Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2076

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
UTR - 18 _ 2887
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om nadeelcompensatie als gevolg van een peilbesluit. Het college van de dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden had eiser in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord over zijn bezwaren tegen de afwijzing van zijn verzoek om nadeelcompensatie. Ook is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel, omdat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen schade lijdt of zal lijden. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd. Maar het college hoeft geen schadevergoeding aan eiser te betalen. De schade die eiser lijdt is het gevolg van een peilverlaging die noodzakelijk is vanwege de natuurlijke daling van het maaiveld. De schade behoort daarom tot het normaal maatschappelijk risico en komt voor rekening van eiser. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt dus inhoudelijk geen gelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/56 met annotatie van Meijden, D. van der
JNA 2019/36
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/2887

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout),

en

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Schippers).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [projectleider] , projectleider.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser is eigenaar van de woning op het perceel [adres] te [woonplaats] (de woning). De woning heeft een fundering van houten palen. De houten fundering is gelegen op -1,92m ten opzichte van NAP.

1.2

De woning ligt in het peilgebied Kamerik Mijzijde (het peilgebied). Voor het peilgebied geldt op basis van het Watergebiedsplan Kamerik-Kockengen (het watergebiedsplan) het peilbesluit Kamerik Teylingens 2007 (het peilbesluit). Het peilbesluit voorziet in een verlaging van het waterpeil in het peilgebied.

1.3

Omdat verlaging van het waterpeil kan leiden tot droogstand en verzakking van houten funderingen, heeft verweerder op 26 januari 2015 een tegemoetkoming van € 24.000,- aangeboden aan eiser voor de bescherming van de fundering van de woning. Eiser heeft deze tegemoetkoming aanvaard.

1.4

Per brief van 22 september 2017 heeft eiser een verzoek ingediend voor nadeelcompensatie met een totaalbedrag van € 97.565,23. Dit betreft onder meer kosten die eiser heeft gemaakt voor het treffen van voorzorgsmaatregelen aan de fundering van de woning en kosten voor onderzoek aan zijn fundering. Met het primaire besluit heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Eiser is daar tegen in bezwaar gegaan. Met het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Om die reden heeft verweerder afgezien van een hoorzitting.

Intrekking beroepsgronden en aanpassing vordering

2. Eiser heeft op de zitting de beroepsgronden waarin hij een beroep doet op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel ingetrokken. Deze beroepsgronden worden in deze uitspraak daarom verder niet besproken.

3. Verder heeft eiser op de zitting aangegeven dat het bedrag van € 24.000,- dat verweerder eerder aan hem heeft uitgekeerd op het totaalbedrag van zijn verzoek om nadeelcompensatie in mindering moet worden gebracht. Eiser heeft zijn vordering daarom verminderd tot
€ 73.565,23.

Hoorplicht

4. Eiser voert aan dat verweerder zijn bezwaarschrift ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en op die grond heeft afgezien van horen.

5. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt verweerder de indiener van een bezwaarschrift in de gelegenheid te worden gehoord. Het horen dient als waarborg voor verweerder en eiser om tot een zorgvuldige en zo mogelijk oplossingsgerichte heroverweging van de besluitvorming te komen. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) betekent dit dat van het horen mag worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb toe te passen moet door verweerder worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd. De rechtbank verwijst in dit verband naar bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 6 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:710).

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van eiser ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Er was daarvoor te veel twijfel mogelijk over de uitkomst van het bezwaar. Daarbij is van belang dat verweerder in het bestreden besluit een andere motivering voor de afwijzing van eisers verzoek om nadeelcompensatie heeft gegeven dan in het primaire besluit. In het primaire besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eisers schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort, terwijl hij zich in het bestreden besluit op het standpunt stelt dat er geen schade (te verwachten) is. De Awb verzet zich er op zichzelf niet tegen dat in het besluit op bezwaar een andere motivering wordt gegeven dan in het primaire besluit. Wel is het in dat geval van belang dat de belanghebbende op een (voorgenomen) wijziging van standpunt kan reageren. Eiser heeft dat nu niet kunnen doen. Gelet op de ontwikkeling van het standpunt van verweer kan niet worden gezegd dat er op voorhand bij verweerder geen twijfel bestond dat het bezwaar niet zou kunnen leiden tot een ander besluit. Verweerder had eiser dus in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord. De beroepsgrond slaagt.

7. De rechtbank zal vervolgens eisers beroep inhoudelijk behandelen. De vraag die de rechtbank daarbij moet beantwoorden is of verweerder eisers verzoek om nadeelcompensatie op goede gronden heeft afgewezen.

Schade

8. Als eiser schade lijdt of zal lijden als gevolg van het peilbesluit, komt hij op grond van artikel 7:14 van de Waterwet voor een vergoeding in aanmerking als die schade redelijkerwijs niet of niet geheel tot de lasten van eiser behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende op een andere manier is verzekerd.

9. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding op grond van artikel 7:14 van de Waterwet, omdat niet is gebleken dat er schade is aan eisers fundering. Ook kan volgens verweerder schade aan de fundering door peilverlaging worden voorkomen als eiser op tijd maatregelen neemt.

10. Eiser voert aan dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat hij geen schade lijdt of zal lijden als gevolg van het peilbesluit. Uit verschillende onderzoeken is immers gebleken dat eiser maatregelen moet treffen om schade door peilverlaging te voorkomen. De kosten die hij heeft moeten maken ter voorkoming van die schade moeten daarom door verweerder worden vergoed.

11. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 3 van het peilbesluit staan de na te streven waterstanden voor het peilgebied. Die standen zijn -2,15m ten opzichte van NAP voor het zomerpeil en -2,25m ten opzichte van NAP voor het winterpeil.

Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij niet is overgegaan tot deze voorgenomen peilverlaging, omdat dan de bodem te hard zou zakken. Om die reden heeft verweerder na het nemen van het peilbesluit besloten om het zomer- en het winterpeil beiden opnieuw vast te stellen en wel op -2,06m ten opzichte van NAP. Totdat het nieuwe peilbesluit er is zal er waarschijnlijk nog een kleine verlaging plaatsvinden, maar niet tot de voorgenomen -2,15m en -2,25m ten opzichte van NAP.

Eiser mocht er echter redelijkerwijs van uit gaan dat verweerder de voorgenomen peilverlaging zou uitvoeren en dat de streefwaarden van -2,15m en -2,25m ten opzichte van NAP zouden worden gehaald. Op de zitting is gebleken dat de houten palen van eisers fundering bij die voorgenomen peilverlaging in ieder geval droog komen te staan en dat deze, als geen maatregelen worden genomen, zullen worden aangetast. Dat betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser geen schade lijdt of zal lijden als gevolg van het peilbesluit. Kosten die iemand heeft moeten maken ter voorkoming van schade vormen immers ook een vorm van schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dat betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De beroepsgrond slaagt.

Tussenconclusie

12. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid van de Awb en met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste lid van de Awb. Daarom is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven, omdat eiser om een andere reden niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Nadeelcompensatie en normaal maatschappelijk risico

13. Op grond van artikel 7.14 van de Waterwet komt schade die tot het normaal maatschappelijk risico behoort niet voor vergoeding in aanmerking.

14. Op grond van vaste jurisprudentie van de ABRvS behoort schade als gevolg van een peilverlaging die noodzakelijk is vanwege de natuurlijke daling van het maaiveld tot het normaal maatschappelijk risico. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 16 november 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU6237).

15. Volgens verweerder volgt het waterpeil – ook het peil zoals vastgelegd in het peilbesluit – de natuurlijke maaivelddaling en is de peilverlaging dus noodzakelijk uitsluitend vanwege de natuurlijke maaivelddaling. De schade behoort daarom tot het normaal maatschappelijk risico. Volgens eiser gaat de peilverlaging die het peilbesluit mogelijk maakt verder dan alleen de natuurlijke maaivelddaling en is de peilverlaging ook gericht op droogleggingsverbetering. De schade behoort daarom niet tot het normaal maatschappelijk risico.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de peilverlaging die in het peilbesluit mogelijk is gemaakt een compensatie voor de natuurlijke maaivelddaling begrepen. Op de zitting heeft verweerder een tekening overgelegd met daarop de hoogte van het maaiveld en het waterpeil in het peilgebied vanaf het jaar 1900. Aan de hand van die tekening en de toelichting van verweerder op zitting stelt de rechtbank vast dat het waterpeil in het peilgebied de natuurlijke daling van het maaiveld de laatste jaren niet consequent heeft gevolgd. Het waterpeil is in verhouding tot het maaiveld de afgelopen jaren minder gedaald. Weliswaar maakt het peilbesluit een scherpere daling van het waterpeil mogelijk waardoor het waterpeil vanaf 2007 sneller daalt dan het maaiveld, maar verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de drooglegging in het peilgebied door de tijd heen niet groter wordt. Eiser heeft dit niet betwist. Dat betekent dat het waterpeil op de lange termijn de natuurlijke maaivelddaling volgt, ook als wordt uitgegaan van de streefwaarden uit het peilbesluit. De schade die eiser lijdt behoort dus tot het normaal maatschappelijk risico. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij schade lijdt of zal lijden doordat het peilbesluit ter compensatie van een periode waarin de maaivelddaling onvoldoende werd bijgehouden, voor op de korte termijn een scherpere daling van het waterpeil mogelijk maakt.

16. Dit betekent dat de door eiser gelede schade op grond van artikel 7.14 van de Waterwet niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Conclusie

17. Het bovenstaande betekent dat de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaart en het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 7:2, eerste lid, en 7:12, eerste lid van de Awb vernietigt. Eiser heeft dus op goede gronden beroep ingesteld. Maar verweerder hoeft de door eiser geleden schade niet te vergoeden. Deze schade behoort namelijk tot het normaal maatschappelijk risico en komt voor rekening van eiser. Eiser krijgt dus inhoudelijk geen gelijk.

Griffierecht en proceskosten

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van

€ 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.