Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2123

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
C/16/476972 / JL RK 19-150
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI voor een medische behandeling op grond van artikel 1:265 e, lid 1, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Onderscheid tussen de noodzakelijk geachte diagnostiek en de eventueel opvolgende behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2019/134 met annotatie van Bruning, M.R.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Lelystad

zaakgegevens : C/16/476972 / JL RK 19-150

datum uitspraak:

beschikking gedeeltelijk gezag voor medische behandeling

in de zaak van

Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[belanghebbende] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een geheim adres.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 8 maart 2019, ingekomen bij de griffie op 11 maart 2019.

Op 18 april 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.A.F. Jansen,

- een vertegenwoordigster van de GI, mevrouw [A] .

De feiten


Het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [voornaam van minderjarige] woont in een voorziening voor pleegzorg.

Bij beschikking van 16 oktober 2018 is de ondertoezichtstelling van [voornaam van minderjarige] verlengd tot 20 juli 2019. De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het verzoek


De GI heeft op grond van artikel 1:265e, lid 1, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de kinderrechter verzocht om een gedeeltelijke gezagsuitoefening door de GI voor een medische behandeling. [voornaam van minderjarige] woont sinds juni 2018 in een perspectiefbiedend pleeggezin. [voornaam van minderjarige] heeft haar moeder vanaf medio mei tot aan medio oktober 2018 niet gezien, omdat moeder was vertrokken naar Spanje. Op 17 oktober 2018 heeft een begeleid bezoek van dertig minuten met moeder plaatsgevonden in aanwezigheid van pleegvader en de medewerker van SAVE. [voornaam van minderjarige] heeft fors op de omgang gereageerd, zich uitende in een terugval in haar gedrag op alle ontwikkelingsgebieden. Dit gedrag komt mogelijk voort vanuit een trauma, ouder-kindproblemen of hechtingsproblematiek. Om die reden is er diagnostiek nodig en zal er hulpverlening ingezet moeten worden. De hulpverlening vanuit [naam instelling] zal worden ingezet en moeder heeft op 29 november 2018 de aanmeldingsformulieren ondertekend. Op 8 februari 2019 heeft er een intake plaatsgevonden bij [naam instelling] . Moeder heeft echter op 26 februari 2019 haar toestemming voor het onderzoek en de behandeling weer ingetrokken. De GI is van mening dat de inzet van de hulpverlening voor [voornaam van minderjarige] noodzakelijk is. De GI verzoekt daarom te bepalen dat de GI gedeeltelijk het gezag uitoefent voor het geven van toestemming voor de medische behandeling.

De standpunten

Door en namens moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. In het verzoekschrift van de GI wordt gesproken over de zorgen die er zijn over het gedrag dat [voornaam van minderjarige] vertoont na de omgang met moeder. Er is echter vaak te zien dat een kind, na lange tijd geen omgang met een ouder te hebben gehad, bepaalde reacties laat zien. De zorgen kunnen ook juist verminderen als de omgang regulier plaatsvindt. Het is logisch dat het voor [voornaam van minderjarige] spannend is om na een lange tijd weer omgang te hebben met haar moeder. De advocaat vraagt zich af of diagnostiek op dit moment noodzakelijk is, of dat eerst bekeken kan worden hoe [voornaam van minderjarige] reageert nadat zij moeder vaker heeft gezien. In het verzoek van de GI ontbreekt de noodzaak van de medische behandeling. Daarnaast is het de pleegvader die aangeeft dat [voornaam van minderjarige] fors reageert na de omgang, terwijl hij mogelijk niet deskundig genoeg is om die conclusie te trekken. Moeder heeft bezwaar tegen de behandeling en is van mening dat er alternatieve mogelijkheden zijn. Moeder heeft ter zitting voorts zorgen geuit over de veiligheid van [voornaam van minderjarige] en de wijze waarop haar privacy en de bescherming van de persoonlijk gegevens van haar en [voornaam van minderjarige] zijn gewaarborgd bij de GI. Moeder denkt dat de problematiek van [voornaam van minderjarige] is veroorzaakt door de uithuisplaatsing en het gegeven dat zij is gescheiden van haar moeder. Moeder heeft daarnaast twijfels over de deskundigheid van de jeugdhulpverlener en de wetenschappelijke basis van de behandeling die [voornaam van minderjarige] volgens de GI nodig heeft.

Namens de GI is ter zitting, in aanvulling op het verzoekschrift, het volgende naar voren gebracht. [voornaam van minderjarige] laat een terugval zien op alle ontwikkelingsgebieden. Haar gedrag is zeer zorgelijk en daarvoor is behandeling nodig. Het gedrag van [voornaam van minderjarige] was niet alleen na het omgangsmoment met moeder zichtbaar, maar al sinds de start van de plaatsing in het pleeggezin. Omdat er mogelijk sprake is van onderliggende problematiek is diagnostiek noodzakelijk. Vervolgens kan er gestart worden met een passende behandeling. Het is op dit moment nog lastig te zeggen hoelang dit traject gaat duren. De argumenten die moeder ter zitting aanvoert zijn niet gericht op [voornaam van minderjarige] en haar belang. Tijdens de behandeling van [voornaam van minderjarige] zal er samen met de deskundigen vanuit de GGZ gekeken worden hoe er op een passende manier contact kan plaatsvinden tussen moeder en [voornaam van minderjarige] .

De beoordeling

Wanneer een minderjarige medisch moet worden onderzocht of medische behandeling
behoeft of wanneer hij moet worden opgenomen in een ziekenhuis is in beginsel de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst van toepassing, hierna te noemen WGBO. De WGBO (artikelen 7:446 tot en met 7:468 van het Burgerlijk Wetboek) bevat bepalingen omtrent de geneeskundige behandelingsovereenkomst.


Ingevolge artikel 7:446, lid 2 BW wordt onder handelingen op het gebied van de geneeskunst verstaan:
a. alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -

rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen;

b. andere dan de onder a bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon, die worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid.

Voor een medisch onderzoek of behandeling van een minderjarige jonger dan 12 jaar is toestemming van de ouders/voogden vereist.

De kinderrechter kan, ingevolge artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), bij een verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit kan, ingevolge sub b van het voornoemde artikel, plaatsvinden met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar, of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

De kinderrechter is met de GI van oordeel dat het gedrag dat [voornaam van minderjarige] heeft laten zien na het begeleid contact met moeder op 17 oktober 2018 zorgelijk is. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de beschrijving van dit gedrag, als weergegeven in de onderbouwing van het verzoekschrift van 8 maart 2019, in twijfel te trekken. Niet duidelijk is waar dit gedrag vandaan komt en of dit duidt op trauma of aanvullend ouder-kindproblemen of hechtingsproblemen. De kinderrechter kan dan ook de GI volgen in de zienswijze dat nader onderzoek naar dit gedrag noodzakelijk is om vast te stellen waar dit een uiting van is en om daar eventueel behandeling op te laten aansluiten.

Voor de toepassing van artikel 1:265e BW is het van belang dat het gaat om een medische behandeling. De kinderrechter maakt daarbij een onderscheid tussen de noodzakelijk geachte diagnostiek en de eventueel daarop volgende behandeling.

Diagnostiek als zodanig valt naar het oordeel van kinderrechter onder het begrip medische behandeling als bedoeld in artikel 1:265e BW. Voor de uitleg van het begrip medische behandeling sluit de rechtbank daarbij aan bij de omschrijving van medische behandeling in de WGBO. Of verdere (medische) behandeling noodzakelijk is voor de uitvoering van de OTS is thans nog onzeker. Eerst zal op basis van deskundig onderzoek moeten worden vastgesteld of verdere behandeling (van trauma of aanvullend ouder-kindproblemen of hechtingsproblemen) noodzakelijk is. Een dergelijke professionele beoordeling is nog niet voor handen. Of na diagnostiek behandeling moet volgen die is te kwalificeren als medische behandeling in voorbedoelde zin is thans evenmin te beoordelen.

De kinderrechter stelt vast dat vooralsnog de OTS en de UHP loopt tot 20 juli 2019. In de periode tot aan die datum kan diagnostiek plaatsvinden. In het belang van [voornaam van minderjarige] zal de kinderrechter het verzoek voor zover het betreft diagnostiek dan ook inwilligen voor de duur van de OTS en de UHP. De kinderrechter hecht er wel aan op te merken dat voor verdere diagnostiek en medische behandeling in het geval de OTS wordt verlengd en moeder daartoe geen toestemming verleent een verzoek op basis van artikel 1:265h BW meer voor de hand lijkt te liggen. De reikwijdte van het verzochte op basis van artikel 1:265e BW, waarmee de GI in algemene zin bevoegd wordt om te beslissen over elke medische behandeling van de onder toezicht gestelde minderjarige gaat verder dan zoals dit bedoeld is in artikel 1:265h BW. Als volstaan kan worden met een eenmalig vervangende toestemming op basis van artikel 1:265h BW dan is overhevelen van het gezag ten aanzien van elke medisch behandeling niet gerechtvaardigd. De kinderrechter tekent daarbij aan dat moeder eerder wel toestemming heeft verleend, zodat bij een duidelijke diagnostiek en concretisering van de noodzakelijk geachte behandeling met moeder opnieuw het gesprek kan worden aangegaan. In het geval het zou gaan om een behandeling, die niet is te kwalificeren als een medische behandeling zou de GI ook de weg kunnen volgen van een schriftelijke aanwijzing en een eventuele bekrachtiging daarvan.

Moeder beroept zich in haar bezwaren tegen behandeling van [voornaam van minderjarige] , onder meer, op kinderrechten. De kinderrechter verstaat dit als een beroep op artikel 3 van het IVRK. De kinderrechter komt daarbij tot een belangenafweging: het belang van de minderjarige bij een medische behandeling afgezet tegen het belang van de ouder om het gezagsrecht uit te oefenen. De kinderrechter is van oordeel dat het belang van [voornaam van minderjarige] bij diagnostiek zwaarder dient te wegen dan het gezagsrecht van moeder, nu het gedrag van [voornaam van minderjarige] die diagnostiek rechtvaardigt. Het belang van de minderjarige is reeds ingesloten bij de beoordeling van de noodzaak voor de medische behandeling, bestaande uit diagnostiek, om doelgerichter uitvoering te kunnen geven aan de OTS, waardoor ernstige belemmeringen voor haar ontwikkeling kunnen worden weggenomen.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent vervangende toestemming voor de medische behandeling, bestaande uit diagnostiek, van [voornaam van minderjarige] voor de duur van de OTS en de UHP tot 20 juli 2019;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.K. Nihot, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden