Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2136

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
C/16/479529 / KG ZA 19-262
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verwijdering negatieve BKR-registratie (afboeking) na kwijtschelding restschuld. Geen belang bij handhaving. Veroordeling tot verwijdering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/479529 / KG ZA 19-262

Proces-verbaal van de zitting, gehouden op 30 april 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. G.A.M. Sieben te Son en Breugel,

tegen

de coöperatie

COOPERATIEVE RABOBANK U.A.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. D.S. Volleberg te Leiden.

Partijen zullen hierna [eiser] en Rabobank genoemd worden.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, en mr. R. Bloemink, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen

  • -

    de heer [eiser]

  • -

    mevrouw [A]

  • -

    mr. Sieben voornoemd

  • -

    mr. Volleberg voornoemd

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesdossier bevat:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22

- de producties 1 tot en met 7 van Rabobank

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van Rabobank

1.2.

Op de zitting van 30 april 2019 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht. Na een schorsing van de zitting, heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit proces-verbaal betreft de vastlegging van die uitspraak.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiser] heeft in 2005 een hypothecaire geldlening afgesloten bij Rabobank. Deze lening is geregistreerd bij het BKR. In 2011 is bij [eiser] mutiple sclerose (MS) gediagnosticeerd. [eiser] werd, als gevolg van de MS, in de loop van de tijd volledig arbeidsongeschikt.

2.2.

Vanwege de inkomensdaling die het gevolg was van de arbeidsongeschiktheid, voorzag [eiser] dat hij in de toekomst niet aan zijn verplichtingen tegenover Rabobank zou kunnen voldoen. Daarom heeft hij Rabobank benaderd. In 2014 zijn, in samenspraak tussen partijen, de hypothecaire geldlening en de rente teruggebracht. Omdat zijn inkomen verder zakte, moest [eiser] zijn woning uiteindelijk verkopen, wat in 2018 is gelukt. Dit heeft geleid tot een restschuld van € 186.878,00, die [eiser] niet kon voldoen. Met Rabobank heeft [eiser] de afspraak gemaakt dat hij € 17.500,00 zou betalen en dat het restant wordt kwijtgescholden en afgeboekt. Dat is gebeurd. De afboeking leidde ertoe dat Rabobank een zogenaamde ‘code 3’ in de registratie bij het BKR heeft laten doorvoeren.

2.3.

[eiser] heeft recent onder het voorbehoud van financiering een woning gekocht en krijgt vanwege de BKR-registratie de financiering niet rond. Als de BKR-registratie wordt verwijderd, is A.S.R. Hypotheken bereid om [eiser] een hypothecaire geldlening te verstrekken. Daarom heeft [eiser] Rabobank verzocht om de registratie verwijderen. Rabobank weigert dat, omdat zij zegt verplicht te zijn tot het handhaven van de registratie en omdat zij meent dat het belang van de instandhouding van de registratie zwaarder weegt. [eiser] vraagt de voorzieningenrechter daarom om Rabobank te veroordelen de BKR-registratie te verwijderen, op straffe van een dwangsom.

2.4.

Rabobank voert verweer.

3 De mondelinge uitspraak

3.1.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat aannemelijk is geworden dat [eiser] met de BKR-registratie geen hypothecaire geldlening kan verkrijgen terwijl hij dat zonder de BKR-registratie wel kan, waarbij van belang is dat het financieringsvoorbehoud vandaag afloopt.

3.2.

In het midden kan blijven of de registratie als rechtsgeldig moeten worden beschouwd. [eiser] stelt dat hij een veel te hoge lening heeft gekregen op basis van zijn inkomen en dat Rabobank daarmee haar zorgplicht heeft geschonden. Rabobank heeft hier verschillende verweren tegen gevoerd. De reden dat de voorzieningenrechter niet in gaat op dit debat is dat de tweede grondslag van [eiser] slaagt.

3.3.

Die tweede grondslag is de belangenafweging ten aanzien van de handhaving van de registratie. Op grond van het wettelijk kader met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens moet de proportionaliteit en de subsidiariteit van de registratie worden beoordeeld. Het doel van de BKR-registratie en het daaruit voortvloeiende belang van Rabobank en andere kredietverstrekkers moet worden afgewogen tegen het belang van [eiser] . De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien daarvan als volgt.

3.4.

[eiser] heeft een groot belang bij het kunnen doorzetten van de koop van de woning. Hij kan dan samenwonen met zijn vriendin, voor substantieel lagere woonlasten. Bovendien heeft de vriendin een jong kind, zodat [eiser] ook om die reden behoefte heeft aan een meer geschikte woning.

3.5.

Hier staat het belang van de BKR-registratie tegenover. Deze registratie dient, samengevat, twee doelen.

Het eerste doel is het voorkomen van overkreditering, ter bescherming van kredietnemers. [eiser] heeft aannemelijk gemaakt dat dit niet aan de orde is. Volgens A.S.R. Hypotheken voldoet [eiser] aan de financiële eisen en is alleen de ‘code 3’ een belemmering voor het verstrekken van een lening.

Het tweede doel van de BKR-registratie is het beschermen van kredietverleners tegen niet-kredietwaardige kredietnemers. Weliswaar is er door Rabobank in het verleden een aanzienlijk bedrag aan restschuld afgeboekt, maar dat heeft niets te maken met het betalingsgedrag van [eiser] , want [eiser] heeft altijd op tijd betaald. De afboeking had een andere oorzaak. Nadat [eiser] werd getroffen door een ernstige ziekte, voorzag hij financiële problemen. Hij heeft toen op eigen initiatief met Rabobank naar een oplossing gezocht. Er is dus nooit sprake geweest van ‘dubieus’ betalingsgedrag. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in waartegen andere kredietverstrekkers in dit geval moeten worden beschermd. Er is sprake van een stabiele financiële situatie, hetgeen wordt onderstreept door de toezegging van ASR om de financiering te verstrekken zodra ‘code 3’-registratie is verwijderd.

3.6.

Het belang van [eiser] weegt dus zwaarder en de voorzieningenrechter zal Rabobank veroordelen om ervoor te zorgen dat de ‘code 3’-registratie (formeel: de ‘A3-codering’) binnen één week wordt verwijderd. Deze veroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.7.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Er wordt niet aan getwijfeld dat Rabobank zonder dwangsom aan de opgelegde verplichting zal voldoen.

3.8.

Omdat Rabobank ongelijk krijgt, wordt zij in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. Deze worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 297,00

- salaris gemachtigde € 980,00 (1 punten x tarief € 980,00)

Totaal € 1.376,01

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

veroordeelt Rabobank om ervoor zorg te dragen dat de ‘A3-codering’ bij de registratie van de kredietovereenkomst met leningnummer [leningnummer] in het CKI van het BKR binnen één week na de datum van dit proces-verbaal wordt verwijderd,

4.2.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.376,01,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Waarvan proces-verbaal,