid, aldus [gedaagde] . [gedaagde] verwijst daarbij naar rechtsoverweging 5.9 de beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 25 juli 2017 in de nihilstellingsprocedure, waarin het hof overweegt: “De man heeft weliswaar een verklaring van de heer [B] overgelegd waarin is vermeld dat hij enig aandeelhouder is van [bedrijfsnaam 2] B.V., maar de vrouw heeft daartegen ingebracht en met stukken onderbouwd dat deze persoon een 'papieren katvanger' lijkt, die vele B.V.'s op zijn naam heeft staan.

2.5.2.

[A] was, zo stelt [gedaagde] , furieus over het beslag onder [bedrijfsnaam 2] en heeft zich daartegen verzet, onder meer door de afdracht van het beslagen salaris door [bedrijfsnaam 2] te frustreren. Toen [bedrijfsnaam 2] eind november 2017 door de deurwaarder werd gemaand tot afdracht, liet [A] weten dat hij zijn baan dreigde te verliezen. Enige tijd later, op 13 december 2017 stuurde hij [gedaagde] een ontslagbrief, ondertekend door [B] . [A] heeft zijn eigen ontslag bewerkstelligd om het verhaal te frustreren, aldus [gedaagde] . Kort na deze ontslagbrief – namelijk per 1 januari 2018 – is [A] al in dienst getreden bij [bedrijfsnaam 4] . Daarop heeft [gedaagde] ten laste van [A] onder [bedrijfsnaam 4] beslag gelegd op het salaris. [A] bleek bij [bedrijfsnaam 4] een veel lager salaris, namelijk van € 2.360,00 bruto per maand, te verdienen. Volgens [gedaagde] kan dat niet juist zijn en geniet [A] nog andere voordelen. [gedaagde] heeft erop gewezen dat [A] gebruikmaakt van een door [bedrijfsnaam 4] ter beschikking gestelde luxe auto, namelijk een Audi A6 Avant met een catalogusprijs van € 82.315,00, wat niet in verhouding staat tot een salaris van
€ 2.360,00 bruto per maand.

2.5.3.

Volgens [gedaagde] heeft [A] steeds de werkelijke controle gehad over [bedrijfsnaam 2] , ook na het ontslag eind 2017. In mei 2018 heeft [bedrijfsnaam 4] de aandelen in [bedrijfsnaam 2] van [bedrijfsnaam 3] gekocht en werd [bedrijfsnaam 4] bestuurder van [bedrijfsnaam 2] . Daarop volgde een naamwijziging van ‘ [bedrijfsnaam 2] B.V.’ in ‘ [eiseres] B.V.’ Volgens [gedaagde] is [A] door middel van [eiseres] doorgegaan met de activiteiten in de bouwkranenmarkt, die hij altijd al uitvoerde en is de betrekking van [A] bij [bedrijfsnaam 4] slechts schijn. [gedaagde] heeft dit onderbouwd met een afdruk van het LinkedIn-profiel van [A] , waarop onder het kopje “Manager Sales [bedrijfsnaam 4] BV – jan 2016 – present” is te lezen: “ [bedrijfsnaam 2] specialises in the hire and sale of tower cranes.”. Volgens [gedaagde] is ook de onderbrenging van [eiseres] bij [bedrijfsnaam 4] een schijnconstructie waarbij [A] het door hem genoten voordeel uit [eiseres] afschermt.

2.6.

[eiseres] heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk zou zijn. De voorzieningenrechter vindt deze argumenten onvoldoende onderbouwd en voor een deel ook niet geloofwaardig. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband als volgt.

2.6.1.

[eiseres] stelt om te beginnen dat zij feitelijk uitvoering geeft aan de opdrachten van haar aandeelhouder en bestuurder [bedrijfsnaam 4] en (dus) niet wordt gecontroleerd door [A] . [eiseres] heeft niet uitgelegd waaruit dat blijkt. Dat blijkt niet uit het enkele gegeven dat [bedrijfsnaam 4] in het handelsregister als bestuurder van [eiseres] wordt vermeld. Daar komt bij dat [gedaagde] ter zitting erop heeft gewezen dat in het uittreksel met betrekking tot [eiseres] niet een enig aandeelhouder wordt vermeld, wat het geval zou zijn als er slechts één aandeelhouder zou zijn. Daarop heeft [eiseres] ter zitting geantwoord dat [bedrijfsnaam 4] 87,5 % van de aandelen in [eiseres] houdt. Het restant, zo stelt [eiseres] , is in handen van een vehikel van de broer van [C] . Dat dat zo is, heeft [eiseres] echter niet onderbouwd, terwijl dat op haar weg lag (bijvoorbeeld door overlegging van een afschrift van het aandeelhoudersregister). De vraag wie aandeelhouder is van [eiseres] is immers van cruciaal belang voor de beoordeling van de vraag of [eiseres] door [A] als zijn vehikel wordt gebruikt en voor de vraag of [A] voordeel geniet uit [eiseres] , en daarmee voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] . Tegen deze achtergrond wordt in onder meer nrs. 6 en 22 van de dagvaarding in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv de suggestie gewekt dat [bedrijfsnaam 4] enig aandeelhouder is van [eiseres] . Mede gezien het gebrek aan onderbouwing door [eiseres] van haar stellingen over wie haar aandeelhouders zijn, verbindt de voorzieningenrechter aan deze schending van artikel 21 Rv de gevolgtrekking dat niet kan worden uitgesloten dat [A] een aandeelhoudersbelang (of een vergelijkbaar economisch belang) heeft in [eiseres] .

2.6.2.

Een ander argument van [eiseres] is dat het verschil tussen het salaris dat [A] voorheen bij [bedrijfsnaam 2] verdiende (€ 7.950,00) en het salaris dat [A] bij [bedrijfsnaam 4] verdient (€ 2.360,00) kan worden verklaard. Ten eerste zou [A] bij [bedrijfsnaam 4] een ander takenpakket hebben dan bij [bedrijfsnaam 2] . Bij [bedrijfsnaam 2] was [A] bestuurder en nu is hij geen bestuurder meer, aldus [eiseres] . Ten tweede was het bij het in dienst nemen van [A] nog niet duidelijk of het nieuwe verdienmodel zou renderen. Als zou blijken dat [A] en/of [eiseres] succesvol zou zijn, zouden de arbeidsvoorwaarden kunnen worden gewijzigd, aldus [eiseres] .

De voorzieningenrechter vindt deze verklaring niet overtuigend. Dat [A] genoegen zou nemen met een drastische vermindering van zijn salaris terwijl zijn commercieel talent – dat [eiseres] ook zelf benadrukt – niet ter discussie stond, is zonder onderbouwing niet aannemelijk. Die onderbouwing heeft [eiseres] niet gegeven. Dat [A] niet langer bestuurder is, kan het als laag aan te merken salaris van € 2.360,00 niet verklaren. Evenmin kan dit worden verklaard door het argument dat het succes van [A] en/of [eiseres] onzeker was. Het commerciële talent van [A] stond immers niet ter discussie en [eiseres] heeft zelf gesteld dat er al binnen een korte tijd “in commerciële zin grotere stappen werden gemaakt” met de uitbreiding naar onder meer bouwkranen (dagvaarding, nr. 20). Tegen deze achtergrond verlangt het uitleg waarom [A] genoegen zou nemen met een gering salaris zonder verder (eventueel voorwaardelijke of variabele) beloningselementen (zoals een economisch belang in [eiseres] ). Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat de verhouding tussen enerzijds het betalen van een maandsalaris van € 2.360,00 en anderzijds het ter beschikking stellen van een Audi A6 Avant om een uitleg vraagt. Die uitleg heeft [eiseres] niet gegeven. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat het gaat om een tweedehands auto, maar dat heeft zij niet aangetoond terwijl dat wel op haar weg lag. Bij het voorgaande neemt de voorzieningenrechter bovendien in aanmerking dat, zoals in hiervoor in 2.6.1 werd overwogen, niet kan worden uitgesloten dat [A] een aandeelhoudersbelang (of een vergelijkbaar economisch belang) heeft in [eiseres] .

2.6.3.

[eiseres] heeft verder aangevoerd dat [bedrijfsnaam 4] een commercieel belang had bij het in dienst nemen van [A] en bij de overname van [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [bedrijfsnaam 4] [A] in 2017 benaderd in verband met een beoogde overname van een concurrent. [A] zou, als hij interesse had, kunnen overstappen naar deze nieuwe onderneming, aldus [eiseres] . In december 2017 heeft de verkoper van de concurrent zich teruggetrokken uit de verkooponderhandelingen over de beoogde concurrent. Het aanbod om [A] in dienst te nemen liet [bedrijfsnaam 4] in stand. [bedrijfsnaam 4] heeft vervolgens een bedrijfsplan gemaakt dat onder meer inhield dat de activiteiten zouden worden uitgebreid naar andere markten. Dit plan is vervolgens met succes uitgevoerd, aldus [eiseres] . Klanten vroegen naar aanleiding van de verbreding van de activiteiten op enig moment ook om bouwkranen. Omdat deze activiteiten een hoge vlucht namen, heeft [bedrijfsnaam 4] besloten om een werkmaatschappij voor bouwliften en stijgers en een werkmaatschappij voor bouwkranen op te richten. [A] gaf toen aan, zo stelt [eiseres] , dat hij wist dat [bedrijfsnaam 3] feitelijk geen bedrijfsactiviteiten meer voerde binnen [bedrijfsnaam 2] en dat [bedrijfsnaam 3] mogelijk wel bereid was [bedrijfsnaam 2] te verkopen. [eiseres] heeft daaraan toegevoegd dat, voorafgaande aan de overname, [bedrijfsnaam 2] via [bedrijfsnaam 3] werd gedreven door [B] , die [A] had aangesteld als bedrijfsleider om te zorgen dat [A] in Nederland de belangen kon behartigen zonder telkens met Dubai te moeten schakelen en/of tegen vragen van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te lopen. In verband met de overname van [bedrijfsnaam 2] zou [bedrijfsnaam 4] contact hebben gehad met [bedrijfsnaam 3] en haar aandeelhouder [B] .

De voorzieningenrechter vindt deze uitleg niet zonder meer geloofwaardig. Om te beginnen maakt [eiseres] niet duidelijk waarom [bedrijfsnaam 4] [A] in dienst nam nadat duidelijk werd dat die overname niet doorging. Waarom [A] ook na de verwerving van [bedrijfsnaam 2] (nu [eiseres] ) in dienst is gebleven bij [bedrijfsnaam 4] , terwijl [eiseres] niet weerspreekt dat [A] feitelijk werkt voor [eiseres] , maakt [eiseres] evenmin duidelijk. Welke werkzaamheden [A] bij [bedrijfsnaam 4] verricht, blijft ook onduidelijk. De onderbouwing schiet bovendien tekort waar [eiseres] verwijst naar een bedrijfsplan, terwijl zij dat niet heeft overgelegd.

Dat [bedrijfsnaam 4] in verband met de overname van [bedrijfsnaam 2] contact heeft gehad met [B] , is niet onaannemelijk, nu niet ter discussie staat dat [B] via [bedrijfsnaam 3] formeel aandeelhouder was van [bedrijfsnaam 2] . [eiseres] heeft echter niet uitgelegd en ook niet met stukken onderbouwd waarom zij bij de koop van de aandelen ervan ging dat [B] , in plaats van [A] , daadwerkelijk (uiteindelijk) economisch belanghebbende was van [bedrijfsnaam 2] . De rol die [eiseres] toekent aan [B] is immers wezenlijk anders dan het beeld dat rijst uit de stellingen van [gedaagde] , namelijk dat [B] een ‘papieren katvanger’ is die formeel bestuurder en aandeelhouder is van een groot aantal ondernemingen. Tegen deze achtergrond had van [eiseres] mogen verwacht dat zij haar andersluidende stellingen zou onderbouwen.

Bedreiging van de continuïteit van [eiseres]

2.7.

De voorzieningenrechter verwerpt het standpunt van [eiseres] dat haar continuïteit in gevaar is. [eiseres] heeft dat standpunt namelijk niet voldoende onderbouwd. Zij legt niet aan de hand van (jaar)cijfers uit welke financiële implicaties de beslagen voor haar hebben. De stelling van [eiseres] dat zij door het beslag onder ING Bank N.V. niet meer over haar daar aangehouden bankrekening kan beschikken, maakt dat niet anders omdat daarmee niet voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat [eiseres] niet over andere mogelijkheden beschikt om haar activiteiten voort te zetten.

Schending van artikel 21 Rv (waarheidsplicht)

2.8.

Een schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv door de partij die verlof heeft verzocht voor het leggen van beslag kan een reden vormen voor opheffing van dat beslag. Wat [eiseres] in dit verband aanvoert, geeft echter geen aanleiding tot opheffing van de beslagen.

[eiseres] verwijt [gedaagde] in de eerste plaats dat zij in het beslagrekest niet heeft vermeld dat [bedrijfsnaam 3] wordt gedreven door [B] . Dit gaat niet op, want [gedaagde] heeft bij het beslagrekest als productie 2 de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2017 overgelegd, waarin de rol die [B] volgens [gedaagde] heeft vervuld wordt vermeld, en daarnaar verwezen.

Verder voert [eiseres] aan dat [gedaagde] in het beslagrekest ten onrechte heeft vermeld dat [A] macht uitoefent binnen [eiseres] en dat [eiseres] wordt gebruikt om een onrechtmatige daad te plegen jegens [gedaagde] . Dit argument stuit af op het voorgaande omdat niet is uitgesloten dat [A] macht uitoefent binnen [eiseres] en [eiseres] gebruikt om het verhaal van [gedaagde] te frustreren, wat een onrechtmatige daad kan opleveren.

Tot slot stelt [eiseres] dat [gedaagde] in het beslagrekest ten onrechte heeft vermeld dat [C] en [A] vrienden zijn. Ook dit gaat niet op. Om te beginnen is namens [gedaagde] ter zitting gesteld – en maakte zij in nr. 13 van het beslagrekest duidelijk – dat zij doelt op een ‘zakelijke vriendschap’ en niet op privé-vriendschap. Zij vermeldt daar immers dat [C] “een vriend van [A] uit de kranenwereld” is. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom dit onjuist is, maar lijkt vooral bezwaren te hebben tegen de door [gedaagde] gestelde ‘intensiteit’ van de vriendschap. Tegen die achtergrond kan niet worden gezegd dat [gedaagde] de aanduiding ‘vriend’ niet had mogen gebruiken.

Proceskosten

2.9.

[eiseres] wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten van [gedaagde] worden veroordeeld. Deze worden tot de datum van deze uitspraak begroot op:

- griffierecht € 297,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.277,00

2.10.

De nakosten worden toegewezen als vermeld in 3.3.

2.11.

De wettelijke rente over de proceskosten en nakosten wordt toegewezen als vermeld in 3.2 respectievelijk 3.3.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.277,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart de veroordelingen in 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman, bijgestaan door mr. R. Bloemink als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.Bij afwezigheid van mr. J.A. Schuman is dit vonnis ondertekend door mr. F.C. Burgers.