Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:2063

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
C/16/464518 / HA ZA 18-51
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Arbeidsongeschiktheid. Ziekte van Lyme. Deskundigenonderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0724
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/464518 / HA ZA 18-51

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Dijkman te Almelo,

tegen

de naamloze vennootschap

[gedaagde] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

Processtukken in de oorspronkelijke zaak (438278)

1.1.

Deze procedure is gestart met een dagvaarding van 8 maart 2017, waarbij 27 producties horen. Bij de rechtbank is aan deze zaak toen het nummer 16/438278 / HA ZA 17-386 toegekend.
Mr. Dijkman heeft op 10 mei 2017 een “akte houdende overlegging producties, aanvulling en/of vermeerdering van eis” ingediend en daarbij de producties 28 tot en met 31 gevoegd. Mr. Wervelman heeft op 21 juni 2013 een conclusie van antwoord met 10 producties ingediend.

De rechtbank heeft daarna bepaald dat er een comparitie zal plaatsvinden (vonnis van 12 juli 2017).

Mr. Dijkman heeft op 4 en 5 december 2017 de producties 32, 33 en 34 toegestuurd.

De comparitie is gehouden op 19 december 2017. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

Hoe is het verder gegaan?

1.2.

Tijdens de comparitie op 19 december 2017 zijn partijen het erover eens geworden dat de zaak wordt aangehouden voor onderling overleg over een of meerdere te starten buitengerechtelijke (medische) expertises. De rechter heeft de zaak daarom naar de parkeerrol van 4 april 2018 verwezen. Op die datum is de zaak ambtshalve doorgehaald, omdat de rechtbank geen reactie van partijen had ontvangen.

1.3.

Met de brief van 17 juli 2018 heeft mr. Dijkman de rechtbank laten weten dat partijen het eens zijn geworden over een internistische expertise door prof. J.W.R. Hovius ( […] ) en een oogheelkundige expertise door prof. P.J. Ringens ( […] ), maar dat partijen het niet eens zijn geworden over de inhoud van de opdrachtbrief, de formulering van de voor te leggen vragen en of de rapportage van 9 februari 2015 van een neuropsycholoog van [bedrijfsnaam] en de rapportage van 13 april 2015 van verzekeringsgeneeskundige [A] al dan niet moeten worden meegestuurd aan de deskundigen.

1.4.

Mr. Wervelman heeft dit bevestigd in zijn brief van 18 juli 2018.

Processtukken in de zaak na heropening (464518)

1.5.

De zaak is vervolgens onder een nieuw zaak-/rolnummer heropend: 16/464518 / HA ZA 18-51. De rechter heeft beslist dat de zaak naar de rol wordt verwezen voor aktewisseling.

Op 10 oktober 2018 heeft mr. Wervelman een akte na comparitie ingediend.

Mr. Dijkman heeft op 17 oktober 2018 een akte na comparitie ingediend en daarbij productie 35 tot 41 gevoegd.
Daarna heeft de rolrechter beslist dat de rechtbank uitspraak zal doen.

1.6.

Op 15 januari 2019 heeft de rechtbank partijen per brief onder meer geïnformeerd over praktische problemen met de benoeming van de door hen voorgestelde deskundigen.
Mr. Dijkman heeft gereageerd op 24 januari 2019, waarop mr. Wervelman op 28 januari 2019 heeft gereageerd.
Op de rol van 30 januari 2019 heeft mr. Dijkman een akte uitlating (met productie 42 en 43) genomen en heeft mr. Wervelman zijn faxbericht van 30 januari 2019 ingebracht.

2 De beoordeling

Inleiding

2.1.

[eiser] is van beroep radiodiagnost. [eiser] heeft bij [gedaagde] een beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Dit is in 1985/1986 geweest. Deze verzekering bestaat uit een Eerstejaarsverzekering en een Langlopende verzekering, met elk eigen verzekeringsvoorwaarden. De Eerstejaarsverzekering keert tijdens het eerste jaar van ziekte uit. De Langlopende verzekering kan na het eerste ziektejaar recht geven op uitkering.

Wat is er gebeurd?

2.2.

[eiser] heeft zich twee keer arbeidsongeschiktheid gemeld bij [gedaagde] :

  • -

    Op 24 september 1996 vanwege de ziekte van Lyme.
    [gedaagde] heeft toen tot en met 14 februari 1997 een uitkering van 50% gedaan en voor alleen de laatste week van december 1996 een volledige uitkering.

  • -

    Op 1 november 2013 (per 27 oktober 2013) vanwege post-Lyme.
    [gedaagde] heeft toen een 80-100% uitkering gedaan. Omdat dit volgens [gedaagde] om de Eerstejaarsverzekering ging, heeft [gedaagde] een jaar later, per 28 oktober 2014, die uitkering beëindigd. [gedaagde] heeft daarna nog wel uitkeringen gedaan. In 2015 is ook dat beëindigd, omdat er volgens [gedaagde] niet vastgesteld kon worden of er sprake is van objectieve medische gronden, zoals de verzekeringsvoorwaarden bepalen.

Wat houdt partijen verdeeld?

2.3.

Partijen zijn het over een aantal punten niet eens. Voor nu is het belangrijkste punt van discussie of de ziekmelding in 2013 een zogenoemd nieuw ziektegeval is of niet. [eiser] vindt dat het geen nieuw ziektegeval is, omdat de oorzaak – net als in 1996 – Lyme is. [gedaagde] heeft het in principe wel als een nieuw ziektegeval aangemerkt. Mede daarom heeft zij op grond van de Eerstejaarsverzekering uitgekeerd aan [eiser] . Om te kunnen beoordelen of er daarna onder de Langlopende verzekering moet worden uitgekeerd, wil [gedaagde] onafhankelijk onderzoek laten doen naar de oorzaak. [eiser] weigert dit. Hij vindt dat er al genoeg onderzoeken zijn geweest. Voor hem is duidelijk dat daaruit blijkt dat de ziekte van Lyme als oorzaak is aan te wijzen, ook voor de oogproblematiek. Voor [gedaagde] staat niet vast dat de oorzaak Lyme is.

Hoe kan dit worden opgelost?

2.4.

Tijdens de zitting op 19 december 2017 is duidelijk geworden dat de oplossingsrichting ligt in onafhankelijk medisch onderzoek. Zowel voor de verzekeringsvoorwaarden die gelden voor de Eerstejaarsverzekering als die van de Langlopende verzekering is nodig dat komt vast te staan of er sprake is van objectief medische stoornissen. Onderzoeken uit de behandelend sector zijn daarvoor niet voldoende. Het moet gaan om onafhankelijk onderzoek door een specialist. Dat is er nog niet. Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken om samen te gaan bekijken of het lukt om in onderling overleg met deze oplossingsrichting verder te gaan.

Waar loopt het op vast?

2.5.

Zoals de rechtbank hiervoor onder 1.3. en 1.4. heeft opgenomen hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over - kort gezegd - de opdrachtbrief, de vraagstelling en de mee te sturen stukken. Zij zijn het er wel over eens dat zij prof. J.W.R. Hovius ( […] ) willen vragen een internistische expertise te verrichten en prof. P.J. Ringens ( […] ) willen benaderen voor een oogheelkundige expertise.

Hoe nu verder?

2.6.

Zoals de rechtbank ook tijdens de zitting in december 2017 heeft aangegeven, zijn medische onderzoeken noodzakelijk voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank heeft daarom de deskundigen die partijen hebben voorgesteld, benaderd en gevraagd of zij bereid zijn en het hen vrij staat om onderzoek te doen. Prof. Hovius heeft toen laten weten dat hij (het […] ) niet als deskundige optreedt in rechtszaken/juridische kwesties. Prof. Ringens sprak enige aarzeling uit om de opdracht aan te nemen omdat hij het een buitengewoon lastige vraagstelling vindt, maar op zichzelf wel bereid is om het onderzoek te doen. Dit heeft de rechtbank op 15 januari 2019 teruggekoppeld aan partijen en daarbij een voorstel gedaan hoe bij deze stand van zaken verder te gaan.

2.7.

Partijen hebben daarop gereageerd. [eiser] heeft in zijn akte uitlating aangegeven dat zijn medisch adviseur prof. Hovius heeft benaderd en dat dit ertoe heeft geleid dat prof. Hovius toch bereid is om als deskundige op te treden. [gedaagde] is het er graag mee eens dat prof. Hovius wordt benoemd. Ook zijn zij het er over eens dat prof. Ringens het oogheelkundige onderzoek verricht.

De griffier heeft beide deskundigen vervolgens nogmaals benaderd. Beide deskundigen hebben (telefonisch en via e-mail) aangegeven bereid en in de gelegenheid te zijn de onderzoeken te verrichten. De rechtbank zal in dit vonnis prof. J.W.R. Hovius en prof. P.J Ringens als deskundigen benoemen.

2.8.

De rechtbank gaat voorbij aan de wens van [eiser] dat de rechtbank knopen doorhakt over de inhoud van de opdrachtbrief en de formulering van de voor te leggen vragen en de zaak daarna weer naar de parkeerrol verwijst. Partijen zijn er samen niet in geslaagd een buitengerechtelijke expertisetraject op te starten, zodat de rechtbank nu de deskundigenberichten zal bevelen.

De rechtbank zal hierna dan ook beoordelen welke vragen voorgelegd moeten worden en welke stukken aan de deskundigen moeten worden toegestuurd.

Welke vragen moeten worden voorgelegd?

2.9.

Beide partijen hebben vragen geformuleerd. Over een aantal vragen zijn zij het eens. Op de vragen, en/of de formulering daarvan, waarover partijen het niet eens zijn, zal de rechtbank nu eerst ingaan. De rechtbank zal de vraagstelling bespreken aan de hand van productie 38 van [eiser] en de standpunten van partijen daarover in hun aktes. De nummers van de vragen verwijzen naar de vragen van [eiser] van 3 juli 2018.

vraag 1

2.10.

Met zijn vraag 1 wil [eiser] de deskundige vragen naar de voorgeschiedenis en het beloop en daarbij onderscheid maken tussen vijf perioden. Dit in verband met de discussie of sprake is van een nieuw ziektegeval of het opnieuw opspelen van een oude aandoening. [gedaagde] vindt het niet nodig om deze vraag te stellen omdat de stelling van [eiser] dat geen sprake is van een nieuw ziektegeval maar van een doorlopende arbeidsongeschiktheid feitelijke grondslag mist en ook niet strookt met de vorderingen zoals hij die heeft ingesteld.

Eén van de discussiepunten tussen partijen is of de ziekmelding van 2013 gelegen is in een oude oorzaak, te weten de ziekte van Lyme, of dat sprake is van een andere oorzaak of nieuwe ziekte. Duidelijkheid hierover zou voor de beoordeling van het geschil tussen partijen in een later stadium van de procedure van belang kunnen zijn. De rechtbank zal vraag 1 zoals [eiser] die heeft geformuleerd daarom meenemen in de vraagstelling.

vraag 2

2.11.

Met de tweede vraag wil [eiser] vragen naar de anamnese. Ook dit vindt [gedaagde] niet nodig. Volgens haar kan dit relevant zijn voor letselschadeclaims, maar niet voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die uitsluitend betrekking hebben op het verrichten van werkzaamheden. Ook hier wijst [gedaagde] erop dat gevraagd wordt naar perioden waarop de vorderingen van [eiser] geen betrekking hebben.
Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat de vraag zoals deze nu is geformuleerd een veelvoorkomende vraag is in de letselschadepraktijk. Omdat een arts in de meeste gevallen naar een anamnese zal vragen en het wel degelijk relevant kan zijn welke beperkingen [eiser] zelf noemt, zal de rechtbank vraag 2 aanpassen, in die zin dat alleen gevraagd wordt naar de eventuele beperkingen die de verzekerde aangeeft ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden voor het verzekerde beroep.

vraag 3

2.12.

De rechtbank zal in de vraag over het medisch onderzoek ook opnemen dat de deskundigen zo nodig hulponderzoek kunnen laten verrichten. Of voor het eigen onderzoek ook hulponderzoek nodig is, wordt overgelaten aan de deskundige zelf.

vraag 4

2.13.

Ook bij de vierde vraag naar de diagnose speelt het bezwaar van [gedaagde] tegen het onderscheid in episodes. De rechtbank gaat daaraan voorbij. Zij verwijst naar wat daarover al is overwogen. De deskundigen zal worden gevraagd of het mogelijk en nodig is om bij de diagnose te onderscheiden tussen de eerder genoemde perioden.

vraag 5 en 6

2.14.

De vijfde vraag die [eiser] heeft geformuleerd gaat over arbeidsongeschiktheid in de zin van (twee versies van) de verzekeringsvoorwaarden. Vraag 6 gaat over beperkingen voor het verrichten van werkzaamheden als radiodiagnost. [gedaagde] heeft bezwaar tegen deze vragen: het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid is voorbehouden aan arbeidsdeskundigen, terwijl het in kaart brengen van beperkingen door een verzekeringsgeneeskundige moet worden gedaan.
Zowel het in kaart brengen van beperkingen voor het verzekerde beroep als het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid behoort inderdaad tot het terrein van de verzekeringsgeneeskundige respectievelijk de arbeidsdeskundige en is pas aan de orde na het medische onderzoekstraject. Aan een arts kan echter wel worden gevraagd wat bij een bepaalde diagnose medisch gezien de beperkingen of afwijkingen zijn. Dat zal de rechtbank daarom wel vragen, terwijl vragen over beperkingen (in verzekeringsgeneeskundige zin) en de mate van arbeidsongeschiktheid niet worden meegenomen in de vraagsteling.
Dit geldt ook voor de vragen 4 en 5 zoals [gedaagde] die in haar akte heeft opgenomen, waarbij gevraagd wordt naar objectiveerbare functionele beperkingen.

2.15.

Over een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig traject gesproken, legt de rechtbank partijen nu vast het volgende voor. Als in een later stadium van deze procedure een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek nodig is, zal de rechtbank partijen vragen zich uit te laten over de vraag of deze zaak zich leent voor een gelijktijdig en gezamenlijk onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige; zie hierover H. Artoos en P. van der Ham, ‘Samenwerking arbeidsdeskundigen met verzekeringsartsen’, Tijdschrift letselschade in de rechtspraktijk (TLP) 2016/33. Hierin is onder meer het volgende voorstel gedaan voor een mogelijke samenwerking tussen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige:

De verzekeringsarts bestudeert de medische stukken en spreekt en onderzoekt de betrokkene en stelt een voorlopig belastbaarheidsprofiel op dat hij aan de arbeidsdeskundige verstrekt. Vervolgens doet de arbeidsdeskundige onderzoek naar het werk, de belasting in het werk en de knelpunten. Aansluitend vindt er overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige plaats. De arbeidsdeskundige kan, zeker nu hij weet wat de kenmerkende belasting is, eventueel aanvullende vragen of verduidelijking aan de verzekeringsarts vragen. Deze vragen verwerkt de verzekeringsarts in het conceptrapport dat hij dan naar partijen stuurt. Na de reactie van partijen is het rapport van de verzekeringsarts definitief en kan de arbeidsdeskundige ook zijn conceptrapport afronden.”

Een voorwaarde voor deze werkwijze is uiteraard dat de deskundigen bereid zijn tot samenwerking. Als zij daartoe bereid zijn, zal het aan het aan de deskundigen worden overgelaten op welke manier zij inhoud wensen te geven aan deze samenwerking.

dus: de te stellen vragen

2.16.

Aan beide deskundigen zullen deze vragen worden voorgelegd:

1 Voorgeschiedenis en beloop
Wilt u op basis van het u ter beschikking gestelde (deel van het) medisch dossier een beschrijving geven op uw vakgebied van
I - de medische voorgeschiedenis van [eiser] /het beloop vanaf
a) 1988, b) 1996, c) 27 oktober 2013, d) 22 april 2015 en e) tot en met heden;
II - de medische behandelingen en het resultaat daarvan.

2 Anamnese
a) Hoe luidt de anamnese op uw vakgebied met betrekking tot het beloop, de aard en ernst van de klachten, de behandeling(en) en het resultaat daarvan?*
b) Welke overige klachten en beperkingen worden door betrokkene (desgevraagd) vermeld?*
c) Wilt u expliciet vermelden welke beperkingen betrokkene op uw vakgebied aangeeft in relatie tot de loonvormende arbeid?*
*Wilt u onder a, b en c waar nodig onderscheid maken tussen de bij
vraag 1 genoemde perioden.

3 Medisch onderzoek
Wat zijn uw bevindingen bij uw onderzoek van [eiser] , en bij door u eventueel noodzakelijk geacht om hulponderzoek, op uw vakgebied?

4Diagnose
Wat is of zijn naar uw oordeel de diagnose(n) die u stelt over [eiser] op uw vakgebied? Kunt u, indien nodig, onderscheid maken tussen de bij vraag 1 genoemde perioden.

5Behandeling
Welke behandeling wordt toegepast? Welke behandeling zou u willen voorschrijven?

6Adviezen
Heeft u nog therapeutische adviezen?

7 Tot slot
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

Welke stukken naar de deskundigen?

2.17.

Partijen zijn het er over eens dat aan de deskundigen de volgende stukken worden verstrekt:

  • -

    de rapportage van een neuropsycholoog van [bedrijfsnaam] ;

  • -

    de rapportages van verzekeringsgeneeskundige [A] ;

  • -

    de brief van 30 januari 2018 van prof. dr. [B] , internist-infectioloog;

  • -

    de onderzoeksresultaten (16), zoals door [eiser] overgelegd als productie 41 bij de akte na comparitie van 17 oktober 2018.

2.18.

[eiser] merkt onder 4.2. van zijn akte na comparitie op dat bij het verstrekken van deze stukken aan de deskundigen wel expliciet duidelijk moet worden gemaakt dat zij op strikt eenzijdige wijze tot stand zijn gekomen en de inhoud ervan tussen partijen niet vaststaat, zodat de deskundigen hun beoordeling ook niet op die stukken mogen baseren zonder de juistheid daarvan te hebben geverifieerd en ook dat de deskundigen erop gewezen moeten worden dat zij niet gebonden zijn aan enige door deze deskundigen getrokken conclusie en/of gepleegde beoordeling.

De rechtbank gaat hieraan voorbij. Zij leest dit niet in het arrest waarnaar [eiser] verwijst. Daarnaast geldt dat de deskundigen gevraagd wordt zelf een oordeel te geven en duidelijk te maken hoe dat oordeel is gevormd.

Wie betaalt de kosten?

2.19.

[eiser] wijst erop dat [gedaagde] buitengerechtelijk heeft toegezegd om de kosten van de onderzoeken voor haar rekening te nemen. De rechtbank constateert dat namens [gedaagde] in haar concept-vraagstelling van 25 april 2018 is vermeld dat de factuur op naam van [gedaagde] gesteld kan worden. In haar akte heeft [gedaagde] over de kosten niets gezegd. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om, in afwijking van het uitgangspunt van de wet, te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door [gedaagde] moet worden gedeponeerd. De rechtbank zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Instructies

2.20.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Voldoet een partij niet aan een van deze verplichtingen, dan kan de rechtbank in het nadeel van die partij beslissen.

2.21.

Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief contact heeft met de deskundige, moet dat schriftelijk gebeuren. Die schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige moet hij/zij dan ook meteen in kopie aan de andere partij sturen.

Tot slot

2.22.

Nadat de deskundigen hun rapportages definitief hebben afgerond en bij de griffie van de rechtbank hebben gedeponeerd, zal aan [eiser] de gelegenheid worden geboden om daarop te reageren bij conclusie na deskundigenbericht. Vanzelfsprekend krijgt [gedaagde] de gelegenheid om bij antwoordconclusie na deskundigenbericht te reageren.

2.23.

In verband met de deskundigenonderzoeken houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

3 De beslissing

De rechtbank:

het deskundigenonderzoek

3.1.

beveelt twee afzonderlijke, zelfstandige deskundigenonderzoeken naar de in nummer 2.16. van dit vonnis geformuleerde vragen,

3.2.

benoemt tot deskundigen ter beantwoording van deze vragen:


voor het internistisch onderzoek

Prof. dr. J.W.R. Hovius
[…]

Locatie […]

(secretariaat […] )

[adres]

[postcode] [vestigingsplaats]

voor het oogheelkundig onderzoek

Prof. dr. P.J. Ringens, MD PhD FEBOphth

[…]

[adres] , [postcode]

Postbus [postbusnummer] , [postcode]

tel: [telefoonnummer]

fax: [faxnummer]

e-mailadres: [e-mailadres]

de kosten

3.3.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot voor de kosten van iedere deskundige het volgende:

- de deskundige dient binnen drie weken na de datum van dit vonnis een begroting van zijn kosten op te geven aan de rechtbank, gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten;

- de griffie zal bedoelde opgave toezenden aan partijen;

- partijen kunnen binnen twee weken daarna bij de rechtbank schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;

- indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot voor de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige te begroten bedrag;

- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing;

3.4.

bepaalt dat [gedaagde] het bedrag (de bedragen) van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat zij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie heeft ontvangen,

3.5.

draagt de griffier op om ieder van de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

3.6.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst de deskundige erop dat hij het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffie, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

de werkwijze van de deskundige

3.8.

draagt de deskundige op een schriftelijk en met redenen omkleed rapport met een duidelijke conclusie, en een gespecificeerde einddeclaratie in te leveren ter griffie,

3.9.

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport ter griffie moet worden ingeleverd op drie maanden na de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek hoeft te beginnen voordat deze van de griffie bericht heeft ontvangen dat het voorschot is gedeponeerd,

3.10.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige medewerking moeten verlenen aan het onderzoek,

3.11.

schrijft de deskundige voor dat hij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen,

3.12.

bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen om binnen een termijn van vier weken nadien opmerkingen over het concept te maken,

3.13.

bepaalt dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan partijen de gelegenheid is geboden om opmerkingen te maken (tijdens het onderzoek en op het concept- rapport), terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen, en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen,

3.14.

verzoekt de deskundige in acht te nemen hetgeen is overwogen in punt 2.18. van dit vonnis,

3.15.

verzoekt de deskundige om de landelijke Leidraad deskundigen op www.rechtspraak.nl te raadplegen,

de overige beslissingen

3.16.

draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te zenden aan de deskundigen,

3.17.

bepaalt dat de verdere processtukken binnen één week na de datum van dit vonnis aan de deskundigen dienen te worden toegezonden door [eiser] ,

3.18.

draagt de griffier op om na inlevering van de schriftelijke rapporten door de deskundigen de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenrapporten aan de zijde van [eiser] en om partijen daarvan bericht te doen,

3.19.

bepaalt dat [gedaagde] , op een termijn van vier weken daarna, de gelegenheid krijgt een antwoordconclusie na deskundigenrapporten te nemen,

3.20.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.1

1 type: MAR/4186 coll: MEH